Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI8474

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
17-06-2009
Zaaknummer
200809058/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juli 2005 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie gedeeltelijk afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200809058/1/H3.

Datum uitspraak: 17 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 november 2008 in zaak nr. 06/4350 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 juli 2005 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 6 februari 2006 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en een deel van de verzochte informatie alsnog openbaar gemaakt.

Bij uitspraak van 24 november 2008, verzonden op 28 november 2008, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 december 2008, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend. Dit is aan de minister toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 mei 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door J. van den Bosch, en de minister, vertegenwoordigd door mr. C.A.H.J. Anthonissen, ambtenaar in dienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:11 blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.2. [appellant] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat zijn beroep in verband met de te late indiening van zijn beroepschrift niet-ontvankelijk diende te worden verklaard.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 27 april 2004 in zaak nr. 200402504/1; AB 2005, 413) is het ingeval van niet aangetekende verzending van besluiten of andere rechtens relevante documenten, aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. Indien het bestuursorgaan hierin slaagt, ligt het op de weg van de geadresseerde om de ontvangst ervan op niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. Eerst dan is het aan het bestuursorgaan dat het stuk heeft verzonden om de ontvangst daarvan aannemelijk te maken.

2.2.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit op bezwaar van 6 februari 2006 op 9 februari 2006 is verzonden. Geen grond bestaat dit oordeel van de rechtbank onjuist te achten, temeer nu [appellant] hiertegen geen hogerberoepsgronden heeft aangevoerd.

2.2.3. De rechtbank heeft voorts terecht geen grond gezien voor het oordeel dat [appellant] de ontvangst van het besluit op bezwaar op niet ongeloofwaardige wijze heeft ontkend. Zijn stelling dat het, gelet op zijn betrokkenheid bij de informatie waarop het besluit op bezwaar betrekking heeft, niet aannemelijk is dat hij na de ontvangst van dit besluit hiertegen niet direct beroep zou hebben ingesteld, heeft de rechtbank hiervoor terecht onvoldoende geacht. Dit geldt evenzeer voor zijn niet nader gemotiveerde stelling dat hij ook een ander door de minister op 9 februari 2006 aan hem verstuurd besluit niet heeft ontvangen.

De verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 november 2006 (zaak nr. 06/1122; LJN AZ3525) en naar uitspraken van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 8 april 2008 (zaak nr. 07/250; LJN BC9953) en 8 juli 2008 (zaak nr. 07/408; LJN BD8210) baat [appellant] evenmin. Deze uitspraken betreffen situaties die met het voorliggende geval niet vergelijkbaar zijn en bieden onvoldoende grond voor het oordeel dat het enkele consistent ontkennen dat een door een bestuursorgaan verzonden stuk is ontvangen, dient te worden aangemerkt als een niet ongeloofwaardige ontkenning van de ontvangst hiervan.

Tot slot heeft, anders dan [appellant] betoogt, de rechtbank terecht geen betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de minister in zijn verweerschrift in beroep niet heeft gewezen op de te late indiening van het beroepschrift. De ontvankelijkheid van het beroep dient door de rechter immers ambtshalve te worden beoordeeld.

2.2.4. Hetgeen [appellant] overigens in hoger beroep heeft aangevoerd behoeft geen bespreking, nu dit niet is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat hij de ontvangst van het besluit op bezwaar niet op niet ongeloofwaardige wijze heeft ontkend.

2.2.5. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat de termijn voor het instellen van beroep is aangevangen op 10 februari 2006 en is geëindigd op 23 maart 2006. Nu het beroepschrift van [appellant] niet binnen die termijn is ingediend, heeft de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.C. de Winter, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. De Winter

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2009

176-546.