Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI8491

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
17-06-2009
Zaaknummer
200805916/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juni 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellant sub 2], een boete opgelegd van € 28.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Wetsverwijzingen
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 2
Wet arbeid vreemdelingen 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/325
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805916/1/V6.

Datum uitspraak: 17 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 juni 2008 in zaak nr. 07/3528 in het geding tussen:

[appellant sub 2]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellant sub 2], een boete opgelegd van € 28.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 18 juli 2007 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) het daartegen door [appellant sub 2] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 juni 2008, verzonden op 27 juni 2008, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant sub 2] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 juli 2007 vernietigd, de boete vastgesteld op € 14.000,00 en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 juli 2008, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 augustus 2008, hoger beroep ingesteld. De minister heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 29 augustus 2008. [appellant sub 2] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 3 september 2008.

[appellant sub 2] en de minister hebben ieder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2009, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M. Hokke en mr. A.R. Schuurmans, beiden werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. L.A.W. van Laak en C. van der Roest, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 18, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, voor zover thans van belang, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een natuurlijk persoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 11.250,00.

Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Volgens artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2007 (hierna: de beleidsregels), worden bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

Volgens artikel 2 wordt voor de werkgever als natuurlijk persoon bij een gedraging in strijd met artikel 2, eerste lid, als uitgangspunt voor de berekening van de op te leggen boete 0,5 maal het boetenormbedrag gehanteerd.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000,00 per persoon per beboetbaar feit gesteld.

2.2. Het op ambtseed onderscheidenlijk ambtsbelofte door inspecteurs van de Arbeidsinspectie opgemaakte boeterapport van 21 april 2006 (hierna: het boeterapport), houdt in dat tijdens een controle op het perceel van [appellant sub 2] op 14 september 2005, zes vreemdelingen van Poolse nationaliteit en één vreemdeling van Turkse nationaliteit, (hierna: de vreemdelingen) zijn aangetroffen, terwijl zij arbeid verrichtten bestaande uit het plukken van peren. Voor het door de vreemdelingen verrichten van werkzaamheden waren ten tijde van de controle geen tewerkstellingsvergunningen afgegeven. Op 26 september 2005 zijn door de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: de CWI) tewerkstellingsvergunningen afgegeven voor het verrichten van werkzaamheden door de zes vreemdelingen van Poolse nationaliteit.

In het hoger beroep van de minister

2.3. De minister betoogt allereerst dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij aanleiding had moeten zien de opgelegde boete betreffende de tewerkstelling van zes vreemdelingen van Poolse nationaliteit te matigen wegens de bijzondere omstandigheden van het geval. Hij voert hiertoe aan dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, [appellant sub 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat van de kant van de CWI tegenover [appellant sub 2] uitlatingen zijn gedaan dat de tewerkstellingsvergunningen zouden worden afgegeven, nu [appellant sub 2] geen stukken heeft overgelegd waaruit dat blijkt. Voorts acht de minister niet aannemelijk dat op 12 september 2005 een medewerker van de CWI zou hebben medegedeeld dat de tewerkstellingsvergunningen zouden worden verleend, terwijl op dezelfde dag het voornemen om de aanvraag om tewerkstellingsvergunningen af te wijzen is verzonden.

Voor het geval dit betoog niet slaagt, stelt de minister zich op het standpunt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat niet is komen vast te staan dat eventuele uitlatingen door medewerkers van de CWI dat de tewerkstellingsvergunningen op korte termijn zouden worden afgegeven, zijn gedaan voorafgaand aan de tewerkstelling van de zes vreemdelingen van Poolse nationaliteit.

Verder voert de minister aan dat de rechtbank ten onrechte de gestelde omstandigheid dat [appellant sub 2] ten tijde van de controle voor de zes vreemdelingen materieel aan de voorwaarden voor vergunningverlening voldeed, als bijzonder heeft aangemerkt. Ter toelichting wijst hij op de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2008 (zaak nr. 200708634/1).

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juli 2007 in zaak nr. 200607461/1), is bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 van de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter.

Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 maart 2008 in zaak nr. 200704906/1), wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was om de overtreding te voorkomen heeft gedaan. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.

2.3.2. In zijn verweerschrift stelt [appellant sub 2] terecht dat de minister zich voor het eerst in hoger beroep op het standpunt heeft gesteld dat [appellant sub 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat door de CWI uitlatingen zijn gedaan waaruit kon worden afgeleid dat de tewerkstellingsvergunningen zouden worden verleend en voorts dat niet aannemelijk is gemaakt dat eventuele uitlatingen voorafgaand aan de tewerkstelling van de zes vreemdelingen van Poolse nationaliteit zijn gedaan. Aangezien [appellant sub 2] zijn desbetreffende stelling in het bezwaarschrift gemotiveerd naar voren heeft gebracht, is er geen reden waarom de minister zich niet in een eerder stadium op voormelde standpunten had kunnen stellen. Diens betoog dient dan ook in zoverre buiten beschouwing te blijven.

2.3.3. Gelet op hetgeen in 2.3.2. is overwogen, dient uitgangspunt te zijn dat door [appellant sub 2] op 12 september 2005, voorafgaand aan de tewerkstelling van de zes vreemdelingen van Poolse nationaliteit, contact is opgenomen met de CWI en dat hem toen is medegedeeld dat de tewerkstellingsvergunningen zouden worden afgegeven. Daaruit vloeit tevens voort dat de verwijzing door de minister naar voormelde uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2008 niet opgaat.

Voorts zijn geen aanknopingspunten aanwezig voor het oordeel dat [appellant sub 2] ten tijde van de controle niet aan de vereisten voor afgifte van de tewerkstellingsvergunningen voldeed. Daar komt bij dat uit de kort nadien gevolgde afgifte van de tewerkstellingsvergunningen moet worden afgeleid dat de doelstellingen van de Wav door de tewerkstelling van de zes Polen niet zijn geschonden. Dit samenstel van feiten en omstandigheden is van invloed op het antwoord op de vraag of de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en verwijtbaarheid van de overtreding.

De rechtbank heeft gelet hierop in dit geval terecht aanleiding gezien de opgelegde boete, wat betreft de zes vreemdelingen van Poolse nationaliteit, wegens bijzondere omstandigheden te matigen, zoals zij heeft gedaan.

Het betoog faalt.

2.4. Ten slotte betoogt de minister dat de rechtbank ten aanzien van de vreemdeling van Turkse nationaliteit evenzeer ten onrechte tot matiging is overgegaan wegens verminderde verwijtbaarheid bij [appellant sub 2]. De minister wijst in dit verband op de door [appellant sub 2] op 8 november 2005 afgelegde en in een door twee inspecteurs op ambtsbelofte opgemaakt rapport neergelegde verklaring, waaruit volgens de minister blijkt dat [appellant sub 2] ten tijde van de controle op de hoogte was van de aanwezigheid van deze vreemdeling. [appellant sub 2] heeft dan ook nagelaten de identiteit van deze vreemdeling te controleren en mogelijk gemaakt dat zij arbeid verrichtte. De overtreding valt [appellant sub 2] derhalve volledig te verwijten, aldus de minister.

2.4.1. In voormelde verklaring van 8 november 2005 heeft [appellant sub 2] verklaard dat de vreemdeling van Turkse nationaliteit de moeder is van één van zijn vaste plukmedewerkers en dat zij op de dag van de controle is meegekomen met haar dochter om te helpen met peren plukken, dat hij niet wist dat zij zou meekomen en dat zij die ochtend samen met haar dochter is gaan werken. Voorts heeft [appellant sub 2] verklaard dat hij niet wist dat zij een Duitse verblijfsvergunning had, dat hij daar niet naar heeft gevraagd en dat hij ervan is uitgegaan dat het wel in orde zou zijn omdat haar dochter de Nederlandse nationaliteit heeft en in Nederland is geboren. Ten slotte heeft [appellant sub 2] verklaard dat hem dit niet nogmaals zal gebeuren en dat hij voortaan - wanneer hij 's ochtends een nieuw gezicht ziet - eerst naar het identiteitsbewijs zal vragen.

De door de rechtbank voor de matiging van belang geachte omstandigheden dat [appellant sub 2] geen actieve rol in de tewerkstelling van deze vreemdeling heeft gehad, dat de vreemdeling niet heeft gevraagd of zij mocht werken en dat zij ten tijde van de controle pas een half uur aan het werk was op een groot terrein, vormen in het licht van voormelde verklaring van [appellant sub 2] geen grond voor het oordeel dat sprake is van een verminderde mate van verwijtbaarheid dan wel bijzondere omstandigheden, reeds omdat uit die verklaring blijkt dat [appellant sub 2] geen maatregelen heeft getroffen ter voorkoming van de overtreding. Hetgeen [appellant sub 2] nadien heeft aangevoerd met betrekking tot de grootte van zijn percelen en de vrije toegankelijkheid daarvan, wat daarvan ook zij, ontslaat hem niet van de op hem rustende verplichting in het kader van de Wav om bij aanvang van de werkzaamheden de identiteit van de vreemdeling vast te stellen. Voor matiging van deze boete was derhalve geen aanleiding.

Het betoog slaagt.

2.5. Het hoger beroep van de minister is gegrond.

In het hoger beroep van [appellant sub 2]

2.6. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat gedurende de procedure de regels ten aanzien van de tewerkstelling van personen van Poolse nationaliteit op twee punten zijn versoepeld. De eerste versoepeling vond reeds plaats vóór het besluit van 7 juni 2006 en betreft de afschaffing van de zogenoemde arbeidsmarkttoets van artikel 8, eerste lid, onder a en b, van de Wav. De tweede versoepeling betreft de openstelling van de arbeidsmarkt per 1 mei 2007 ten aanzien van personen van onder meer Poolse nationaliteit. Volgens [appellant sub 2] zijn deze omstandigheden van invloed op de ernst van de overtreding, hetgeen de rechtbank niet heeft onderkend.

2.6.1. Op 14 september 2005, de datum waarop de overtredingen zijn geconstateerd, was voor het verrichten van arbeid in Nederland door personen met de Poolse nationaliteit een tewerkstellingsvergunning vereist. Dat dit thans niet meer het geval is, is, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 2 april 2008 in zaak nr. 200704321/1), gelegen in de omstandigheid dat het vereiste uit hoofde van het overgangsregime dat is neergelegd in Bijlage XII Lijst bedoeld in artikel 24 van de Toetredingsakte: Polen, slechts een tijdelijk karakter had, niet omdat het inzicht van de wetgever over de strafwaardigheid van de geconstateerde overtreding is gewijzigd. Op de datum waarop de overtredingen zijn geconstateerd, vond voorafgaand aan de afgifte van een tewerkstellingsvergunning een zogenoemde arbeidsmarkttoets plaats. De afschaffing van deze arbeidsmarkttoets, zoals neergelegd in de Wijziging uitvoeringsregels Wav behorende bij het Delegatie- en Uitvoeringsbesluit Wav van 30 mei 2006, berust evenmin op een gewijzigd inzicht van de wetgever. De arbeidsmarkttoets voor bepaalde bedrijfstakken is afgeschaft ter invulling van de tweede fase van het overgangsregime voor het vrij verkeer van werknemers met de nieuwe lidstaten en had derhalve een tijdelijk karakter. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat deze wijzigingen in de regelgeving van invloed zijn op de ernst van de overtreding, omdat deze ten tijde van de overtreding nog niet van kracht waren en niet met terugwerkende kracht kunnen worden toegepast.

Het betoog faalt.

2.7. [appellant sub 2] betoogt voorts dat de rechtbank, door de opgelegde boete te matigen tot een bedrag van in totaal € 14.000,00, niet heeft onderkend dat de omstandigheden van het geval dermate bijzonder zijn, dat een verdergaande matiging op grond van 3:4, tweede lid, van de Awb was aangewezen. [appellant sub 2] voert in dit verband aan dat hij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet bewust het risico heeft genomen de zes vreemdelingen tewerk te stellen voorafgaand aan de verlening van de tewerkstellingsvergunningen, aangezien hij van de CWI had vernomen dat de tewerkstellingsvergunningen op korte termijn zouden worden afgegeven. Het oordeel van de rechtbank, dat geen sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid, kan volgens [appellant sub 2] dan ook niet worden gevolgd.

[appellant sub 2] stelt verder dat, voor zover de rechtbank bij de matiging is aangesloten bij de matigingsfactor uit de beleidsregels, dit onjuist is, aangezien op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval dient te worden afgeweken van de beleidsregels.

2.7.1. Vaststaat dat [appellant sub 2] de zes vreemdelingen van Poolse nationaliteit tewerk heeft gesteld voorafgaand aan de verlening van de tewerkstellingsvergunningen en dat hij wist dat hij voor de door de vreemdelingen te verrichten werkzaamheden in het bezit diende te zijn van tewerkstellingsvergunningen. Door uit te gaan van de door de CWI verstrekte informatie dat de tewerkstellingsvergunningen zouden worden verleend, heeft [appellant sub 2] - zoals de rechtbank terecht heeft overwogen - bewust het risico genomen om hangende de vergunningaanvraag de Wav te overtreden en is derhalve geen sprake van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid. De enkele omstandigheid dat [appellant sub 2] zich, naar hij stelt, er niet van bewust was dat hij een risico nam, is onvoldoende voor een ander oordeel, omdat hij zich, gezien zijn positie als werkgever in de zin van de Wav, daarvan bewust had dienen te zijn. Van zeer uitzonderlijke feiten en omstandigheden die, zoals [appellant sub 2] betoogt, aanleiding geven tot een verdergaande matiging is geen sprake.

2.7.2. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd bij de matiging van de opgelegde boete. De rechtbank is overgegaan tot matiging van de opgelegde boete, omdat zij de aangevoerde omstandigheden heeft aangemerkt als individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter die met zich brengen dat het boetenormbedrag in dit geval niet in redelijke verhouding staat tot de ernst en verwijtbaarheid van de overtreding. De rechtbank heeft slechts verwezen naar de beleidsregels om aan te geven dat ook op grond hiervan de minister de aangevoerde omstandigheden in zijn beoordeling had dienen te betrekken. Het besluit van 18 juli 2007 is vernietigd wegens strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Nu derhalve niet is gematigd op grond van de matigingsfactor van de beleidsregels maar op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, mist het betoog in zoverre feitelijke grondslag.

Het betoog faalt.

2.8. [appellant sub 2] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat hij tijdens de bezwaarfase hierom niet heeft verzocht.

2.8.1. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Ingevolge het derde lid wordt het verzoek gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist.

2.8.2. In het bezwaarschrift heeft [appellant sub 2], anders dan de rechtbank heeft overwogen, verzocht om vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarprocedure. Voorts zijn de matiging van de opgelegde boete, de vaststelling van de boetehoogte door de rechtbank en de bepaling dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit ingegeven door een aan de minister te wijten onrechtmatigheid. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de kosten die [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Het betoog slaagt.

2.9. Het hoger beroep van [appellant sub 2] is gegrond.

In de hoger beroepen van de minister en [appellant sub 2]

2.10. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het betreft de boete opgelegd wegens het laten verrichten van arbeid zonder tewerkstellingsvergunning door de vreemdeling van Turkse nationaliteit en voor zover de rechtbank heeft overwogen dat de kosten die [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking komen. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover het betreft de boete opgelegd wegens het laten verrichten van arbeid zonder tewerkstellingsvergunning door de zes vreemdelingen van Poolse nationaliteit. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 18 juli 2007 alsnog ongegrond verklaren, voor zover het betreft de boete opgelegd wegens het laten verrichten van arbeid zonder tewerkstellingsvergunning door de vreemdeling van Turkse nationaliteit en bepalen dat de kosten die [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt op na te melden wijze voor vergoeding in aanmerking komen.

2.11. De rechtbank heeft het besluit van 18 juli 2007 terecht vernietigd, voor zover het betreft de boete opgelegd wegens het laten verrichten van arbeid zonder vergunning door de zes vreemdelingen van Poolse nationaliteit. Aangezien de boete ten onrechte is gematigd, voor zover opgelegd wegens arbeid verricht door de vreemdeling van Turkse nationaliteit, zal de Afdeling, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak voorzien door onder herroeping van het besluit van 7 juni 2006 te bepalen dat de totale boete wordt vastgesteld op € 16.000,00, te weten € 2.000,00 per overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav, wegens het zonder tewerkstellingsvergunning laten verrichten van arbeid door zes vreemdelingen van Poolse nationaliteit en € 4.000,00 wegens het zonder tewerkstellingsvergunning laten verrichten van arbeid door de vreemdeling van Turkse nationaliteit.

2.12. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 juni 2008 in zaak nr. 07/3528, voor zover het betreft de boete opgelegd wegens het laten verrichten van arbeid zonder tewerkstellingsvergunning door de vreemdeling van Turkse nationaliteit en het besluit van 18 juli 2007 in zoverre is vernietigd, alsmede voor zover de rechtbank in haar beslissing de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de kosten die [appellant sub 2], in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond voor zover het betreft de boete opgelegd wegens arbeid verricht door de vreemdeling van Turkse nationaliteit;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

V. herroept het besluit van 7 juni 2006, kenmerk 070601896/03;

VI. bepaalt dat het bedrag van de totale boete wordt vastgesteld op € 16.000,00 (zegge: zestienduizend euro);

VII. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde besluit;

VIII. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [appellant sub 2], in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) aan [appellant sub 2], onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IX. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [appellant sub 2], in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) aan [appellant sub 2], onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

X. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) aan [appellant sub 2], het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 216,00 (zegge: tweehonderdzestien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Groeneweg

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2009

32-510.