Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI8735

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2009
Datum publicatie
22-06-2009
Zaaknummer
200805268/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bahaddar-formule in de context van de goede procesorde

In dat geval kan het besluit, ondanks het eerst ter zitting, in strijd met de goede procesorde, aanvoeren van nieuwe beroepsgronden over artikel 3 van het EVRM, worden getoetst door de bestuursrechter, voor zover deze feiten en omstandigheden daartoe nopen. [..] Het door hem eerst ter zitting aangevoerde met betrekking tot de als gevolg van zijn geloofsovertuiging ondervonden problemen is in dit verband onvoldoende. Voorts is niet gebleken dat de vreemdeling lijdt aan een ziekte die zich in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium bevindt. Hetgeen de vreemdeling voor het eerst ter zitting bij de rechtbank heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn beroep op artikel 3 van het EVRM dient dus wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010, 66 met annotatie van F.M.J. den Houdijker
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805268/1/V2.

Datum uitspraak: 15 juni 2009

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 3 juni 2008 in zaak nr. 08/919 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 juni 2008, verzonden op 10 juni 2008, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 8 juli 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Hetgeen als eerste grief is aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.2. De staatssecretaris klaagt in de tweede grief dat de rechtbank ten onrechte de door de vreemdeling eerst ter zitting gegeven motivering van zijn beroepsgrond dat zijn asielrelaas ten onrechte ongeloofwaardig is geacht bij haar beoordeling heeft betrokken. De rechtbank had in de omstandigheid dat de vreemdeling in de reeds eerder uitgebrachte zienswijze van 24 november 2006 wel in staat was om de geconstateerde tegenstrijdigheden in het asielrelaas gemotiveerd te betwisten, aanleiding moeten zien om te oordelen dat de vreemdeling thans in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld, aldus de staatssecretaris.

2.2.1.De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat de vreemdeling weliswaar eerst ter zitting met zoveel woorden heeft aangevoerd dat zijn asielrelaas ten onrechte ongeloofwaardig is geacht, maar dat deze grond naar haar oordeel wel dient te worden meegenomen bij de beoordeling van het beroep. Daarbij heeft zij overwogen dat reeds uit de eerder uitgebrachte zienswijze van 24 november 2006 volgt dat de vreemdeling de in het asielrelaas geconstateerde tegenstrijdigheden betwist. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de door de vreemdeling gestelde feiten van dusdanig ernstige aard zijn dat het in beroep niet direct op uitputtende wijze betwisten van de geconstateerde tegenstrijdigheden in redelijkheid niet aan hem kan worden tegengeworpen.

2.2.2.Bij besluit van 7 december 2006, gelezen in samenhang met het daarin ingelaste voornemen van 26 oktober 2006, heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie de aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Bij brief van 6 juli 2007 heeft de staatssecretaris dit besluit ingetrokken.

In het besluit van 19 december 2007, gelezen in samenhang met het daarin ingelaste voornemen van 1 november 2007, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat het relaas van de vreemdeling ongeloofwaardig is, omdat hij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd.

In het aanvullend beroepschrift van 31 januari 2008 heeft de vreemdeling slechts aangevoerd dat hij heeft meegemaakt dat hij, zijn gezinsleden en zijn geloofsgenoten, enkel vanwege het feit dat zij het christelijk geloof belijden, in Pakistan ernstig zijn mishandeld.

Eerst ter zitting bij de rechtbank op 22 april 2008 heeft de vreemdeling, zo blijkt uit het proces-verbaal, de door de staatssecretaris in het besluit van 19 december 2007 geconstateerde tegenstrijdigheden in zijn relaas gemotiveerd betwist.

2.2.3. De rechtbank heeft het eerst ter zitting aangevoerde met betrekking tot de tegenstrijdigheden in het asielrelaas ten onrechte, want in strijd met de goede procesorde, bij haar beoordeling betrokken, nu niet is gebleken dat de vreemdeling het ter zitting betoogde niet eerder kon aanvoeren en de enkele stelling in het aanvullend beroepschrift onvoldoende is om de door de vreemdeling beoogde aanvulling van het beroep ter zitting te rechtvaardigen. Deze stelling is immers louter een zeer korte samenvatting van de kern van het asielrelaas en vermeldt niet de motivering waarmee de vreemdeling de beoordeling van dit relaas door de staatssecretaris in het besluit wil aanvechten. Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat de vreemdeling in het aanvullend beroepschrift noch in de zienswijze van 3 december 2007 heeft verwezen naar de eerder door hem ingediende zienswijze van 24 november 2006. De staatssecretaris gaat in het besluit van 19 december 2007, gelezen in samenhang met het daarin ingelaste voornemen van 1 november 2007, uitdrukkelijk in op de ongeloofwaardige aspecten van het asielrelaas. Juist omdat de vreemdeling in de zienswijze van 24 november 2006 de in het voornemen van 26 oktober 2006 geconstateerde tegenstrijdigheden in zijn relaas wel gemotiveerd heeft betwist, is er geen reden om enkel vanwege de ernstige aard van de gestelde feiten aan te nemen dat de vreemdeling zijn standpunt aangaande de in dit besluit ongeloofwaardig bevonden aspecten van het asielrelaas, indien hij dat aan de rechtbank wenste voor te leggen, niet eerder dan ter zitting gemotiveerd naar voren had kunnen brengen.

De grief slaagt.

2.3. In de derde grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte de eerst ter zitting aangevoerde beroepsgrond dat bij terugkeer naar het land van herkomst een medische noodsituatie zal ontstaan bij de beoordeling van het beroep heeft betrokken.

2.3.1. De grief slaagt. Door eerst ter zitting een geheel nieuwe beroepsgrond aan te voeren, waardoor bovendien de omvang van het geschil ingrijpend wordt gewijzigd, zonder daarbij aan te geven dat en waarom hij deze beroepsgrond niet eerder heeft kunnen aanvoeren, heeft de vreemdeling in strijd met de goede procesorde gehandeld. Door het besluit mede op deze grond te vernietigen is de rechtbank buiten de grenzen van het geschil getreden.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank bestreden besluit beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.5. In zijn beroepschrift betoogt de vreemdeling dat hij heeft meegemaakt dat hij, zijn gezinsleden en zijn geloofsgenoten, enkel vanwege het feit dat zij het christelijk geloof belijden, in Pakistan ernstig zijn mishandeld.

Dit betoog kan niet afdoen aan het besluit van 19 december 2007, nu de vreemdeling enkel heeft volstaan met een zeer korte samenvatting van de kern van zijn asielrelaas, hetgeen door de staatssecretaris reeds is meegewogen bij voornoemd besluit. De vreemdeling geeft niet aan waarom de in dat besluit gemaakte afweging onjuist is. Hetgeen de vreemdeling in beroep heeft aangevoerd, biedt dan ook geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zijn asielrelaas niet in redelijkheid ongeloofwaardig heeft kunnen achten.

2.6. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 19 december 2007, gelezen in samenhang met het daarin ingelaste voornemen, op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, omdat hij vanwege zijn ongeloofwaardige relaas niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

De enkele stelling van de vreemdeling in het aanvullend beroepschrift dat hij bij terugkeer naar Pakistan vanwege zijn geloofsovertuiging te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, biedt geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op dat standpunt heeft gesteld.

2.7. Ook indien de vreemdeling stelt dat bij gedwongen terugkeer naar het land van herkomst het risico bestaat op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling of bestraffing, volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 8 mei in zaak nr. 200801379/1, www.raadvanstate.nl) dat moet worden voldaan aan de in het nationale recht neergelegde procedureregels. Slechts indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden, als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in zaak nr. 145/1996/764/965, Bahaddar tegen Nederland (JV 1998/45) voordoen, kan noodzaak bestaan om deze regels niet tegen te werpen. In dat geval kan het besluit, ondanks het eerst ter zitting, in strijd met de goede procesorde, aanvoeren van nieuwe beroepsgronden over artikel 3 van het EVRM, worden getoetst door de bestuursrechter, voor zover deze feiten en omstandigheden daartoe nopen. Dat betekent niet dat bij de beoordeling of sprake is van evenbedoelde bijzondere feiten en omstandigheden ter toetsing staat of de staatssecretaris zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het beroep van de vreemdeling op artikel 3 van het EVRM faalt (zie onder meer uitspraak van 26 april 2005 in zaak nr. 200502597/1, ter voorlichting van partijen aangehecht). Aan die toetsing van het standpunt van de staatssecretaris komt de rechter eerst toe, nadat hij tot het oordeel is gekomen dat de feiten en omstandigheden die de vreemdeling in het kader van artikel 3 van het EVRM heeft aangevoerd, in het licht van de beoordeling eerder in de procedure en het bepaalde in artikel 13 van het EVRM, zodanig zwaarwegend zijn, dat de wijze waarop hij het besluit naar nationaal recht dient te beoordelen, er aan in de weg staat dat een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling of bestraffing in de beoordeling van het beroep wordt betrokken.

2.7.1. Het door hem eerst ter zitting aangevoerde met betrekking tot de als gevolg van zijn geloofsovertuiging ondervonden problemen is in dit verband onvoldoende. Voorts is niet gebleken dat de vreemdeling lijdt aan een ziekte die zich in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium bevindt. Hetgeen de vreemdeling voor het eerst ter zitting bij de rechtbank heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn beroep op artikel 3 van het EVRM dient dus wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten te worden.

2.8. Gelet op het hiervoor overwogene zal de Afdeling het inleidend beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 3 juni 2008 in zaak nr. 08/919;

III verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Bossmann

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2009

314-563.

Verzonden: 15 juni 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak