Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI8436

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
17-06-2009
Zaaknummer
200805179/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 mei 2008, kenmerk PZH-2008-336936, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Papendrecht (hierna: de raad) bij besluit van 20 september 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Aan de Noord".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805179/1/R2.

Datum uitspraak: 17 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1] beide gevestigd te [plaats],

2. [appellant sub 2], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2008, kenmerk PZH-2008-336936, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Papendrecht (hierna: de raad) bij besluit van 20 september 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Aan de Noord".

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 juli 2008, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 juli 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 mei 2009, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door ing. R. Jansen en mr. drs. J.G.M. van Mierlo, juridisch adviseur te Rosmalen, en het college, vertegenwoordigd door ing. E. Schepers, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de raad, vertegenwoordigd door drs. S. Hartog-Dahmeijer, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor het industrieterrein "Noordhoek" en de uitbreiding daarvan in het Papendrechtse deel van de polder "het Nieuwland". Dit industrieterrein maakt deel uit van het op basis van de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein "Aan de Noord" dat zich uitstrekt over het grondgebied van de gemeenten Papendrecht, Alblasserdam, Hendrik-Ido-Ambacht en Zwijndrecht.

Het beroep van [appellanten sub 1]

2.3. Het bedrijf van [appellanten sub 1] is gevestigd op een perceel op het industrieterrein "Noordhoek". Het perceel is in dit plan bestemd als "Bedrijfsdoeleinden". Het beroep van [appellanten sub 1] richt zich tegen de goedkeuring van deze bestemming.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de kaart voor bedrijfsdoeleinden aangewezen gronden bestemd voor bedrijven, welke behoren tot de categorieën 1, 2 en 3 van de Staat van bedrijfsactiviteiten.

2.3.1. [appellanten sub 1] betogen dat op het plandeel dat ziet op het perceel aan de [locatie] ten onrechte slechts de vestiging van een categorie 3-bedrijf mogelijk wordt gemaakt, terwijl hun bedrijf aldaar moet worden aangemerkt als een categorie 5-bedrijf. Volgens hen is ten onrechte niet onderkend dat hun bedrijf zich vanaf april 2004, dus ruim voor de terinzagelegging van het ontwerp van het plan, heeft gericht op de op- en overslag van allerlei materialen met een opslagoppervlak van meer dan 2000 m2 en de inzameling van bouw- en slooppuin en het breken daarvan. Verder voeren zij aan dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, nu de percelen van de bedrijven Filcom en Cadric wel in overeenstemming met het feitelijke gebruik zijn bestemd. [appellanten sub 1] brengen ten slotte naar voren dat ten onrechte geen milieuvergunning voor de bedrijfsactiviteiten is verleend nu de geluidbijdrage van hun bedrijf volgens hen niet tot overschrijding van de zonegrenswaarde zal leiden.

2.3.2. Het college stelt zich op het standpunt dat het bedrijf van [appellanten sub 1] geen milieuvergunning is verleend omdat de grenswaarden die voortvloeien uit de geluidzone niet konden worden gewaarborgd. Voorts brengt het college naar voren dat de bedrijven Filcom en Cadric wel over een milieuvergunning voor hun bedrijfsactiviteiten beschikten, reden waarom de percelen van deze bedrijven met een maatbestemming in het plan zijn ingepast. Tegen de pogingen om op het perceel aan de [locatie] bedrijfsactiviteiten die behoren tot een categorie 5-bedrijf te ontplooien is voorts consequent handhavend opgetreden, aldus het college.

2.3.3. Gebleken is dat aan het in geding zijnde perceel in het voorheen geldende plan uit 1960 de bestemmingen "Industrieterrein met bebouwing" en "Water" waren toegekend en dat de uitoefening van een categorie 5-bedrijf ter plaatse, zoals [appellanten sub 1] dat voorstaan, uit planologisch oogpunt was toegestaan. [appellanten sub 1] hebben het perceel begin 2004 aangekocht en zijn daar vervolgens hun bedrijf gestart. De door hen in 2005 en 2007 aangevraagde milieuvergunningen zijn geweigerd. Gelet op het feit dat het bedrijf van [appellanten sub 1] ten tijde van de vaststelling van het plan niet beschikte over een milieuvergunning, heeft het college naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen instemmen met de keuze van de raad om in dit plan aan het plandeel dat ziet op het perceel aan de [locatie] de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" toe te kennen, welke bestemming ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften slechts activiteiten van ten hoogste een categorie 3-bedrijf op het perceel toelaat. De omstandigheid dat ten tijde van het besluit omtrent goedkeuring het besluit van 31 oktober 2007 tot weigering van de milieuvergunning nog niet onherroepelijk was en ter beoordeling voorlag bij de Afdeling behoefde voor het college geen reden te zijn om op grond hiervan goedkeuring te onthouden. Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat [appellanten sub 1] sinds 2004 feitelijk gebruik maken van de gebruiksmogelijkheden die het voorheen geldende bestemmingsplan bood, nu dit gebruik vanwege het ontbreken van een milieuvergunning voor de inrichting niet is toegestaan en hiertegen bovendien consequent handhavend is opgetreden.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, aangezien de situatie ten aanzien van de bedrijven Filcom en Cadric wezenlijk verschilt van die van [appellanten sub 1], reeds nu deze bedrijven, hetgeen niet in geschil is, ten tijde van de vaststelling van het plan beide over een milieuvergunning beschikten.

Met betrekking tot het betoog dat aan [appellanten sub 1] ten onrechte geen milieuvergunning is verleend, merkt de Afdeling op dat dit het kader van dit geding, dat betrekking heeft op het besluit van het college over de goedkeuring van het plan, te buiten gaat.

2.3.4. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het door hen aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellanten sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.4. [appellant sub 2], een projectontwikkelings- en bouwbedrijf, is eigenaar van percelen, gelegen in de polder "het Nieuwland". Het plan voorziet voor dit gebied in de bestemming "Bedrijfsdoeleinden". Het beroep van [appellant sub 2] richt zich tegen de onthouding van goedkeuring aan deze bestemming ten aanzien van haar percelen.

2.4.1. Het college heeft de onthouding van goedkeuring gegrond op de omstandigheid dat het Papendrechtse deel van de polder "het Nieuwland" binnen de bij Koninklijk Besluit van 19 april 1991 vastgestelde geluidzone ligt en geen concreet zicht bestaat op een wijziging van de geluidzone. Op een aantal locaties is de geluidbelasting binnen de zone reeds gelijk aan of hoger dan de zonegrenswaarden, reden waarom nieuwe bedrijvigheid binnen deze zone daar geen toename van de geluidbelasting mag veroorzaken, aldus het college.

2.4.2. [appellant sub 2] betoogt dat het college zich ten onrechte heeft laten leiden door de belangen van De Rivierendriesprong. Voorts voert [appellant sub 2] aan dat zij wordt geconfronteerd met een derving van omzet, nu ter plaatse niet kan worden gebouwd.

2.4.3. Blijkens het bestreden besluit en zoals toegelicht ter zitting, heeft het college goedkeuring onthouden aan alle plandelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" in de polder "het Nieuwland", waaronder die met de percelen van [appellant sub 2], op de grond dat de om het industrieterrein "Aan de Noord" gelegen geluidzone nieuwvestiging van bedrijven niet toelaat. Niet is gebleken dat mogelijke belangen van De Rivierendriesprong hierbij een rol hebben gespeeld. [appellant sub 2] heeft dit ook niet aannemelijk gemaakt.

Van de zijde van [appellant sub 2] zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan het college geen doorslaggevend gewicht heeft mogen toekennen aan de belangen met betrekking tot de geluidzone. De enkele stelling van [appellant sub 2] dat zij wordt geconfronteerd met een overschrijding aan rentelasten is hiertoe onvoldoende. Overigens merkt de Afdeling op dat de onthouding van goedkeuring meebrengt dat de raad is gehouden om een nieuw plan voor dit gebied vast te stellen, waarbij ook de belangen van [appellant sub 2] worden betrokken.

2.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Broodman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2009

204-589.