Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI8433

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2009
Datum publicatie
17-06-2009
Zaaknummer
200903355/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) heeft bij besluit van 18 maart 2009 aan de commanditaire vennootschap Over de Maas C.V. (hierna: Over de Maas C.V.) een vergunning onder voorschriften als bedoeld in de Ontgrondingenwet verleend voor een periode van ten hoogste acht jaar voor het ontgronden van (gedeelten van) percelen kadastraal bekend gemeente Dreumel, sectie E, nrs. 1365, 1366, 1368, 1369, 1370, 1371, 1375, 1377, 1379, 1380, 1381, 1391, 1393, 1394, 1395, 1397, 1400, 1425, 1426, 1427 en 1428; gemeente Dreumel, sectie H, nrs. 505, 515, 545, 547, 557, 558, 559, 571 en 572; gemeente Appeltern, sectie G, nrs. 12, 13, 17, 38, 39, 43, 46, 54, 55, 56, 57, 59, 60 en 62; gemeente Appeltern, sectie H, nrs. 35 en 1004; gemeente Alphen, sectie C, nrs. 473, 1266, 1277, 1342, 1388, 1397, 1398, 1399, 1400 tot en met 1406, 1409, 1410, 1412, 1414, 1459, 1460, 1514, 1515, 1516, 1517, 1524, 1527, 1530, 1532, 1533, 1542 en 1543, ten behoeve van de winning van zand, grind en klei en de herinrichting van het gebied als natuurgebied.

Wetsverwijzingen
Ontgrondingenwet
Ontgrondingenwet 3
Ontgrondingenwet 5
Ontgrondingenwet 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2009/115 met annotatie van De Vries
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903355/2/M1.

Datum uitspraak: 11 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de vereniging Vereniging van aanwonenden aan het ontzandingsproject Over de Maas, gevestigd te Alphen, gemeente West Maas en Waal,

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) heeft bij besluit van 18 maart 2009 aan de commanditaire vennootschap Over de Maas C.V. (hierna: Over de Maas C.V.) een vergunning onder voorschriften als bedoeld in de Ontgrondingenwet verleend voor een periode van ten hoogste acht jaar voor het ontgronden van (gedeelten van) percelen kadastraal bekend gemeente Dreumel, sectie E, nrs. 1365, 1366, 1368, 1369, 1370, 1371, 1375, 1377, 1379, 1380, 1381, 1391, 1393, 1394, 1395, 1397, 1400, 1425, 1426, 1427 en 1428; gemeente Dreumel, sectie H, nrs. 505, 515, 545, 547, 557, 558, 559, 571 en 572; gemeente Appeltern, sectie G, nrs. 12, 13, 17, 38, 39, 43, 46, 54, 55, 56, 57, 59, 60 en 62; gemeente Appeltern, sectie H, nrs. 35 en 1004; gemeente Alphen, sectie C, nrs. 473, 1266, 1277, 1342, 1388, 1397, 1398, 1399, 1400 tot en met 1406, 1409, 1410, 1412, 1414, 1459, 1460, 1514, 1515, 1516, 1517, 1524, 1527, 1530, 1532, 1533, 1542 en 1543, ten behoeve van de winning van zand, grind en klei en de herinrichting van het gebied als natuurgebied.

Tegen dit besluit heeft de vereniging Vereniging van aanwonenden aan het ontzandingsproject Over de Maas (hierna: de Vereniging) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2009, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft de Vereniging de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 mei 2009, waar de Vereniging, vertegenwoordigd door mr. F.F. Scheffer, advocaat te Zutphen, en het college van gedeputeerde staten van Gelderland, vertegenwoordigd door mr. M.H. Holterman, J.A.M. Bouw en J.P.T. Koot, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is Over de Maas C.V., vertegenwoordigd door mr. D.R. de Poorter, advocaat te Nijmegen, H. van der Linde en R. van den Berg, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ter zitting heeft het college betoogd dat het besluit geen gevolgen voor de Vereniging of haar leden heeft die tot de conclusie zouden moeten leiden dat zij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Volgens het college zal er pas medio 2010 met de zandwinning worden begonnen. Verwacht mag worden dat dan inmiddels uitspraak is gedaan in de hoofdzaak. Daaraan voorafgaand is er de startfase van het project, waarin onder meer een zogenoemd startgat zal worden gegraven. Volgens het college beslaan de werkzaamheden in deze fase een beperkt gebied waarin geen woningen aanwezig zijn waarvan de bewoners er nadelige gevolgen van kunnen ondervinden.

2.3. De voorzitter overweegt dat ook in de startfase werkzaamheden, waaronder de ontgronding ten behoeve van het startgat, plaatsvinden waardoor bij de ontgronding betrokken belangen kunnen worden geschaad en die het treffen van een voorlopige voorziening in beginsel kunnen rechtvaardigen indien de aangevoerde beroepsgronden daar, bij een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het besluit en een afweging van de betrokken belangen, aanleiding toe geven.

2.4. Ter zitting heeft Over de Maas C.V. betoogd dat de Vereniging geen zienswijzen naar voren heeft gebracht met betrekking tot nut en noodzaak van het project, strijd met de voorschriften bij de zandwinning in het "Gat van Deurse", de begrenzing van het gebied waar nulmetingen worden verricht, en het tijdelijk kleidepot op een aanwezig depot met klasse 4 verontreinigde klei. Het beroep voor zover het op deze aspecten betrekking heeft zou daarom volgens Over de Maas C.V. niet-ontvankelijk zijn, en geen aanleiding kunnen zijn voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.4.1. De voorzitter overweegt dat de Vereniging zienswijzen tegen de ontgrondingsvergunning naar voren heeft gebracht. In zoverre dient er voorshands niet van uit te worden gegaan dat het beroep niet ontvankelijk zal worden geacht.

2.5. De Vereniging betoogt dat expliciet bepaald zou moeten worden dat de vergunning na acht jaar niet verlengd mag worden.

De Vereniging betoogt voorts dat de procedure voor de afhandeling van klachten met betrekking tot de ontzanding geen duidelijke termijnen kent, hetgeen rechtsonzekerheid voor de omwonenden met zich meebrengt.

2.5.1. Naar het oordeel van de voorzitter is met geen van de hiervoor genoemde gronden enig spoedeisend belang gemoeid, daar de bestreden onderdelen van de vergunning voorafgaand aan de behandeling van de hoofdzaak geen gevolgen zullen hebben, en de bestreden bepalingen na de behandeling in hoofdzaak volledig kunnen worden aangepast indien het beroep in zoverre gegrond zou worden bevonden.

2.6. De Vereniging betoogt voorts dat de behoefte aan zand is gewijzigd sinds het besluit is genomen tot de partiële herziening van het Streekplan Gelderland 2005 betreffende Over de Maas/West Maas en Waal (hierna: de streekplanherziening), waarbij nut en noodzaak van de zandwinning is beoordeeld. Er is veel zand vrijgekomen door de activiteiten in het kader van het project Ruimte voor de Rivier, terwijl door recente ontwikkelingen op de woningmarkt de vraag naar zand is afgenomen. Volgens haar is het gevaar groot dat de gewenste 15 miljoen ton zand in de periode van acht jaar dat de vergunning loopt onvoldoende afzet zal vinden, hetgeen verstorend zal kunnen werken op de marktwerking. Dit effect zou in de beslissing betrokken moeten worden volgens de Vereniging.

2.6.1. Over de Maas C.V. heeft ter zitting betoogd dat er geen reden is voor twijfel aan de afzetmogelijkheden voor het gewonnen zand. Zij is niet voornemens om wijziging of intrekking van de vergunning te verzoeken.

2.6.2. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is er naar het oordeel van de voorzitter geen reden om aan te nemen dat de omstandigheden sinds de streekplanherziening zodanig gewijzigd zijn dat het college de daarbij gemaakte afwegingen niet meer ten grondslag mocht leggen aan het besluit tot verlening van de ontgrondingsvergunning.

2.7. De Vereniging betoogt dat de afgraving bij het "Gat van Deurse" niet voldoet aan de voorgeschreven veiligheidsafstand van 100 meter uit de buitenteen van de winterdijk.

2.7.1. Het aan de vergunning verbonden voorschrift 2, voor zover hier van belang, bepaalt dat de insteek van de ontzanding minimaal 100 meter uit de zogenoemde buitenteen van de winterdijk moet blijven. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting geldt dit voorschrift ook voor de ontzanding in het Gat van Deurse, en volgens de profieltekening SL15 zal aan dit voorschrift worden voldaan. Gelet daarop ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de ontzanding in het Gat van Deurse zoals aangevraagd in strijd is met het voorschrift.

2.8. Ten behoeve van het kunnen vaststellen en vergoeden van mogelijke schade aan woningen als gevolg van zettingen, veroorzaakt door wijziging van de grondwaterstanden, wordt een nulmeting verricht in het gebied, aangegeven op de bij het besluit behorende kaart "Gebied nulmeting opstallen". De Vereniging betoogt dat ten onrechte in Lith, aan de (Brabantse) overzijde van de Maas, en in een deel van Alphen geen nulmetingen worden verricht.

2.8.1. Het gebied waarin nulmetingen moeten worden verricht, is bepaald aan de hand van berekeningen van bureau Royal Haskoning van mogelijke zettingen als gevolg van daling van de grondwaterstand, beschreven in een rapport gedateerd 18 december 2008. Volgens deze berekeningen zijn buiten dit gebied geen zettingen te verwachten. In hetgeen de Vereniging naar voren brengt ziet de voorzitter geen aanleiding om de berekeningen door Royal Haskoning onjuist te achten. Gelet daarop acht de voorzitter de beperking van de nulmetingen tot het op de kaart "Gebied nulmeting opstallen" aangegeven gebied niet onrechtmatig.

2.9. De Vereniging betoogt dat de risico's van tijdelijke opslag van een laag klei op een reeds aanwezig depot met klasse 4 verontreinigde klei niet voldoende zijn onderzocht. Zij stelt in dit verband dat de zware laag klei kan leiden tot verzakkingen, waardoor verontreinigingen kunnen uitlekken.

2.9.1. Volgens Over de Maas is het waterschap Waterschap Rivierenland (hierna: Waterschap Rivierenland) verantwoordelijk voor het depot, en zijn de gevolgen beoordeeld in het kader van de door Waterschap Rivierenland verleende ontheffing van de Keur voor waterkeringen en wateren van Waterschap Rivierenland (hierna: de Keur). Voorts is het depot volgens Over de Maas C.V. beoordeeld in besluiten op grond van de Wet bodembescherming.

2.9.2. De voorzitter overweegt dat het depot, gelet op de bij de aanvraag behorende kaarten met nrs. 3207H, 1, 2 en 3, deel uitmaakt van de ontgrondingsvergunning. De gevolgen van het depot zijn evenwel in de eerste plaats beoordeeld in het besluit van het Waterschap Rivierenland tot ontheffing van de Keur voor waterkeringen en wateren van waterschap Rivierenland. Tegen dit besluit, dat in samenhang met het bestreden besluit is voorbereid door middel van de in artikel 14.1 van de Wet milieubeheer bedoelde gecoördineerde voorbereidingsprocedure, is geen beroep ingesteld. Voorts dient te worden voldaan aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit. De voorzitter acht het gelet op het voorgaande niet aannemelijk dat hetgeen de Vereniging aanvoert leidt tot de conclusie dat de ontgrondingsvergunning in zoverre ten onrechte is verleend.

2.10. De Vereniging voert aan dat de gemeente West Maas en Waal de bewonersvereniging niet steunt in haar streven naar formele betrokkenheid bij de uitvoering van de ontgronding. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het bestreden besluit. Reeds daarom geeft deze beroepsgrond geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.11. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

De voorzitter

is verhinderd de uitspraak w.g. Sparreboom

te ondertekenen. ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2009

195-539.