Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI8476

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
17-06-2009
Zaaknummer
200901443/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) aan [appellante] een maandelijkse tegemoetkoming toegekend in de kosten van kinderopvang voor de periode 1 maart 2006 tot en met 31 augustus 2006 (hierna: de tegemoetkoming 2006).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901443/1/H2.

Datum uitspraak: 17 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 oktober 2007 in zaak nr. 06/3513 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) aan [appellante] een maandelijkse tegemoetkoming toegekend in de kosten van kinderopvang voor de periode 1 maart 2006 tot en met 31 augustus 2006 (hierna: de tegemoetkoming 2006).

Bij besluit van 30 mei 2006 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 oktober 2007, verzonden op 10 oktober 2007, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Centrale Raad van Beroep ingekomen op 19 november 2007, hoger beroep ingesteld. Op 26 februari 2009 heeft de Centrale Raad van Beroep deze stukken ter behandeling doorgezonden aan de Afdeling.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R.H. Lo Fo Sang, ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Twaalfde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) moet het genot van elk in de wet neergelegd recht worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Ingevolge het tweede lid mag niemand worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op met name een van de in het eerste lid vermelde gronden.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), voor zover thans van belang, heeft een ouder aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk (hierna: de kinderopvangtoeslag) onderscheidenlijk aanspraak op een tegemoetkoming in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang jegens de gemeente (hierna: de tegemoetkoming).

Ingevolge artikel 25 stelt de gemeenteraad bij verordening regels vast omtrent de tegemoetkoming van de gemeente. Deze regels hebben betrekking op de verlening, de voorschotverlening en de vaststelling van de tegemoetkoming.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Verordening Kinderopvang Amsterdam (hierna: de VKA) wordt de tegemoetkoming vastgesteld met ingang van de datum waarop de aanvraag voor de tegemoetkoming is ontvangen.

2.2. In geschil is de ingangsdatum van de tegemoetkoming 2006.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat artikel 6, eerste lid, van de VKA niet buiten toepassing dient te worden gelaten. Hiertoe voert zij aan dat de VKA een onrechtvaardig onderscheid maakt tussen werkende en niet-werkende ouders, nu werkende ouders de kinderopvangtoeslag met terugwerkende kracht kunnen aanvragen hetgeen niet het geval is voor niet-werkende ouders wat betreft de tegemoetkoming. De ingangsdatum van de tegemoetkoming 2006 is dan ook ten onrechte op 1 maart 2006 in plaats van 1 januari 2006 vastgesteld. Volgens [appellante] is dit in strijd is met de Wko en met het verbod tot discriminatie zoals onder meer neergelegd in artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM.

2.3.1. Anders dan [appellante] betoogt, wordt in artikel 6, eerste lid, van de VKA en ook overigens in de VKA geen onderscheid gemaakt tussen werkende en niet-werkende ouders. Ten aanzien van alle aanvragen om tegemoetkomingen gelden dezelfde regels. Het in dat artikel bepaalde is ook niet in strijd met de Wko. De Wko bevat immers geen regels omtrent de datum met ingang waarmee aangevraagde tegemoetkomingen moeten worden verleend. Het stellen van regels daaromtrent wordt in artikel 25 van die wet nu juist aan de gemeenteraden overgelaten. Van die bevoegdheid heeft de Amsterdams gemeenteraad in overeenstemming met die bepaling gebruikt gemaakt door de VKA vast te stellen. Dat in de VKA wat betreft de ingangsdatum van de tegemoetkoming is aangesloten bij de reeds bestaande gemeentelijke uitvoering van de Wet werk en bijstand, is zoals de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dan ook niet in strijd met de Wko.

2.3.2. Dat als gevolg van de in de Wko neergelegde regeling, waarbij de uitvoering van het toekennen van kinderopvangtoeslag is opgedragen aan de Belastingdienst/Toeslagen en de uitvoering van het toekennen van tegemoetkoming aan de gemeenten, verschillende regels gelden voor de ingangsdatum van de toekenning voor werkende en niet-werkende ouders, kan evenmin als een ongeoorloofd onderscheid tussen deze twee groepen personen worden aangemerkt. De aanspraak op een bijdrage in de kosten van kinderopvang zoals die in de Wko zowel voor werkende als niet-werkende ouders is neergelegd, wordt daardoor op zichzelf niet aangetast. Ook kan niet worden gezegd dat als gevolg van de in dit geval in de VKA neergelegde uitvoeringsregels betreffende de ingangsdatum van de toekenning de mogelijkheid om die aanspraak geldend te maken wezenlijk zou worden beperkt of deze aanspraak anderszins niet zou worden gerespecteerd. De rechtbank is derhalve terecht tot het oordeel gekomen dat de regeling van de tegemoetkoming in de kosten voor kinderopvang op de in artikel 1, eerste lid, van het Twaalfde Protocol bij het EVRM vermelde gronden, noch op enige andere grond, een onderscheid maakt ten aanzien van het genot van de aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. Discriminatie ten aanzien van een in de wet neergelegd recht doet zich niet voor.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het op artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht gebaseerde verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Bindels

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2009

85.