Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI8457

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
17-06-2009
Zaaknummer
200807494/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 september 2008, nummer 1381292, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Laarbeek (hierna: de raad) bij besluit van 31 januari 2008 vastgestelde bestemmingsplan "De Beekse Akkers".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807494/1/R2.

Datum uitspraak: 17 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellante sub 2], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2008, nummer 1381292, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Laarbeek (hierna: de raad) bij besluit van 31 januari 2008 vastgestelde bestemmingsplan "De Beekse Akkers".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 oktober 2008, en [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 oktober 2008, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 mei 2009, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. J.W. de Rijk, advocaat te Helmond, [appellante sub 2], bijgestaan door [gemachtigden], zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de raad als partij gehoord, vertegenwoordigd door J.C.D. van Wetten, ambtenaar in dienst van de provincie.

2. Overwegingen

2.1. [appellant sub 1] richt zich in beroep onder meer tegen de plandelen met de bestemming "Wonen (W)" en de bestemming "Wonen - uit te werken bestemming (W-U)". De Afdeling stelt vast, op basis van de plankaart die zich in het dossier bevindt en die naar aard en schaal overeenkomt met de kopie van het waarmerk, dat [appellant sub 1] op een afstand van ongeveer 800 meter woont van het dichtstbijzijnde plandeel met een bestemming die (na uitwerking) "Wonen (W)" mogelijk maakt. Vanuit zijn woning heeft hij geen zicht op de betrokken plandelen. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die op de plandelen met die bestemming mogelijk worden gemaakt, is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om in zoverre een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voor zover de raad heeft betoogd dat [appellant sub 1] op een afstand van ongeveer 550 meter woont van het dichtstbijzijnde plandeel met een bestemming die (na uitwerking) "Wonen (W)" mogelijk maakt, overweegt de Afdeling dat ook deze afstand te groot zou zijn om in zoverre een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts heeft [appellant sub 1] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hem op dit punt rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uitgesloten kan worden geacht dat het plan gevolgen kan hebben voor de verkeersintensiteit op de weg Het Laar, waaraan [appellant sub 1] woont. Een gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is niet voldoende voor het oordeel dat een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks door een besluit zou worden geraakt.

De conclusie is dat [appellant sub 1] in zoverre geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dat hij daartegen ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), geen beroep kan instellen.

Het beroep van [appellant sub 1] voor zover dat is gericht tegen de plandelen met de bestemming "Woning (W)" en de bestemming "Wonen - uit te werken bestemming (W-U)", is niet-ontvankelijk.

2.2. [appellant sub 1] komt in beroep voorts op tegen de plangrens. Het beroep van [appellant sub 1] steunt in zoverre niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de WRO en artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

Het beroep van [appellant sub 1] is ook in zoverre niet-ontvankelijk.

2.3. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om

- in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.4. Het plangebied ligt tussen de kernen Beek en Donk en Aarle-Rixtel in en is ingesloten door de provinciale wegen N615 en N266. Het plan maakt het mogelijk om ongeveer 400 woningen op te richten. Tevens voorziet het plan in een wijzigingsbevoegdheid die het mogelijk maakt nog 483 woningen op te richten. Aan deze wijzigingsbevoegdheid heeft het college goedkeuring onthouden. Voor het overige heeft het college het plan goedgekeurd.

2.5. [appellante sub 2] stelt dat aan haar perceel, [nummer], ten onrechte geen bouwvlak is toegekend. Zij voert hiertoe aan dat op andere percelen binnen het plangebied wel wordt toegestaan dat door particulieren op hun perceel een extra woning wordt opgericht. Voorts heeft de gemeente volgens [appellante sub 2] in het verleden zelf voorgesteld de percelen […] en […] te herontwikkelen. De voormalig agrarische locatie kan derhalve geen cultuurhistorische waarde hebben. Tevens laat de voorziene huisnummering ruimte voor nieuwe woningen op deze locatie, aldus [appellante sub 2]. Daarnaast is het Berkendijkje geen doorgaande weg en liggen aan deze weg slechts twaalf woningen. De ontsluiting van een extra woning op deze weg zal niet tot een verkeersonveilige situatie leiden, zo stelt [appellante sub 2].

2.5.1. Het college heeft zich in navolging van de raad op het standpunt gesteld dat een extra woning op het perceel […] niet wenselijk is omdat het niet binnen de voorziene stedenbouwkundige structuur past. Voorts stelt het college dat de civielrechtelijke afsplitsing van het perceel voor risico komt van [appellante sub 2].

2.5.2. Niet in geschil is dat het perceel van [appellante sub 2] met [nummer] samen met het perceel [nummer] de voormalig agrarische locatie vormt waarop de boerderij zich nog bevindt. Daargelaten de vraag of een extra ontsluiting op het Berkendijkje tot een verkeersonveilige situatie zou leiden, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze percelen een afgerond geheel vormen binnen het plan. Hoewel de boerderij niet als monument is aangewezen, heeft de raad de cultuurhistorische waarde van de locatie van belang kunnen achten. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat herontwikkeling en nieuwbouw alleen aan de orde kan komen als voor de locatie als geheel een inbreidingsplan wordt ingediend. Een extra woning op een korte afstand van de boerderij heeft het college onwenselijk kunnen achten.

2.5.3. Ten aanzien van de door [appellante sub 2] gemaakte vergelijking met andere percelen waarop wel een extra woning mogelijk is gemaakt, zoals de boerderij aan de Karel Doormanstraat, wordt overwogen dat het college zich met de raad op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat de mogelijkheid voor extra woningen op de desbetreffende percelen goed inpasbaar was in het plan. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college en de raad zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de door [appellante sub 2] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.5.4. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellante sub 2] is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellante sub 2] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Langeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2009

317-545.