Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI8478

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
17-06-2009
Zaaknummer
200807716/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oss (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast het stallen van auto's op de strook grond gelegen vóór de voorzijde van het perceel [locatie] te [plaats] te beëindigen en het hekwerk aan de voorzijde van het perceel te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807716/1/H1.

Datum uitspraak: 17 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Oss

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de

rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 september 2008 in

zaak nrs. 08/1889 en 08/1386 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oss.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oss (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast het stallen van auto's op de strook grond gelegen vóór de voorzijde van het perceel [locatie] te [plaats] te beëindigen en het hekwerk aan de voorzijde van het perceel te verwijderen.

Bij besluit van 3 april 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 september 2008, verzonden op 19 september 2008, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 oktober 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 mei 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, en [getuige], en het college, vertegenwoordigd door J.F.A.C. Verbruggen-Pietjouw, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het hoger beroep betreft nog uitsluitend de last tot het beëindigen van het stallen van auto's op de strook grond gelegen vóór de voorzijde van het perceel (hierna: de grond aan de voorzijde).

2.2. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 1977" rust op de grond aan de voorzijde de bestemming "Wegen en dijken".

Ingevolge artikel 54 van de planvoorschriften is op de gronden met de bestemming wegen en dijken uitsluitend toegestaan het bouwen van andere-bouwwerken, zoals lichtmasten, verwijsborden en seininstallaties met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstof, tot een hoogte van maximaal 10 meter alsmede gebouwtjes ten behoeve van het spoorwegverkeer, zoals relais- en seinhuisjes tot een hoogte van maximaal 5 meter.

Ingevolge artikel 55, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden onbebouwde grond en opstallen in de bestemming wegen en dijken te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken in strijd met de bij de bestemming omschreven gebruiksdoeleinden.

Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de planvoorschriften mag een gebruik van onbebouwde grond en/of opstallen, dat op het tijdstip van het van kracht worden van het plan bestond of geregeld placht te worden gemaakt en dat afwijkt van de bestemming en/of de voorschriften, worden voortgezet of gewijzigd, mits het gewijzigde gebruik niet in verdere mate gaat afwijken van het plan.

2.3. Niet in geschil is dat het stallen van auto's op de grond aan de voorzijde in strijd is met de bestemming.

2.4. De voorzieningenrechter is op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat het beroep van [appellant] op het gebruiksovergangsrecht niet slaagt.

[appellant] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het strijdige gebruik op de peildatum - 27 maart 1980 - de datum van het van kracht worden van het bestemmingsplan, reeds plaatsvond en dat het nadien is voortgezet. Uit de gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat op het perceel vanaf 1 november 1977 een wijkrederij en kleinhandel in brood was gevestigd, vanaf 15 februari 1980 een café en vanaf 15 april 1989 een autohandel, derhalve eerst ruim 9 jaar na de peildatum. Niet is gebleken dat de voorzieningenrechter, zoals [appellant] heeft aangevoerd geen, dan wel te weinig, gewicht heeft toegekend aan de afgelegde getuigenverklaringen en zijn stelling dat hij ter plaatse begin 1979 op hobbymatige wijze is gestart met de verkoop van auto's. Uit de verklaringen en de overige overgelegde stukken blijkt niet, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, dat het stallen van auto's op de grond aan de voorzijde op de peildatum plaatsvond en nadien ononderbroken in dezelfde omvang is voortgezet. Ook aan de verklaring van [getuige] ter zitting van 4 september 2008, dat auto's in september 1979 tot aan de openbare weg geparkeerd stonden, heeft de voorzieningenrechter niet de betekenis behoeven toe te kennen die [appellant] daaraan gehecht wil zien, mede gezien het lange tijdsverloop tussen 1979 en 2008 en het feit dat deze getuige daar in zijn eerdere schriftelijke verklaring niet van heeft gerept. De voorzieningenrechter heeft daarbij tevens mede in aanmerking kunnen nemen dat de getuigenverklaringen spreken over auto's die gestald staan "naast en rondom het café" en veeleer lijken te zijn afgelegd in het kader van de vraag of [appellant] zijn bedrijf op zijn eigen perceel kan blijven uitoefenen. Verder heeft [appellant] zijn stellingen niet gestaafd met objectieve gegevens of ander bewijs in de vorm van bijvoorbeeld (lucht)foto's van vóór de peildatum, waaruit blijkt dat destijds reeds auto's op de grond aan de voorzijde werden gestald. [appellant] heeft uitsluitend foto's van na de peildatum overgelegd.

2.5. De conclusie is dat nu het stallen van auto's op de grond aan de voorzijde in strijd is met het bestemmingsplan en het beroep op het overgangsrecht niet slaagt, het college bevoegd was terzake handhavend op te treden.

2.6. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.7. Anders dan [appellant] betoogt is de voorzieningenrechter op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat geen concreet uitzicht op legalisatie van het stallen van auto's op de grond aan de voorzijde bestaat. Hieraan doet niet af de stelling van [appellant] dat hij een mondelinge overeenkomst heeft gesloten tot ruil van de grond aan de voorzijde, waarvan de gemeente eigenaar is. Ook na een eventuele grondruil is het stallen van auto's op de grond aan de voorzijde in strijd met het bestemmingsplan.

De voorzieningenrechter heeft terecht evenmin andere bijzondere omstandigheden aangenomen, in verband waarmee geoordeeld moet worden dat het college niet in redelijkheid tot handhaving heeft kunnen besluiten.

2.8. Hetgeen [appellant] verder nog heeft aangevoerd biedt evenmin aanknopingspunten voor een ander oordeel dan dat van de voorzieningenrechter.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Boot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2009

202.