Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI8453

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2009
Datum publicatie
17-06-2009
Zaaknummer
200901350/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 december 2008 heeft de raad van de gemeente Bladel (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Kempisch Bedrijvenpark 2008" (hierna: het bestemmingsplan) en het exploitatieplan "Kempisch Bedrijvenpark 2008" (hierna: het exploitatieplan) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Woningwet
Woningwet 50a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/696
AB 2009, 251 met annotatie van T.E.P.A. Lam
BR 2009/148 met annotatie van M. Fokkema, E.J. van Baardewijk
TBR 2009/124 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901350/2/R3.

Datum uitspraak: 12 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. de stichting Stichting Lunet en andere, alle gevestigd te Eindhoven,

2. [verzoekster sub 2] en anderen, gevestigd, respectievelijk wonend te [plaats],

3. [verzoekster sub 3A] en [verzoekster sub 3B] en anderen, gevestigd, respectievelijk wonend te [plaats],

4. [verzoekster sub 4], gevestigd te [plaats],

5. de stichting Stichting Belangenplatform de Malpie e.o., gevestigd te Valkenswaard,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Bladel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2008 heeft de raad van de gemeente Bladel (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Kempisch Bedrijvenpark 2008" (hierna: het bestemmingsplan) en het exploitatieplan "Kempisch Bedrijvenpark 2008" (hierna: het exploitatieplan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer de stichting Stichting Lunet en andere (hierna in enkelvoud: Lunet) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2009, [verzoekster sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2009, [verzoekster sub 3A] en [verzoekster sub 3B] en anderen (hierna: [verzoekster sub 3A] en [verzoekster sub 3B]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2009, [verzoekster sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 maart 2009, en de stichting Stichting Belangenplatform de Malpie e.o. (hierna: de stichting de Malpie) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 maart 2009, beroep ingesteld. Lunet, [verzoekster sub 2] en anderen, [verzoekster sub 3A] en [verzoekster sub 3B], [verzoekster sub 4] en de stichting de Malpie hebben de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 12 mei 2009, waar Lunet, vertegenwoordigd door mr. M.T.C.A. Smets, advocaat te Eindhoven, [verzoekster sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, [verzoekster sub 3A] en [verzoekster sub 3B], eveneens vertegenwoordigd door mr. P.P.A. Bodden, [verzoekster sub 4], vertegenwoordigd door mr. M. Huijgens, en de stichting de Malpie, vertegenwoordigd door F.G.J. van der Heiden, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. J.F. de Groot en mr. C. Burgemeestre, advocaten te Amsterdam, mr. A.H.J.M. Swachten, burgemeester, P.A.M. Stappaerts, ambtenaar in dienst van de gemeente, ir. A.A.C. Michiels, ing. M.F.T. Poos en ir. R.A.A. Cornelis, en het openbaar lichaam Kempisch Bedrijvenpark, vertegenwoordigd door [voorzitter] en [directeur].

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het bestemmingsplan voorziet onder meer in de aanleg van een regionaal bedrijventerrein, een verbindingsweg tussen de wegen N248 en A67 en een uitbreiding van een motorcrossterrein ten zuiden van de kern Hapert. Gelijktijdig met het bestemmingsplan is een exploitatieplan vastgesteld in verband met het regionaal bedrijventerrein.

Bestemmingsplan

Het verzoek van de stichting de Malpie

2.3. Ten aanzien het verzoek van de stichting de Malpie overweegt de voorzitter dat deze stichting naar verwachting bij het bestreden besluit niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan worden aangemerkt, aangezien de in de statuten vermelde doelstelling ziet op het toegankelijk houden van het buitengebied van de gemeente Valkenswaard en omgeving en het bestemmingsplan betrekking heeft op gronden ten zuiden van de kern Hapert in de gemeente Bladel. Deze gronden kunnen, gelet op hun ligging, naar het voorlopig oordeel van de voorzitter niet worden aangemerkt als behorend tot het buitengebied van de gemeente Valkenswaard en omgeving. Gelet hierop verwacht de voorzitter dat het beroep van de stichting de Malpie niet-ontvankelijk zal worden verklaard en derhalve wordt het verzoek afgewezen.

Het verzoek van Lunet

2.4. Lunet stelt dat de raad ten onrechte het bestemmingsplan heeft vastgesteld, voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Bedrijventerrein (BT)", nabij de gronden van haar zorginstelling, en beoogt met haar verzoek de inwerkingtreding hiervan te voorkomen. Zij voert daartoe onder meer aan dat ten onrechte op te korte afstand van haar zorginstelling bedrijven mogelijk worden gemaakt in de categorieën 4.1 en 4.2 van de staat van bedrijfsactiviteiten.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat is aangesloten bij de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging Nederlandse Gemeenten en dat is uitgegaan van het omgevingstype "gemengd gebied", dat volgens voormelde brochure wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. Uitgaande van dit omgevingstype wordt voldaan aan de aanbevolen aan te houden afstand.

2.4.2. De voorzitter overweegt dat de afstand tussen de dichtstbijzijnde bebouwing van de zorginstelling en het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein (BT)" en de aanduiding "bedrijf van categorie 3.1 tot en met 4.1 (b≥3.1≥4.1)" en het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein (BT)" en de aanduiding "bedrijf van categorie 3.1 tot en met 4.2 (b≥3.1≥4.2)" ongeveer 225 meter bedraagt. Mede gelet op het ter zitting getoonde fotomateriaal is bij de voorzitter twijfel blijven bestaan omtrent de vraag of de raad in redelijkheid heeft kunnen uitgaan van het omgevingstype "gemengd gebied" of dat in dit geval eerder sprake is van het omgevingstype "rustig buitengebied" en dat derhalve uit had moeten worden gegaan van een grotere aan te houden afstand of bedrijven in een lagere categorie. Gelet hierop ziet de voorzitter aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein (BT)" en de aanduiding "bedrijf van categorie 3.1 tot en met 4.1 (b≥3.1≥4.1)" en het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein (BT)" en de aanduiding "bedrijf van categorie 3.1 tot en met 4.2 (b≥3.1≥4.2)", voor zover op deze plandelen bedrijven zijn toegestaan in de categorieën 4.1 en 4.2, als bedoeld in de bij het bestemmingsplan behorende staat van bedrijfsactiviteiten. Deze plandelen zijn aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart 1. Het verzoek van Lunet komt voor inwilliging in aanmerking.

De verzoeken van [verzoekster sub 2] en anderen en [verzoekster sub 3A] en [verzoekster sub 3B]

2.5. [verzoekster sub 2] en anderen en [verzoekster sub 3A] en [verzoekster sub 3B] stellen dat de raad ten onrechte het bestemmingsplan heeft vastgesteld, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie (R)" en een plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein (BT)" en beogen met hun verzoek de inwerkingtreding hiervan te voorkomen. Zij voeren daartoe onder meer aan dat de kennisgeving als bedoeld in artikel 1.3.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) niet heeft plaatsgevonden, dat ten onrechte binnen de geurcontouren van hun agrarische bedrijven geurgevoelige objecten mogelijk worden gemaakt en dat het onderzoek naar de geurhinder ondeugdelijk is. Voorts voeren zij aan dat het bestemmingsplan financieel niet uitvoerbaar is.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat sprake is van een ligging in een concentratiegebied buiten de bebouwde kom en dat strijd met de Wet geurhinder en veehouderij zich niet voordoet.

2.5.2. In het betoog van [verzoekster sub 2] en anderen en [verzoekster sub 3A] en [verzoekster sub 3B] dat ten onrechte geen kennisgeving als bedoeld in artikel 1.3.1, eerste lid, van het Bro is gedaan, ziet de voorzitter, nog daargelaten de vraag of een dergelijke kennisgeving in dit geval had moeten plaatsvinden, mede gelet op artikel 6:22 van de Awb, geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5.3. In het betoog dat het plan financieel niet uitvoerbaar is omdat onvoldoende rekening zou zijn gehouden met mogelijke verzoeken om vergoeding van planschade ziet de voorzitter evenmin aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, nu niet aannemelijk is gemaakt dat met deze kosten niet of onvoldoende rekening is gehouden.

2.5.4. Het in opdracht van de raad verrichte onderzoek van 6 mei 2009 van het onderzoeksbureau "SRE Milieudienst" met betrekking tot het aspect geur is bij de Raad van State op vrijdag 8 mei 2009, buiten kantooruren, ingekomen en kon niet tijdig voor de zitting aan verzoekers worden doorgezonden. Gelet hierop en gelet op de betrekkelijk complexe materie zal dit onderzoek wegens strijd met de goede procesorde in het kader van deze voorlopige voorzieningsprocedure buiten beschouwing worden gelaten.

2.5.5. Voor zover wordt betoogd dat het plandeel met de bestemming "Recreatie (R)" en het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein (BT)" ten onrechte voorzien in geurgevoelige objecten binnen geurcontouren, overweegt de voorzitter dat, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, niet is komen vast te staan dat ter bepaling van de geurhinder van de agrarische bedrijven en de aanvaardbaarheid van de verblijfsrecreatieve voorzieningen en de voorziene bedrijven in de nabijheid hiervan de juiste uitgangspunten zijn gehanteerd. Zo is onder meer twijfel blijven bestaan over de juistheid van het standpunt van de raad dat in dit geval sprake zou zijn van een ligging in een concentratiegebied buiten de bebouwde kom in plaats van binnen de bebouwde kom, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet geurhinder en veehouderij en over de vraag of niet ten onrechte binnen geurcontouren geurgevoelige objecten mogelijk worden gemaakt. Gelet hierop ziet de voorzitter aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van voormelde plandelen, zoals aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart 2. De verzoeken van [verzoekster sub 2] en anderen en [verzoekster sub 3A] en [verzoekster sub 3B] komen in zoverre voor inwilliging in aanmerking.

Het verzoek van [verzoekster sub 4]

2.6. [verzoekster sub 4] stelt dat de raad ten onrechte het bestemmingsplan heeft vastgesteld, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Sport-Motorcrossterrein (S-M)" en de daarbij behorende geluidscontour en een plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein (BT)" en beoogt met haar verzoek de inwerkingtreding hiervan te voorkomen. Daartoe voert zij aan dat bij de tweede terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan ten onrechte een termijn van slechts vijf weken is aangehouden, dat ten onrechte is voorzien in een uitbreiding van het motorcrossterrein, dat in dit verband ten onrechte geen milieueffectrapport is opgesteld en dat de geluidscontour van dit terrein de gebruiksmogelijkheden van haar perceel beperkt. Voorts voert zij aan dat het zogenoemde facilitypoint onvoldoende mogelijkheden kent.

2.6.1. Ten aanzien van het betoog dat het ontwerp van het bestemmingsplan in strijd met artikel 3.8, eerste lid, van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 3:16, eerste lid, van de Awb, bij de tweede terinzagelegging van het ontwerp ten onrechte slechts vijf weken ter inzage heeft gelegen, overweegt de voorzitter dat tot deze tweede terinzagelegging is besloten omdat bij de eerste periode van terinzagelegging van het ontwerp ten onrechte een tweetal op het bestemmingsplan betrekking hebbende stukken ontbrak. Deze stukken zijn de aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling ten behoeve van het motorcrossterrein en het daaruit voortvloeiende besluit om voor de aanleg van dit terrein geen milieueffectrapport op te stellen. De voorzitter stelt vast dat deze stukken gedurende voormelde tweede termijn wel ter inzage zijn gelegd, maar dat deze termijn in strijd met artikel 3:16, eerste lid, van de Awb slechts vijf weken betrof. Gelet hierop ziet de voorzitter aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Sport-Motorcrossterrein (SM)" en de daarbij behorende aanduiding "geluidzone motorcrossterrein". Het verzoek van [verzoekster sub 4] wordt in zoverre ingewilligd.

2.6.2. Voor zover wordt gesteld dat het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein (BT)" en de functieaanduiding "facilitypoint (fc)" te weinig mogelijkheden kent en in dit verband om schorsing wordt verzocht, overweegt de voorzitter dat met schorsing van het besluit tot vaststelling ten aanzien van dit plandeel niet kan worden bereikt dat de mogelijkheden ter plaatse toenemen, doch slechts dat dit plandeel niet in werking treedt.

Het verzoek van [verzoekster sub 24] wordt in zoverre afgewezen.

Exploitatieplan

2.7. Voor zover het beroep en het verzoek van [verzoekster sub 3A] en [verzoekster sub 3B] zijn gericht tegen delen van het besluit tot vaststelling van het exploitatieplan, als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, van de Wro verwacht de voorzitter, gelet op artikel 8.2, vijfde lid, van de Wro en artikel 1:2 van de Awb, dat zij in zoverre niet als belanghebbenden zullen worden aangemerkt en dat hun beroep op dit punt niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Daarbij is van belang dat [verzoekster sub 3A] en [verzoekster sub 3B] geen eigenaren van gronden in het exploitatieplangebied zijn en evenmin een grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in voormeld artikel hebben gesloten en ook anderszins niet is gebleken van rechtstreeks bij het exploitatieplan betrokken belangen van [verzoekster sub 3A] en [verzoekster sub 3B]. Ten aanzien van hun betoog dat het bestemmingsplan financieel niet uitvoerbaar zal zijn, overweegt de voorzitter voorshands dat dit enkele betoog hen niet maakt tot belanghebbenden bij het exploitatieplan. Het verzoek wordt in zoverre afgewezen.

2.7.1. In de door [verzoekster sub 4] aangevoerde bezwaren tegen het exploitatieplan ziet de voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, nu voorshands niet aannemelijk is gemaakt dat de inbrengwaarde van haar gronden te laag en in strijd met artikel 6.13, vijfde lid, van de Wro zou zijn vastgesteld en evenmin aannemelijk is gemaakt dat onvoldoende rekening zou zijn gehouden met de kosten van sanering en verplaatsing van bestaande bedrijven.

2.7.2. De voorzitter overweegt dat artikel 8.3, derde lid, van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 8.4, eerste lid, van de Wro aldus moet worden gelezen dat een tijdens de beroepstermijn ingediend verzoek om voorlopige voorziening de inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van het exploitatieplan eveneens opschort en dat de afwijzing van een verzoek met zich brengt dat dit besluit in werking treedt. Schorsing van delen van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan brengt in dit geval niet reeds met zich dat ook het besluit tot vaststelling van het exploitatieplan geheel of gedeeltelijk moet worden geschorst. In dit verband overweegt de voorzitter dat zolang het exploitatieplan in werking, maar niet onherroepelijk is, de aanhoudingsplicht als bedoeld in artikel 50a van de Woningwet geldt. Deze aanhouding duurt totdat een exploitatieplan onherroepelijk is. Deze aanhoudingsplicht kan ingevolge het derde lid van voormeld artikel worden doorbroken en in de periode tot de uitspraak in de hoofdzaak kan door het college van burgemeester en wethouders van deze regeling gebruik worden gemaakt. Bij de afweging, als bedoeld in artikel 50a, derde lid, van de Woningwet, dient het college het risico van een mogelijke vernietiging van het exploitatieplan in de hoofdzaak te betrekken.

Proceskosten

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van het verzoek van stichting de Malpie geen aanleiding. De raad dient ten aanzien van de verzoeken van Lunet, [verzoekster sub 2] en anderen, [verzoekster sub 3A] en [verzoekster sub 3B] en [verzoekster sub 4] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Bladel van 11 december 2008, kenmerk R2008.153, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kempisch bedrijvenpark 2008" voor zover het betreft:

a. het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein (BT)" en de aanduiding "bedrijf van categorie 3.1 tot en met 4.1 (b≥3.1≥4.1)" en het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein (BT)" en de aanduiding "bedrijf van categorie 3.1 tot en met 4.2 (b≥3.1≥4.2)", voor zover op deze plandelen bedrijven zijn toegestaan in de categorieën 4.1 en 4.2, als bedoeld in de bij het bestemmingsplan behorende staat van bedrijfsactiviteiten, zoals aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart 1;

b. het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein (BT)" en het plandeel met de bestemming "Recreatie (R)", zoals aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart 2;

c. het plandeel met de bestemming "Sport-Motorcrossterrein (S-M)" en de aanduiding "Geluidzone-motorcrossterrein";

II. wijst het verzoek van stichting Stichting Belangenplatform de Maplie e.o. geheel en het verzoek van [verzoekster sub 2] en anderen, het verzoek van [verzoekster sub 3A] en [verzoekster sub 3B] en anderen en het verzoek van [verzoekster sub 4] voor het overige af;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Bladel tot vergoeding van bij in verband met de behandeling van de verzoeken van de stichting Stichting Lunet en andere, [verzoekster sub 2] en anderen, [verzoekster sub 3A] en [verzoekster sub 3B] en anderen en [verzoekster sub 4] opgekomen proceskosten; € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) voor de stichting Stichting Lunet en andere, € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) voor [verzoekster sub 2] en anderen, € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) voor [verzoekster sub 3A] en [verzoekster sub 3B] en anderen, € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) voor [verzoekster sub 4]; de bedragen zijn geheel toe te rekenen aan door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand en dienen door de gemeente Bladel onder vermelding van het zaaknummer aan voormelde verzoekers te worden betaald;

IV. gelast dat de gemeente Bladel aan de stichting Stichting Lunet en andere, [verzoekster sub 2] en anderen, [verzoekster sub 3A] en [verzoekster sub 3B] en anderen en [verzoekster sub 4] het door hen voor de behandeling van hun verzoeken betaalde griffierecht vergoedt:

€ 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) voor de stichting Stichting Lunet en andere, € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) voor [verzoekster sub 2] en anderen, € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) voor [verzoekster sub 3A] en [verzoekster sub 3B] en anderen en € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) voor [verzoekster sub 4].

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Kegge

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2009

459.

<HR>

plankaart 1

plankaart 2