Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI7279

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
10-06-2009
Zaaknummer
200803315/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Liesveld (hierna: het college) nadere eisen gesteld op grond van het Besluit landbouw milieubeheer (hierna: het Besluit) met betrekking tot de door [vergunninghoudster] gedreven veehouderij gelegen aan de [locatie] te Streefkerk. Dit besluit is op 21 maart 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Besluit landbouw milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/355
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803315/1/M2.

Datum uitspraak: 10 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Liesveld,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Liesveld (hierna: het college) nadere eisen gesteld op grond van het Besluit landbouw milieubeheer (hierna: het Besluit) met betrekking tot de door [vergunninghoudster] gedreven veehouderij gelegen aan de [locatie] te Streefkerk. Dit besluit is op 21 maart 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door C. Benschop, werkzaam bij de gemeente, ing. L. Treffers, D. Nelemans en ing. G. van Dorp, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het college heeft bij het bestreden besluit op grond van voorschrift 4.1.6 van de bijlage bij het Besluit nadere eisen gesteld.

In nadere eis 1.2.1 is, voor zover hier van belang, bepaald dat binnen drie maanden na het van kracht worden van het besluit een plan van aanpak aan het bevoegd gezag dient te worden overgelegd, waarin wordt omschreven welke maatregelen en wijzigingen in de bedrijfsvoering zullen worden getroffen, teneinde de geluidbelasting ten gevolge van de regelmatige afwijking uiterlijk op 6 december 2009 met 5 dB(A) te reduceren.

In nadere eis 1.3.1 is, voor zover hier van belang, bepaald dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau veroorzaakt door niet vast opgestelde bronnen vanaf 6 december 2009, ter plaatse van de gevels van nabijgelegen woningen, niet meer mag bedragen dan 55 dB(A) in de dagperiode, 50 dB(A) in de avondperiode en 45 dB(A) in de nachtperiode.

2.2. [appellant] voert aan dat het college er ten onrechte van uitgaat dat de geluidbronnen die in nadere eis 1.2.1 worden aangeduid als regelmatige afwijking, geen vast opgestelde installaties zijn als bedoeld in voorschrift 1.1.1 van de bijlage bij het Besluit. [appellant] stelt daartoe, zo begrijpt de Afdeling, dat een redelijke uitleg van dit voorschrift met zich brengt dat onder vast opgestelde installaties mede moeten worden verstaan mobiele installaties zoals de trekker die permanent op het terrein van de inrichting in gebruik zijn. De geluidbronnen waar nadere eis 1.2.1 op ziet zijn volgens [appellant] permanent opgesteld, zodat hiervoor de in voorschrift 1.1.1 van de bijlage bij het Besluit gestelde geluidgrenswaarden gelden.

2.2.1. Blijkens het bestreden besluit ziet de in nadere eis 1.2.1 vermelde regelmatige afwijking op mobiele geluidbronnen zoals het gebruik van een trekker met kraan. Het college stelt zich op het standpunt dat voorschrift 1.1.1 van de bijlage bij het Besluit niet van toepassing is op mobiele geluidbronnen.

2.2.2. Ingevolge voorschrift 1.1.1 van de bijlage bij het Besluit, voor zover hier van belang, mogen de geluidniveaus voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege de vast opgestelde installaties en toestellen op de gevel van een geluidgevoelige bestemming niet meer bedragen dan 45, 40 en 35, dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.2.3. In de nota van toelichting bij het Besluit (Stb. 2006, 390), p. 75-76, wordt met betrekking tot voorschrift 1.1.1 van de bijlage bij het Besluit, voor zover hier van belang, opgemerkt dat de waarden van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau gelden ten aanzien van vast opgestelde installaties en toestellen, dat wil zeggen zonder de mobiele geluidbronnen.

Gelet hierop is het college er terecht van uitgegaan dat de mobiele geluidbronnen die in nadere eis 1.2.1 worden aangeduid als regelmatige afwijking, niet zijn aan te merken als vast opgestelde installaties in de zin van voorschrift 1.1.1 van de bijlage bij het Besluit.

De beroepsgrond faalt.

2.3. [appellant] voert aan dat de door het college in nadere eis 1.3.1 gestelde geluidgrenswaarden te hoog zijn. Volgens [appellant] heeft het college voor het vaststellen van de geluidgrenswaarden ten onrechte geen aansluiting gezocht bij het referentieniveau van het omgevingsgeluid en de geluidgrenswaarden die worden gesteld in voorschrift 1.1.1 van de bijlage bij het Besluit. Uit het geluidonderzoek van 16 juli 2007, opgesteld door De Wolff Adviesbureau Geluidbeheersing en Akoestiek (hierna: De Wolff Adviesbureau) is volgens [appellant] verder gebleken dat een grotere reductie van de geluidbelasting mogelijk is dan de 5 dB(A) die in nadere eis 1.2.1 is voorgeschreven.

2.3.1. Ingevolge voorschrift 4.1.6 van de bijlage bij het Besluit kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen met betrekking tot geluidniveaus vanwege werkzaamheden en activiteiten.

2.3.2. De nota van toelichting bij het Besluit (p. 104) merkt in het kader van voorschrift 4.1.6, voor zover hier van belang, op dat voorschrift 1.1.1 alleen geluidwaarden stelt voor vast opgestelde installaties en toestellen en geluidniveaus voor werkzaamheden en activiteiten buiten beschouwing laat. In voorkomende gevallen kunnen die geluidbronnen een reële bijdrage leveren aan de totale geluidemissie vanwege de inrichting. In dergelijke situaties kunnen in redelijkheid aan die geluidbronnen nadere eisen worden gesteld, aldus de nota van toelichting.

2.3.3. Het college heeft vanwege de reële bijdrage die de mobiele bronnen binnen de inrichting leveren aan de totale geluidemissie hieraan als nadere eis gesteld dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode niet meer dan 55 dB(A), 50 dB(A) en 45 dB(A) mag bedragen. Volgens het college beschermt dit de woon- en leefsituatie in voldoende mate. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat de regelmatige afwijking zich slechts een beperkt aantal dagen per jaar voordoet en dat bij de gestelde grenswaarden in de nabijgelegen woningen wordt voldaan aan een voorkeurswaarde van 35 dB(A).

2.3.4. Het college komt beleidsvrijheid toe bij de beantwoording van de vraag of het gebruik zal maken van de bevoegdheid om nadere eisen te stellen, en kan daarbij verschillende belangen tegen elkaar afwegen. Gelet op de door het college gemaakte belangenafweging is er geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de in nadere eis 1.3.1 gestelde grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau heeft kunnen vaststellen en dat het niet heeft kunnen volstaan met de in nadere eis 1.2.1 voorgeschreven reductie van de geluidbelasting vanwege de mobiele bronnen die in deze nadere eis zijn aangeduid als de regelmatige afwijking.

De beroepsgrond faalt.

2.4. [appellant] voert aan dat ten gevolge van de in nadere eis 1.2.1 gestelde termijn van drie maanden voor het indienen van een plan van aanpak onnodige vertraging wordt opgelopen. Daarnaast stelt [appellant] dat het college ten onrechte heeft besloten dat pas vanaf 6 december 2009 de geluidbelasting ten gevolge van de regelmatige afwijking dient te worden gereduceerd. Volgens [appellant] is in dit kader gelet op de geluidhinder die hij al geruime tijd ondervindt, aan zijn belang onvoldoende gewicht toegekend.

2.4.1. De in nadere eis 1.2.1 gestelde termijn van drie maanden is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk lang. De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.4.2. Ter zitting is door [vergunninghoudster] gesteld dat reeds maatregelen zijn genomen om de geluidbelasting vanwege de regelmatige afwijking te reduceren. [vergunninghoudster] heeft een nieuwe tractor en een nieuwe hogedrukreiniger aangeschaft. Daarnaast worden de mestkelders nog uitsluitend in de dagperiode leeggehaald en worden de voedersilo's 18 keer per jaar gevuld in plaats van 26 keer per jaar. Wanneer blijkt dat reeds door deze maatregelen kan worden voldaan aan de voorgeschreven reductie van de geluidbelasting vanwege de regelmatige afwijking zullen geen aanvullende maatregelen meer worden genomen, aldus [vergunninghoudster]. Volgens het college dienen voor het realiseren van de voorgeschreven reductie van de geluidbelasting grote investeringen te worden gedaan. [vergunninghoudster] heeft daarom tot 6 december 2009 de tijd gekregen om maatregelen te nemen. Uit hetgeen door [vergunninghoudster] is meegedeeld ter zitting blijkt volgens het college echter dat de grote investeringen reeds zijn gedaan.

2.4.3. Gelet op de door [vergunninghoudster] reeds genomen maatregelen en het standpunt van het college dat de grote investeringen reeds zijn gedaan, ligt het in de lijn der verwachting dat de voorgeschreven reductie van de geluidbelasting binnen korte termijn kan worden gerealiseerd. Het is daarom aannemelijk dat het college aan [vergunninghoudster] een onredelijk lange termijn heeft gegund voor het realiseren van de voorgeschreven geluidreductie. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende gemotiveerd.

De beroepsgrond slaagt. Het bestreden besluit komt voor wat betreft de in de nadere eisen 1.2.1 en 1.3.1 vermelde datum van 6 december 2009 voor vernietiging in aanmerking.

2.5. [appellant] voert aan dat het college ten onrechte geen nadere eisen heeft gesteld ten aanzien van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de trillingssterkte in zijn woning. Voorts heeft het college het piekniveau voor de dagperiode volgens hem ten onrechte niet van toepassing verklaard op laad- en losactiviteiten.

2.5.1. Niet aannemelijk is geworden dat het college van de bevoegdheid om ambtshalve nadere eisen te stellen in dit geval redelijkerwijs geen gebruik heeft kunnen maken, zonder ook nadere eisen te stellen ter zake van de door [appellant] genoemde aspecten. De vraag of over die aspecten nadere eisen zouden moeten worden gesteld, valt, nu de beoordeling van het beroep van [appellant] beperkt dient te blijven tot de nadere eisen die bij het bestreden besluit zijn gesteld, buiten het bereik van deze procedure.

De beroepsgrond faalt.

2.6. [appellant] heeft zich voor het overige in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijzen. In het bestreden besluit heeft het college zijn reactie daarop gegeven. [appellant] heeft noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn. Ook voor het overige zijn daarvoor geen gronden.

2.7. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover in de nadere eisen 1.2.1 en 1.3.1 wordt uitgegaan van de datum van 6 december 2009. De Afdeling zal in de zaak voorzien door die datum te vervangen door de datum van 1 juli 2009 en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd.

2.8. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. De door [appellant] gemaakte reiskosten zijn niet bij de proceskosten inbegrepen. Daarbij overweegt de Afdeling dat de ten behoeve van de zitting gemaakte reiskosten reeds zijn betrokken in de bij uitspraak van heden in zaak no. 200803314/1/M2 ten gunste van [appellant] uitgesproken proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Liesveld van 17 maart 2008, kenmerk LI 07.2301/LTR, voor wat betreft de in de nadere eisen 1.2.1 en 1.3.1 vermelde datum van 6 december 2009;

III. bepaalt dat in de nadere eisen 1.2.1 en 1.3.1 in plaats van die datum wordt vermeld: 1 juli 2009;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 17 maart 2008 voor zover dit is vernietigd;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Liesveld tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Liesveld aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de gemeente Liesveld aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Fransen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2009

407-578.