Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI7278

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
10-06-2009
Zaaknummer
200804836/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 april 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college van gedeputeerde staten) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor onder meer de opslag en keuring van grond op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 15 mei 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2009/50 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804836/1/M1

Datum uitspraak: 10 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1] en anderen, allen wonend dan wel gevestigd te [plaats],

2. het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college van gedeputeerde staten) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor onder meer de opslag en keuring van grond op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 15 mei 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 juni 2008, en het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht (hierna: het college van burgemeester en wethouders) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juni 2008, beroep ingesteld. [appellante sub 1] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 11 juli 2008. Het college van burgemeester en wethouders heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 23 juli 2008.

Het college van gedeputeerde staten heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 1] en anderen hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Het college van gedeputeerde staten en [appellante sub 1] en anderen hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 april 2009, waar [appellante sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door mr. H.E. de Leeuw-Blokland, advocaat te Rotterdam, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. A. Bagcivan en J. Daams, beiden werkzaam bij de DCMR Milieudienst Rijnmond, zijn verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [directeur], als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bestreden besluit heeft onder meer betrekking op de op- en overslag van (verontreinigde) grond, bouw- en sloopafval, puin, verhardingsmateriaal, groenafval en houtsnippers, het ontwateren van baggerspecie, het verkleinen van groenafval tot houtsnippers en het zeven van houtsnippers en grond.

Ontvankelijkheid

2.2. Het college van gedeputeerde staten betoogt dat het beroep van [4 belanghebbende] scouting groep 12 (hierna: [belanghebbende] en anderen) niet-ontvankelijk is, omdat zij geen zienswijzen tegen het ontwerpbesluit naar voren hebben gebracht.

2.2.1. [belanghebbende] en anderen betogen dat het niet naar voren brengen van zienswijzen hen redelijkerwijs niet kan worden verweten, omdat hen ten onrechte geen kennisgeving van het ontwerpbesluit is toegezonden en omdat zij geen kennis hebben kunnen nemen van de publicatie in een huis-aan-huisblad omdat dit blad niet wordt verspreid op de Koedood en Carnisseweg.

2.2.2. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover hier van belang, legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit ter inzage.

Ingevolge artikel 3:12, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, geeft het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerp.

Ingevolge artikel 3:15 van de Awb kunnen belanghebbenden bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen.

Ingevolge artikel 6:13 van de Awb, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

2.2.3. Het bevoegd gezag heeft op grond van artikel 3:12, eerste lid, van de Awb een zekere vrijheid in de keuze van het blad of de bladen waarin een kennisgeving wordt geplaatst, mits aldus een geschikte wijze van kennisgeving van het ontwerpbesluit plaatsvindt. Het artikel verplicht niet tot het afzonderlijk toezenden van een afschrift van de kennisgeving van het ontwerpbesluit aan omwonenden. Uit de stukken blijkt dat kennisgeving van het ontwerp van het bestreden besluit heeft plaatsgevonden in de Staatscourant en het huis-aan-huisblad 'Het Zuiden'. De Afdeling is niet gebleken dat de bezorging van dit huis-aan-huisblad in het algemeen zodanige gebreken vertoont dat het college van gedeputeerde staten dit blad niet als middel ter kennisgeving van het ontwerpbesluit had mogen gebruiken. 'Het Zuiden' wordt weliswaar niet bezorgd in het door [belanghebbende] en anderen bedoelde buitengebied, maar in deze omstandigheid is geen grond gelegen om het niet naar voren brengen van een zienswijze verschoonbaar te achten. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het op de weg van [belanghebbende] en anderen gelegen om het huis-aan-huisblad bezorgd te krijgen of zich anderszins tijdig op de hoogte te stellen van de kennisgeving van het ontwerp van het bestreden besluit. Gelet hierop heeft het college van gedeputeerde staten, door de kennisgeving in 'Het Zuiden' te plaatsen, niet op onjuiste wijze gebruik gemaakt van de hem op grond van artikel 3:12, eerste lid, van de Awb toekomende vrijheid, zodat in de wijze van kennisgeving geen grond is gelegen om het niet naar voren brengen van een zienswijze verschoonbaar te achten. Het beroep, voor zover dit is ingesteld door [belanghebbende] en anderen, is niet-ontvankelijk. Voor zover in het navolgende wordt gesproken van [appellante sub 1] en anderen, vallen [belanghebbende] en anderen hierbuiten.

2.3. Uit artikel 6:13 van de Awb vloeit voort dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Bij besluiten inzake milieuvergunningen worden de beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen als onderdelen van een besluit in vorenbedoelde zin aangemerkt (uitspraak van 1 november 2006, in zaak nr. 200602308/1, (AB 2007, 95)).

2.3.1. [appellante sub 1] en anderen hebben geen zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot het besluitonderdeel luchtkwaliteit. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan dit hen redelijkerwijs niet kan worden verweten. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van [appellante sub 1] en anderen in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.4. Het college van gedeputeerde staten betoogt dat het beroep van het college van burgemeester en wethouders niet-ontvankelijk is omdat het niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit.

2.4.1. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij het besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:2, tweede lid, van de Awb worden ten aanzien van bestuursorganen de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd.

In de geschiedenis van totstandkoming van artikel 1:2, tweede lid, van de Awb (Kamerstukken II 1988-1989, 21 221, nr. 3, p. 34) is vermeld dat de vraag of kan worden gesproken van een aan een bestuursorgaan als zodanig toevertrouwd belang, moet worden beoordeeld aan de hand van de taken die aan het bestuursorgaan in kwestie zijn opgedragen. Daarvoor is in de eerste plaats de wetgeving bepalend, waaruit voor sommige bestuursorganen ruime en voor andere bestuursorganen beperkte taakpakketten afleidbaar zijn, aldus de Memorie van Toelichting.

2.4.2. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het college van burgemeester en wethouders bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning voor een inrichting die geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen in zijn gemeente, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede, derde en het vierde lid van dit artikel.

Ingevolge artikel 8.7, eerste lid, is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting is of zal zijn gelegen aangewezen als adviseur met betrekking het ontwerp van het besluit op de aanvraag om vergunning, in gevallen waarin het niet het bevoegd gezag is.

2.4.3. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2009 in zaak nr. 200803160/1/M1 (www.raadvanstate.nl) kan gelet op deze bepalingen het belang van de bescherming van het milieu als een aan het college van burgemeester en wethouders toevertrouwd belang worden aangemerkt.

Het bestreden besluit heeft betrekking op de oprichting van een inrichting die binnen de gemeente Barendrecht is gelegen. Gelet hierop alsmede op de aard van de inrichting zijn de milieubelangen van dit college naar het oordeel van de Afdeling rechtstreeks betrokken bij het bestreden besluit. Derhalve is de Afdeling van oordeel dat het college van burgemeester en wethouders kan worden aangemerkt als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, in samenhang met het tweede lid, van de Awb bij het onderhavige besluit.

Algemeen toetsingskader

2.5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Habitatrichtlijn

2.6. Het college van burgemeester en wethouders en [appellante sub 1] en anderen voeren aan dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206; hierna: de Habitatrichtlijn) omdat niet kan worden uitgesloten dat het in werking zijn van de inrichting gevolgen heeft voor de kwaliteit van het door de Habitatrichtlijn beschermde natuurgebied Oude Maas. In dit verband betogen zij dat het college van gedeputeerde staten deze mogelijke gevolgen ten onrechte niet heeft onderzocht.

2.6.1. Niet in geschil is dat de inrichting in de directe nabijheid van natuurgebied Oude Maas is gelegen. Dat gebied was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet aangewezen als beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10a van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998). Het college van gedeputeerde staten diende derhalve bij de voorbereiding van het bestreden besluit te beoordelen of vergunningverlening in overeenstemming is met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn.

2.6.2. Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, voor zover hier van belang, wordt voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten significante gevolgen kan hebben voor het gebied, een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. De bevoegde instanties mogen slechts toestemming voor het plan of project geven nadat zij zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

2.6.3. Vaststaat dat het bestreden besluit betrekking heeft op een plan of project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het betrokken gebied. Blijkens het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 7 september 2004, zaak C-127/02, JM 2004/112, dient te worden bezien of het college op grond van objectieve gegevens kon uitsluiten dat het plan of project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen heeft voor het gebied, afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen daarvan.

2.6.4. Het college van gedeputeerde staten stelt zich op het standpunt dat, gelet op de aard van de inrichting en de ten gevolge hiervan te verwachten marginale milieubeïnvloeding ten opzichte van de omgeving, het niet waarschijnlijk is dat er significante gevolgen optreden voor de in de nabijheid gelegen natuurgebieden. Het maken van een passende beoordeling van de gevolgen van de inrichting voor deze natuurgebieden is dan ook niet noodzakelijk, aldus het college van gedeputeerde staten. Naar het oordeel van de Afdeling is niet aannemelijk geworden dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. De beroepsgrond faalt.

Stof

2.7. [appellante sub 1] en anderen vrezen, kort weergegeven, voor stofhinder vanwege transportbewegingen binnen, van en naar de inrichting en de opslag, overslag en bewerking van (afval)stoffen.

2.7.1. Ter voorkoming dan wel beperking van stofhinder vanwege transportbewegingen binnen, van en naar de inrichting heeft het college van gedeputeerde staten de voorschiften 7.1.3 en 7.1.6 aan de vergunning verbonden. In voorschrift 7.1.3 is, voor zover thans van belang, bepaald dat het berijdbare gedeelte van het terrein vochtig moet worden gehouden, worden geveegd of gezogen om verspreiding van stof en ander fijnkorrelig materiaal buiten de inrichting te voorkomen. In voorschrift 7.1.6 is, voor zover hier van belang, bepaald dat de transportvoertuigen zodanig dienen te zijn geladen en/of afgedekt dat tijdens vervoersbewegingen op en vanaf de inrichting geen lading kan worden afgeschud. Tevens is in de aanvraag, die blijkens het dictum deel uitmaakt van het bestreden besluit, vermeld dat de openbare weg in de nabijheid van de inrichting indien nodig zal worden gereinigd. [appellante sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat voornoemde voorschriften, in samenhang bezien met de aanvraag, ontoereikend zijn ter voorkoming dan wel beperking van stofhinder vanwege transportbewegingen.

Voor zover [appellante sub 1] en anderen vrezen voor stofhinder vanwege de opslag, overslag en bewerking van (afval)stoffen overweegt de Afdeling als volgt. Vergunningvoorschriften 7.1.1 en 7.1.2 stellen tot doel de stofemissie en het optreden van visueel waarneembare stofhinder vanwege de opslag, overslag en het bewerken van (afval)stoffen te voorkomen. Tevens zijn in de aanvraag om vergunning ter voorkoming van stofhinder concrete stofbeperkende maatregelen vermeld, waaronder het sproeien van stuifgevoelige terreingedeelten. Gelet hierop heeft het college van gedeputeerde staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften toereikend zijn ter voorkoming dan wel beperking van stofhinder. De beroepsgrond faalt.

Geluid

2.8. [appellante sub 1] en anderen voeren aan dat Afdeling 2.8 inzake geluidhinder van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) geldt ten aanzien van de geluidbelasting vanwege de inrichting.

2.8.1. Op 1 januari 2008 is het Activiteitenbesluit en de daarmee samenhangende wijziging van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking getreden.

Door deze wetswijziging, voor zover hier van belang, vervalt de vergunningplicht voor inrichtingen waartoe geen installatie als bedoeld in bijlage 1 van de EG-richtlijn geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (hierna: gpbv-installatie) behoort, voor zover de inrichting niet behoort tot de categorieën van inrichtingen die zijn vermeld op de lijst van vergunningplichtige inrichtingen die als bijlage 1 is opgenomen in het Activiteitenbesluit.

2.8.2. Niet in geschil is dat de inrichting geen gpvb-installaties omvat. Binnen de inrichting worden ondermeer bouw- en sloopafval, (licht) verontreinigde baggerspecie en grond opgeslagen waarbij de maximale opslaghoeveelheid meer dan 35 m3 bedraagt. Het is dan ook, voor zover hier van belang, een inrichting voor het opslaan van meer dan 35 m3 van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen als bedoeld in de in bijlage 1, aanhef en onder ll, van het Activiteitenbesluit vermelde categorie, die vergunningplichtig is. Ingevolge artikel 1.4, derde lid, van het Activiteitenbesluit zijn de in Afdeling 2.8 gestelde regels inzake geluidhinder niet van toepassing. De beroepsgrond faalt.

2.9. [appellante sub 1] en anderen betogen dat het college van gedeputeerde staten bij de beoordeling van de door de inrichting veroorzaakte geluidbelasting ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking).

2.9.1. De Handreiking is opgesteld als hulpmiddel bij het beoordelen en normeren van hinder door industrielawaai vanwege een inrichting. Aangezien de inrichting niet is gelegen op een gezoneerd industrieterrein en in de gemeente Barendrecht geen gemeentelijke nota industrielawaai is vastgesteld, heeft het college van gedeputeerde staten bij de beoordeling van de geluidhinder vanwege de inrichting terecht aansluiting gezocht bij de Handreiking. De beroepsgrond faalt.

2.10. [appellante sub 1] en anderen voeren aan dat de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau, met name voor de woonark in de Koedoodhaven, ontoereikend zijn. Tevens had het college van gedeputeerde staten volgens hen bij het beoordelen van de door de inrichting veroorzaakte geluidbelasting moeten uitgegaan van de in de Handreiking aanbevolen richtwaarden voor een landelijke omgeving van 40, 35 en 30 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode, aangezien de inrichting is gelegen in de nabijheid van een natuur- en recreatiegebied.

2.10.1. Het college van gedeputeerde staten heeft voor de beoordeling van het aspect geluid hoofdstuk 4 van de Handreiking tot uitgangspunt genomen. Het heeft de omgeving van de inrichting gekwalificeerd als een woonwijk in de stad waarvoor richtwaarden zijn aanbevolen van 50, 45 en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Het college stelt zich op het standpunt dat, met uitzondering van de voor de woonark geldende grenswaarde voor het maximale geluidniveau in de nachtperiode tussen 06.00 en 07.00 uur, de gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau niet hoger zijn dan de in de Handreiking aanbevolen richtwaarden onderscheidenlijk grenswaarden. Aangezien het inmiddels vervallen Besluit akkerbouwbedrijf milieubeheer van toepassing was op de inrichting en op grond van dit besluit het maximale geluidniveau tussen 06.00 en 19.00 uur 70 dB(A) mocht bedragen, is met betrekking tot de woonark een grenswaarde van 65 dB(A) gesteld voor het maximale geluidniveau in de periode van 06.00 en 07.00 uur, aldus het college van gedeputeerde staten.

2.10.2. In hoofdstuk 4 van de Handreiking is vermeld dat, zolang er nog geen gemeentelijke nota industrielawaai is vastgesteld, zoals het geval is in de gemeente Barendrecht, bij het opstellen van de geluidvoorschriften gebruik moet worden gemaakt van de systematiek van richt- en grenswaarden. Voor een woonomgeving, die kan worden gekwalificeerd als woonwijk in de stad, worden richtwaarden aanbevolen van 50, 45 en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Voor het maximale geluidniveau worden grenswaarden aanbevolen van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Volgens de Handreiking dient het vergunnen van maximale geluidniveaus hoger dan de grenswaarden in de considerans van de vergunning te worden gemotiveerd en moet tenminste worden aangegeven welke technische en/of organisatorische maatregelen zijn getroffen om de nadelige gevolgen voor het milieu te beperken, voor zover zij niet kunnen worden voorkomen.

2.10.3. In het deskundigenbericht is vermeld dat, gelet op het aantal transportbewegingen op de verkeersweg die de inrichting ontsluit en de aan deze verkeersweg bevindende bedrijvigheid, de woonomgeving van de inrichting in akoestisch opzicht aansluit bij de kwalificatie woonwijk in de stad. Mede in aanmerking genomen het verhandelde ter zitting, verenigt de Afdeling zich met het op dit punt in het deskundigenbericht gestelde. Het college van gedeputeerde staten heeft de bij dit omgevingstype aanbevolen richtwaarden dan ook in redelijkheid tot uitgangspunt genomen bij de beoordeling van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau vanwege de inrichting.

De aan de vergunning verbonden grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de representatieve bedrijfssituatie zijn niet hoger dan de in de Handreiking aanbevolen richtwaarden. Met uitzondering van de voor de woonark geldende grenswaarde voor het maximale geluidniveau in de nachtperiode tussen 06.00 uur en 07.00 uur, zijn de aan de vergunning verbonden grenswaarden voor het maximale geluidniveau in de representatieve bedrijfssituatie niet hoger dan de door de Handreiking aanbevolen grenswaarden. In zoverre bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden niet toereikend zijn.

Met betrekking tot de voor de woonark geldende grenswaarde voor het maximale geluidniveau in de nachtperiode overweegt de Afdeling als volgt. In voorschrift 6.1.5 is, voor zover hier van belang, bepaald dat het maximale geluidsniveau veroorzaakt door ten hoogste vier vrachtwagenbewegingen ter plaatse van de nabijgelegen woonboot niet meer mag bedragen dan 65 dB(A) tussen 06.00 en 07.00 uur. Niet is gebleken dat het college heeft onderzocht welke technische en/of organisatorische maatregelen zijn getroffen om de nadelige gevolgen voor het milieu vanwege deze transportbewegingen te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken. Ter zitting is door vergunninghoudster verklaard dat de transportbewegingen in deze periode niet noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering. Het bestreden besluit is dientengevolge naar het oordeel van de Afdeling in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. De beroepsgrond slaagt.

2.11. [appellante sub 1] en anderen betogen dat het college van gedeputeerde staten ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de cumulatie van geluidhinder vanwege andere in de omgeving van de inrichting aanwezige geluidbronnen.

2.11.1. De Afdeling overweegt dat de Handreiking, die in dit geval als beoordelingskader is gehanteerd, voorziet in de cumulatie van geluidhinder vanwege de inrichting en de geluidbelasting vanwege andere geluidbronnen. De reeds aanwezige, door andere bronnen veroorzaakte geluidbelasting komt tot uitdrukking in het referentieniveau van het omgevingsgeluid (en - in zekere zin - ook in de richtwaarden) en wordt als zodanig betrokken bij de grenswaarden die met betrekking tot de nieuw op te richten inrichting worden gesteld. De beroepsgrond faalt.

2.12. [appellante sub 1] en anderen betogen dat het onzeker is of de gestelde geluidgrenswaarden naleefbaar zijn. Hiertoe voeren zij aan dat de metingen die zijn verricht in het kader van het bij de aanvraag overgelegde akoestische rapport niet representatief zijn omdat deze niet binnen de inrichting hebben plaatsgevonden. Zij voeren tevens aan dat bij de berekeningen ten onrechte gebruik is gemaakt van kengetallen als bronvermogen voor een aantal geluidbronnen.

2.12.1. In het bij de aanvraag overgelegde akoestische rapport is de geluidhinder vanwege de inrichting berekend. Deze berekeningen zijn gebaseerd op zowel meetgegevens van de houtshredder als kengetallen voor de bronvermogens van de overige binnen de inrichting aanwezige geluidbronnen. Niet is gebleken dat het bronniveau van de houtshredder op een onjuiste wijze is gemeten. Dat het bronniveau van de houtshredder elders is gemeten, is voor de representativiteit van de meting niet relevant. Tevens is niet aannemelijk geworden dat de bij de berekeningen gebruikte kengetallen geen representatief beeld geven van de geluidsemissie van deze geluidsbronnen. Gelet hierop en in aanmerking nemende dat in het deskundigenbericht is vermeld dat het akoestische rapport een representatief beeld geeft van de geluidhinder vanwege de inrichting, bestaat er naar het oordeel van de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het akoestisch onderzoek niet representatief zou zijn en de gestelde geluidgrenswaarden niet naleefbaar zijn. De beroepsgrond faalt.

2.13. [appellante sub 1] en anderen betogen dat met betrekking tot het voorkomen dan wel beperken van de geluidhinder vanwege de inrichting niet de beste beschikbare technieken worden toegepast.

2.13.1. In het akoestische rapport zijn diverse maatregelen beschreven die door vergunninghoudster worden getroffen om de geluidhinder vanwege de inrichting zoveel mogelijk te beperken. In het deskundigenbericht is vermeld dat deze maatregelen als beste beschikbare technieken zijn aan te merken. Niet gebleken is dat het deskundigenbericht in zoverre onjuist is en de Afdeling verenigt zich daarmee. Het college van gedeputeerde staten heeft zich dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat met betrekking tot geluid de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. De beroepsgrond faalt.

Geur

2.14. [appellante sub 1] en anderen vrezen voor geurhinder vanwege de op- en overslag van houtsnippers en het baggerdepot. Naar hun mening is de geurbelasting vanwege de inrichting ten onrechte niet onderzocht.

2.14.1. Volgens het college is de op- en overslag van groen- en houtafval in feite niet geurrelevant omdat het binnen de inrichting aanwezige groenafval zal worden afgevoerd voordat compostering kan plaatsvinden en houtsnippers na de overslag worden verdicht om broei en compostering te voorkomen. Geurhinder vanwege de op- en overslag van baggerspecie wordt niet verwacht gezien de relatief geringe hoeveelheid baggerspecie die binnen de inrichting aanwezig is, de tamelijk kortstondige geuremissie gedurende het opbrengen en verwijderen van de specie en de relatief grote afstand tot geurgevoelige objecten in de omgeving. Het college stelt zich dan ook op het standpunt dat geuronderzoek niet nodig is en de aan de vergunning verbonden voorschriften ter voorkoming dan wel beperking van geurhinder toereikend zijn.

2.14.2. In het deskundigenbericht is vermeld dat, alhoewel niet is uit te sluiten dat de geur van vers gesnipperd hout tijdens en direct na het storten ervan bij ongunstige weersomstandigheden enige tijd kan worden waargenomen, de geuroverlast vanwege de houtsnippers zeer beperkt zal zijn. Met betrekking tot de te verwachten geurhinder van het baggerdepot is vermeld dat uit ervaringen met soortgelijke depots geen noemenswaardige geurhinder is te verwachten. Niet gebleken is dat het deskundigenbericht in zoverre onjuist is. Gelet hierop en in aanmerking nemende dat het college ter voorkoming dan wel beperking van geurhinder de voorschriften 7.2.1, 7.2.2 en 7.2.3 aan de vergunning heeft verbonden, is er naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding voor de conclusie dat het college zich niet in redelijkheid op voornoemd standpunt heeft kunnen stellen. De beroepsgrond faalt.

Overige beroepsgronden

2.15. Het college van burgemeester en wethouders en [appellante sub 1] en anderen betogen dat de aanwezigheid van de inrichting zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en het streek- en structuurplan Ruimtelijk Plan Regio Rotterdam 2020, met name vanwege de ligging van de inrichting in een natuur- en recreatiegebied. [appellante sub 1] en anderen voeren aan dat de aanwezigheid van de inrichting zich tevens niet verdraagt met de gemeentelijke Gebiedsvisie Zuidrand Barendrecht.

Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer. Nu het bestreden besluit is genomen voor de wijziging van de Wet milieubeheer bij de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (Stb. 2008, 180), mocht het college van gedeputeerde staten geen regels gesteld bij of krachtens de Wet ruimtelijke ordening in aanmerking nemen. De beroepsgrond faalt.

2.16. De grond van [appellante sub 1] en anderen dat het college van gedeputeerde staten weigert handhavend op te treden, heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning. Deze beroepsgrond faalt.

2.17. [appellante sub 1] en anderen voeren aan dat het bestreden besluit tot gevolg heeft dat de erfdienstbaarheid, waarmee het perceel van vergunninghoudster is belast, niet meer kan worden uitgeoefend en dat het in werking zijn van de inrichting zal leiden tot verkeersonveilige situaties in de omgeving.

Deze gronden hebben geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en falen reeds hierom.

2.18. [appellante sub 1] en anderen betogen dat het college van gedeputeerde staten in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel door de bestreden vergunning te verlenen. Hiertoe voeren zij aan dat de inrichting een verkeersaantrekkende werking heeft en de aanwezigheid ervan in strijd is met het vigerende bestemmingsplan hetgeen voor het college van gedeputeerde staten aanleiding is geweest om milieuvergunningen, die zijn aangevraagd door andere nabij de inrichting gelegen bedrijven, te weigeren.

2.18.1. Niet is gebleken dat de door [appellante sub 1] en anderen genoemde gevallen, waarin geen vergunning werd verleend, met het onderhavige op één lijn kunnen worden gesteld en voor het onderhavige geval als precedent kunnen gelden. Voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, bestaat dan ook geen grond. De beroepsgrond faalt.

Conclusie en proceskostenveroordeling

2.19. Het beroep van [belanghebbende] en anderen is niet-ontvankelijk. Het beroep van het college van burgemeester en wethouders is ongegrond. Het beroep van [appellante sub 1] en anderen is, voor zover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond. Het besluit van 29 april 2008 komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover het voorschrift 6.1.5 betreft.

2.20. Het college dient ten aanzien van [appellante sub 1] en anderen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [belanghebbende] en anderen niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellante sub 1] en anderen niet-ontvankelijk, voor zover het de grond over luchtkwaliteit betreft;

III. verklaart het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht ongegrond;

IV. verklaart het beroep van [appellante sub 1] en anderen gedeeltelijk gegrond;

V. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 29 april 2008, kenmerk 20702811/407208, voor zover het betreft voorschrift 6.1.5;

VI. verklaart het beroep van [appellante sub 1] en anderen voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [appellante sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Zuid-Holland aan [appellante sub 1] en anderen onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;

VIII. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan [appellante sub 1] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Melse

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2009

542