Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI8464

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
17-06-2009
Zaaknummer
200807381/1/H2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2008:BF3176
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 januari 2008 heeft de burgemeester van Venlo (hierna: de burgemeester) het door [wederpartijen] (hierna in enkelvoud: [wederpartij]) tegen het besluit van 17 maart 2005, waarbij een verzoek om nadeelcompensatie is afgewezen, gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2009/177
Opleidingen Legal 2014/118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807381/1/H2.

Datum uitspraak: 17 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de burgemeester van Venlo,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 27 augustus 2008 in zaak nr. 08/413 in het geding tussen:

[wederpartijen]

en

de burgemeester van Venlo.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2008 heeft de burgemeester van Venlo (hierna: de burgemeester) het door [wederpartijen] (hierna in enkelvoud: [wederpartij]) tegen het besluit van 17 maart 2005, waarbij een verzoek om nadeelcompensatie is afgewezen, gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 augustus 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de burgemeester een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 oktober 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn bij brief van 28 oktober 2008 aangevuld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2009, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. J.M.G. Vincken, ambtenaar in dienst van de gemeente Venlo, en [wederpartij] in persoon, bijgestaan door mr. G.L.M. Teeuwen, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Zoetermeer, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluiten van 16 juli 2004 heeft de burgemeester vergunningen verleend voor de exploitatie van twee coffeeshops in het pand aan de [locatie 1] te [plaats].

2.2. [wederpartij] is sinds 9 november 1992 eigenaar van de woning aan de [locatie 2] te [plaats]. Bij brief van 7 februari 2005 heeft hij om compensatie van schade ten gevolge van de besluiten van 16 juli 2004 verzocht. Aan dat verzoek is ten grondslag gelegd dat de exploitatie van de nabijgelegen coffeeshops tot een waardedaling van de woning van € 26.800,00 heeft geleid.

2.3. In een advies van april 2007 (hierna: het advies) heeft de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken gesteld dat [wederpartij] door de besluiten van 16 juli 2004 niet is benadeeld, omdat - samengevat weergegeven - voorafgaande aan de besluiten van 16 juli 2004 verschillende vergunningen voor de exploitatie van een wegrestaurant in het pand aan de [locatie 1] te Venlo zijn verleend en dit voor [wederpartij] tot meer overlast dan de exploitatie van de coffeeshops heeft geleid of had kunnen leiden, waarbij van belang is dat in de besluiten van 16 juli 2004 geen toestemming voor de verkoop van cannabis in de coffeeshops is gegeven en de overlast door de exploitatie van de coffeeshops nagenoeg geheel het gevolg van misdragingen van bezoekers van de coffeeshops is.

In het besluit van 25 januari 2008 heeft de burgemeester, met verwijzing naar het advies, op basis van de aantallen, de hoedanigheid en de wijze van vervoer van de bezoekers van het pand een vergelijking tussen de oude en de nieuwe situatie gemaakt en het standpunt ingenomen dat, naar objectieve maatstaven gemeten, [wederpartij] geen nadeel door de gewijzigde exploitatie van het pand heeft geleden.

2.4. De burgemeester betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu de exploitatievergunningen tevens gedoogverklaringen voor de verkoop van cannabis bevatten en het advies derhalve op het onjuiste uitgangspunt berust dat de verkoop van cannabis niet bij besluit is toegestaan, de gevolgen van de verkoop van cannabis, zoals de overlast door rondhangende jongeren, in het advies ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten op de grond dat deze gevolgen niet aan het verlenen van de exploitatievergunningen zijn toe te rekenen. Daartoe voert de burgemeester aan dat de rechtbank heeft miskend dat bij de besluiten van 16 juli 2004 geen vergunning voor de verkoop van cannabis is verleend en in het advies wel met de feitelijke gevolgen van de verkoop van cannabis rekening is gehouden.

2.4.1. Volgens de aan de exploitatievergunningen verbonden voorschriften is het verboden in of vanuit de inrichting softdrugs te verkopen, af te leveren, te verhandelen of te verstrekken in zodanige hoeveelheden dat geen sprake is van kleinhandel (hoeveelheden tot vijf gram per persoon per dag), dan wel zulks toe te staan of te gedogen, en een handelsvoorraad softdrugs, die meer dan 500 gram bedraagt, in de inrichting aanwezig te hebben. Gelet op deze voorschriften is de verkoop van cannabis een redelijkerwijs te verwachten gevolg van het verlenen van de exploitatievergunningen voor de coffeeshops. Bij de beoordeling van de aanvragen van de exploitatievergunningen is ook uitdrukkelijk aan de orde geweest dat vestiging van de coffeeshops aan de Bevrijdingsweg past in het kader van de uitvoering van het coffeeshoptraject van de gemeente Venlo. Door twee coffeeshops van het centrum te verplaatsen naar de periferie werd verwacht dat een groot deel van de Duitse klanten softdrugs op de nieuwe locatie zou gaan kopen. Als gevolg daarvan zou het aantal kopers van softdrugs en daarmee de overlast in de binnenstad moeten afnemen. Indien [wederpartij] daardoor nadeel lijdt of heeft geleden, dient dat nadeel aan de besluiten van 17 juli 2004 te worden toegerekend, ondanks dat bij die besluiten geen vergunning voor de verkoop van cannabis is verleend.

Het voorgaande laat onverlet dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de gevolgen van de verkoop van cannabis in het advies niet buiten beschouwing zijn gelaten op de grond dat zij niet tot een besluit zijn te herleiden, maar op de grond dat de overlast nagenoeg geheel het gevolg is van misdragingen van de bezoekers van de coffeeshops, die redelijkerwijs niet aan het verlenen van de exploitatievergunningen zijn toe te rekenen. Verder zijn in het advies de wijze van vervoer van de bezoekers en de openingstijden van de coffeeshops in de vergelijking betrokken.

Het betoog slaagt.

2.5. De burgemeester betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de in het advies gemaakte vergelijking tussen de oude en de nieuwe situatie op ontoereikende gegevens is gebaseerd, omdat in het advies geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat de exploitatie van het wegrestaurant ongeveer een half jaar voorafgaande aan de overdracht van het pand is beëindigd en niet vaststaat dat een reële exploitatie van dat restaurant daarna nog mogelijk zou zijn geweest. Daartoe betoogt de burgemeester dat de rechtbank ten onrechte doorslaggevende betekenis aan de feitelijke toestand ten tijde van de besluiten van 16 juli 2004 heeft gehecht.

2.5.1. Omdat [wederpartij] de woning ten tijde van een reële exploitatie van het wegrestaurant heeft gekocht, is bij de vergelijking van de waarde van de woning in de oude en de nieuwe situatie wat betreft de oude situatie terecht van een reële exploitatie van het wegrestaurant uitgegaan. Dat de exploitatie ongeveer een half jaar voor de overdracht van het pand is beëindigd en het wegrestaurant sindsdien geen overlast heeft veroorzaakt, is een voordeel, dat voor de vergelijking geen betekenis heeft. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

Het betoog slaagt.

2.6. De burgemeester betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat bij het opstellen van het advies rekening is gehouden met de omstandigheid dat, zoals [wederpartij] heeft gesteld, de woning in de oude situatie niet in de invloedsfeer van het reserve parkeerterrein van het wegrestaurant was gelegen. Daartoe voert de burgemeester aan dat hij ter zitting weliswaar heeft erkend dat vrachtwagenchauffeurs het reserve parkeerterrein konden bereiken zonder van de Bevrijdingsweg gebruik te maken, maar dat hij bij die gelegenheid ook heeft gesteld dat vrachtwagenchauffeurs toch meestal van de route langs die weg gebruik hebben gemaakt, ook omdat de toenmalige exploitant van het wegrestaurant door het plaatsen van een bord op die route heeft gewezen.

2.6.1. In het bij de rechtbank ingediende verweerschrift is gesteld dat, in het geval op het reguliere parkeerterrein geen plaats meer was, vrachtwagenchauffeurs via de Bevrijdingsweg langs de woning van [wederpartij] naar het reserve parkeerterrein reden en dat op dat laatste terrein voor ongeveer 40 vrachtwagens plaats was. Uit de daarvan gemaakte aantekeningen blijkt dat de burgemeester dat standpunt ter zitting van de rechtbank heeft gehandhaafd en [wederpartij] dat niet heeft betwist. Onder deze omstandigheden is in het in beroep aangevoerde geen grond te vinden voor het oordeel dat de vergelijking wat betreft de betekenis van het reserve parkeerterrein niet op juiste gegevens berust.

Het betoog slaagt.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [wederpartij] tegen het besluit van de burgemeester van 25 januari 2008 ingestelde beroep beoordelen in het licht van de daartegen bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, gezien het voorgaande, nog moet worden beslist.

2.8. [wederpartij] heeft betoogd dat aan het advies dusdanige gebreken kleven, dat de burgemeester het besluit van 25 januari 2008 niet daarop had mogen baseren. Daartoe heeft hij verwezen naar taxatierapporten van T.A.M. Direks van 1 september 2004 en 5 januari 2005, deskundigenrapporten van Oranjewoud Legal van 17 augustus 2007 en van Langhout en Wiarda van 4 april 2008 en een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Venlo van 30 november 2005, waarbij de waarde, als bedoeld in de Wet waardering onroerende zaken, van de woning op 1 januari 2005 is bepaald.

2.8.1. Indien uit het advies op objectieve en duidelijke wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies zonder nadere toelichting niet onbegrijpelijk zijn, mag de burgemeester in beginsel van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat advies naar voren zijn gebracht.

2.8.2. In de taxatierapporten, het deskundigenrapport van Oranjewoud Legal en het besluit van het college van burgemeester en wethouders is, anders dan het deskundigenrapport van Langhout en Wiarda, bij het begroten van de gestelde waardedaling van de woning als gevolg van het verlenen van de exploitatievergunningen niet van een reële exploitatie van het wegrestaurant uitgegaan, zodat aan deze bewijsmiddelen niet de betekenis kan worden gehecht die [wederpartij] daaraan in dit verband toegekend wil zien.

2.8.3. Wat betreft de situatie na het verlenen van de vergunningen is in het deskundigenrapport van Langhout en Wiarda vermeld dat de afstand tussen de woning en het reguliere parkeerterrein 60 meter is en dat de afstand tussen de woning en de coffeeshops niet 120 meter is, zoals in het advies is gesteld, maar 100 meter. Voorts is vermeld dat de coffeeshops een zeer grote verkeersaantrekkende werking hebben, met gemiddeld ongeveer 3000 auto's per dag en vele voetgangers en fietsers, en dat de ruimtelijke uitstraling van de coffeeshops niet op een lijn kan worden gesteld met een wegrestaurant van beperkte omvang, waar per dag maximaal enige tientallen chauffeurs kunnen eten en drinken.

Tevens is in dat deskundigenrapport gewezen op andere vormen van overlast die bij een normaal gebruik inherent zijn aan het exploiteren van een coffeeshop. Afnemers kunnen zich gedurende enige tijd in de omgeving van een coffeeshop ophouden uit sociale en andere niet onrechtmatige overwegingen, waardoor, mede door de grote aantallen bezoekers, een aantasting van het woongenot zal plaatsvinden, aldus dat rapport.

2.8.4. Omdat de burgemeester deze kritiekpunten van Langhout en Wiarda op zichzelf niet heeft betwist, bestaan concrete aanknopingspunten, als hiervoor bedoeld, voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies. Dat betekent dat de burgemeester, door het besluit van 25 januari 2008 op dat advies te baseren, dat besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd.

Het betoog slaagt.

2.9. Het beroep is gegrond. Het besluit van 25 januari 2008 dient wegens schending van de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. De Afdeling ziet mede ook op verzoek van partijen aanleiding het geschil definitief te beslechten door met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van die wet op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien. In dit verband wordt het volgende overwogen.

2.9.1. Gelet op het vorenstaande en in het bijzonder op de inhoud van het deskundigenrapport van Langhout en Wiarda van 4 april 2008 (hierna: het rapport) is de Afdeling van oordeel dat [wederpartij] schade heeft geleden, welke voor vergoeding in aanmerking komt. Het beleid in Venlo is erop gericht coffeeshops van het centrum te verplaatsen naar de periferie van de gemeente. Het vestigen van coffeeshops dicht bij de grens met Duitsland heeft een grote verkeersaantrekkende werking tot gevolg. Voor [wederpartij], die behoort tot een beperkte groep van omwonenden van de coffeeshops, was noch de vestiging ervan in zijn omgeving, noch het daardoor ontstane nadeel in deze omvang redelijkerwijs te verwachten. Dit nadeel valt voor een deel buiten zijn normaal maatschappelijk risico en komt voor dit deel voor vergoeding in aanmerking. De Afdeling weegt de omvang van dat nadeel, gelet op het volgende, echter minder zwaar dan in het rapport is aangenomen.

2.9.2. In het rapport is op basis van een vergelijking tussen de oude en de nieuwe situatie de conclusie getrokken dat de woning ten tijde van het verlenen van de exploitatievergunningen met € 15.000,00 in waarde is gedaald. Daarbij is betrokken dat in het advies ten onrechte is gesteld dat omwonenden in de oude situatie geluidsoverlast hebben ondervonden door grote aantallen vrachtwagens die een grote wissel op het leefklimaat trokken, omdat, volgens het rapport, op het reguliere parkeerterrein voor slechts 20 tot 25 vrachtwagens plaats was en de woning niet was gelegen in de invloedsfeer van het reserve parkeerterrein, dat een met het reguliere parkeerterrein vergelijkbare omvang had.

Gelet op het verhandelde ter zitting van de Afdeling, moet het ervoor worden gehouden dat in het rapport niet slechts het aantal parkeerplaatsen op het reguliere en het reserve parkeerterrein, maar ook het aantal verkeersbewegingen in de buurt van de woning te laag is ingeschat, omdat de burgemeester onbetwist heeft gesteld dat, in het geval op het reguliere parkeerterrein geen plaats meer was, vrachtwagenchauffeurs meestal via de Bevrijdingsweg langs de woning naar het reserve parkeerterrein reden. In het rapport is de overlast in de oude situatie derhalve onderschat, zodat daarin, na vergelijking met de nieuwe situatie, het door [wederpartij] gestelde nadeel als gevolg van het verlenen van de exploitatievergunningen, zoals hiervoor vermeld, op een te hoog bedrag is vastgesteld.

2.9.3. Daarom ziet de Afdeling aanleiding om de hoogte van het te vergoeden bedrag in verband met het door [wederpartij] geleden nadeel te verminderen en, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, te bepalen op een bedrag van € 10.000,00. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het verzoek om nadeelcompensatie ten onrechte is afgewezen, het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar gegrond dient te worden verklaard en het besluit van 17 maart 2005 dient te worden herroepen. Aan [wederpartij] wordt een bedrag van € 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 februari 2005 tot aan de dag van betaling, toegekend ten laste van de gemeente Venlo. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 25 januari 2008.

2.10. De burgemeester dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Roermond van 27 augustus 2008 in zaak nr. 08/413;

III. verklaart het door [wederpartijen] bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de burgemeester van Venlo van 25 januari 2008, kenmerk COBMJ/07-19366;

V. verklaart het door [wederpartijen] gemaakte bezwaar gegrond;

VI. herroept het besluit van 17 maart 2005, kenmerk COBMJ/05-02823;

VII. bepaalt dat de gemeente Venlo aan [wederpartijen] een bedrag van € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro) betaalt, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 februari 2005 tot aan de dag van algehele voldoening;

VIII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 25 januari 2008;

IX. veroordeelt de burgemeester van Venlo tot vergoeding van bij [wederpartijen] in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1932,00 (zegge: negentienhonderdtweeëndertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Venlo aan [wederpartijen] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

X. gelast dat de gemeente Venlo aan [wederpartijen] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Hazen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2009

452.