Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI7275

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
10-06-2009
Zaaknummer
200805939/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juli 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) een verzoek van de stichting Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Call Centers (hierna: de stichting) subsidie te verlenen voor het project "Scholing van luchtverkeersleiders 2005-2007" bij de Luchtverkeersleiding Nederland (hierna: het project) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805939/1.

Datum uitspraak: 10 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Call Centers, gevestigd te Aalsmeer,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 juni 2008 in zaak nr. 07/1523 in het geding tussen:

de stichting Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Call Centers

en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) een verzoek van de stichting Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Call Centers (hierna: de stichting) subsidie te verlenen voor het project "Scholing van luchtverkeersleiders 2005-2007" bij de Luchtverkeersleiding Nederland (hierna: het project) afgewezen.

Bij besluit van 14 mei 2007 heeft de staatssecretaris het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 juni 2008, verzonden op 25 juni 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen per fax op 1 augustus 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 september 2008.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2009, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. M.R. Broekema, werkzaam bij PNO Consultants, en mr. M.D.R. Rutten en J.H.C.M. Stolk, beiden werkzaam bij de Luchtverkeersleiding Nederland (hierna: de LVNL), alsmede de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. F.A. Gelauff, werkzaam bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de Subsidieregeling ESF-3 (Stcrt. 2001, 118, zoals nadien gewijzigd) wordt in deze regeling onder project verstaan een samenhangend geheel van activiteiten met betrekking tot de in artikel 3, eerste lid, genoemde onderwerpen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder c, komen voor subsidie in aanmerking projecten met betrekking tot scholing van werkenden.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, voor zover thans van belang, kunnen in een door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vastgesteld en bekend gemaakt ESF-3-Beleidskader nadere eisen worden gesteld waaraan projecten zullen moeten voldoen om voor subsidie in aanmerking te komen.

Ingevolge artikel 6, aanhef en onder a, wordt een projectsubsidieaanvraag afgewezen, indien de aanvraag of het voor subsidie aangemelde project niet voldoet aan de bij en krachtens deze regeling gestelde eisen.

Volgens artikel 2, derde lid, van het ESF-3-Beleidskader, voor zover thans van belang, komen in het kader van een project als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder c, van de Subsidieregeling ESF-3 de navolgende activiteiten voor subsidie in aanmerking:

a. scholing tot op startkwalificatieniveau;

b. verdere scholing:

1e. tot op het niveau vakopleiding of middenkaderopleiding in de zin van artikel 7.2.2. van de Wet educatie en beroepsonderwijs of

2e. tot en met de hbo-opleidingen, opgenomen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

c. bedrijfstakoverschrijdende scholing gericht op mobiliteitsbevordering, waar organisaties uit twee of meerbedrijfstakken bij betrokken zijn;

d. cursussen Nederlandse taal;

e. activiteiten die een versterking van het personeelsbeleid binnen arbeidsorganisaties inhouden;

f. outplacement van met werkloosheid bedreigden.

2.2. Op 24 oktober 2005 heeft de stichting ten behoeve van het project een verzoek ingediend subsidie te verlenen ten bedrage van € 14.684.186,00 op grond van de Subsidieregeling ESF-3, maatregel C (scholing van werkenden). De aanvraag heeft betrekking op de opleiding van nieuwe luchtverkeersleiders bij de LVNL.

Bij besluit van 19 juli 2006, gehandhaafd in bezwaar, heeft de staatssecretaris die aanvraag afgewezen, omdat het project volgens hem niet voldoet aan de bij en krachtens de Subsidieregeling ESF-3 gestelde eisen. Naar aanleiding van de subsidieaanvraag van de stichting hebben medewerkers van het Agentschap SZW op 28 februari 2006 een bezoek aan de stichting gebracht. In het verslag is weergegeven dat de opleiding waarvoor de subsidie is aangevraagd, niet is gericht op de employability van de werknemers zoals bedoeld onder maatregel C van het krachtens de Subsidieregeling ESF-3 vastgestelde ESF-3-Beleidskader. Immers van de deelnemers die hun opleiding niet voltooien of het examen niet behalen, wordt de arbeidsovereenkomst direct beëindigd. In de aanstellingsbesluiten die worden gebruikt voor de aanstelling van de deelnemers aan de opleiding, is vermeld dat de betrokkene voor onbepaalde tijd tijdelijk wordt aangesteld bij de LVNL. In de begeleidende brief bij een dergelijk besluit is weergegeven dat betrokkene in vervolg op de gevoerde gesprekken wordt meegedeeld dat hij/zij is geselecteerd voor de opleiding. Ook is hierin vermeld dat een aanstelling in vaste dienst kan plaatsvinden nadat de gehele opleiding tot verkeersleider met goed gevolg is doorlopen. Als de vorderingen tijdens de opleiding niet voldoende zijn of indien betrokkene bij een examen wordt afgewezen, zal het dienstverband met inachtneming van de voorgeschreven opzegtermijn worden beëindigd. Zodra de opleiding wordt beëindigd, wordt betrokkene vrijgesteld van het verrichten van arbeid voor de LVNL. Wat betreft de eis dat de hoofdverplichting het verrichten van arbeid betreft, heeft de staatssecretaris gesteld dat in dit project geen sprake is van een hoofdverplichting tot het verrichten van arbeid. Het project is gericht op het volgen van een opleiding en dus is geen sprake van een werknemer die al in dienst van de LVNL is, zijn functie blijft vervullen en daarnaast een opleiding volgt om op die manier zijn positie in de arbeidsmarkt te verbeteren.

2.3. Voor zover de stichting betoogt dat de rechtbank niet heeft vermeld op welke juridische basis de aangevallen uitspraak berust, mist dit betoog feitelijke grondslag, aangezien de rechtbank deze basis onder meer in de overwegingen 2.5.4, 2.6.3 en 2.6.5 heeft vermeld.

2.4. De stichting betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris het voor Nederland opgestelde zogenoemde Enig Programmerings Document Europees Sociaal Fonds Doelstelling 3 voor de periode 2000-2006 (hierna: het EPD) ten onrechte heeft betrokken bij de besluitvorming.

2.4.1. In de toelichting bij de Subsidieregeling ESF-3 is vermeld dat de Commissie bij beschikking van 8 augustus 2000 C (2000) 1127 het EPD heeft goedgekeurd. Voorts staat in de toelichting dat aan Nederland gelden uit het Europees Sociaal Fonds zijn toegewezen, in een omvang als in het EPD bepaald, ter financiering van maatregelen op het gebied van de arbeidsmarkt en het (beroeps)onderwijs welke voldoen aan de ter zake in het EPD gestelde eisen. Ook blijkt uit de toelichting dat de Subsidieregeling ESF-3 de regels bevat die noodzakelijk zijn voor het ter beschikking stellen van subsidie ten behoeve van de uitvoering van projecten die passen binnen het EPD. Gelet op de nauwe samenhang tussen de Subsidieregeling ESF-3 en het EPD kan niet worden staande gehouden dat de rechtbank ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat de minister het EPD terecht bij de besluitvorming heeft betrokken in het kader van de uitleg van de Subsidieregeling ESF-3. Dit betoog faalt.

2.5. Verder betoogt de stichting, samengevat weergegeven, dat de rechtbank heeft miskend dat uit de Subsidieregeling ESF-3 noch uit het ESF-3-Beleidskader volgt dat het bij scholing van werkenden als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Subsidieregeling ESF-3 dient te gaan om personen die ten tijde van het starten van de opleiding reeds enige tijd in dienst zijn van de desbetreffende organisatie en waarbij de hoofdverplichting het verrichten van arbeid is. Voor zover die eisen wel uit de van toepassing zijnde regelgeving voortvloeien, voert de stichting aan, samengevat weergegeven, dat hieraan is voldaan, nu een groot gedeelte van de deelnemers ten tijde van het aanvangen van de opleiding reeds geruime tijd in dienst is en zij tijdens de opleiding luchtverkeersleidingactiviteiten verrichten.

2.5.1. In de Subsidieregeling ESF-3 wordt onderscheid gemaakt tussen werkzoekenden en werkenden. De beschikbare middelen worden binnen het EPD verdeeld over een aantal nader aangegeven prioriteiten. Binnen de thans van belang zijnde prioriteit 2 ondersteunt het ESF via het investeren in scholing activiteiten die de instroom in ziekte/arbeidsongeschiktheid of WW van werknemers kunnen voorkomen. Deze activiteiten dragen bij aan een blijvende inzetbaarheid van de beroepsbevolking. Ook richt deze prioriteit zich op het wegnemen van belemmeringen die een combinatie van arbeid en zorg bemoeilijken. Daarnaast is het doel van deze prioriteit om de inzetbaarheid van kwetsbare werknemers zo te verbeteren dat deze personen tijdens een laagconjunctuur hun baan weten te behouden. De in het kader van deze prioriteit voorgenomen maatregel C heeft betrekking op scholing van werkenden. Het doel van deze maatregel is onder meer de opscholing van werknemers met een middelbare beroepsopleiding. Op het niveau van deze opleiding is in bepaalde sectoren sprake van tekorten op de arbeidsmarkt. Om doorstromen te vergroten zal ESF-3 ook kunnen worden ingezet ten behoeve van de opscholing van werknemers naar hogere niveaus binnen het middelbaar beroepsonderwijs.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de activiteiten van de stichting niet voldoen aan de in artikel 2, derde lid, onder a, b sub 1e, c, d, e en f, van het ESF-3-Beleidskader vervatte eisen. Bij de in geding zijnde opleiding, waarbij een havo- of vwo-diploma is vereist, vindt geen scholing tot op startkwalificatieniveau plaats. Evenmin is sprake van een bedrijfstakoverschrijdende opleiding, nu de opleiding slechts ziet op luchtverkeersleiders. Ook is geen sprake van een cursus Nederlands, van activiteiten ter versteviging van het personeelsbeleid en van outplacement. Een verdere scholing tot en met een hbo-opleiding als bedoeld in artikel 2, derde lid, onder b sub 2e, is, naar ter zitting is gebleken, in het voorliggende geval wel aan de orde. Daargelaten of deze bepaling in overeenstemming is met het hiervoor aangehaalde gedeelte van het EPD ten aanzien van de opscholing van werknemers met een middelbare beroepsopleiding, gaat het bij de opleiding tot luchtverkeersleiders echter niet om de inzetbaarheid van kwetsbare werknemers, zoals hiervoor bij prioriteit 2 van het EPD is omschreven, maar om een reguliere opleiding. In dit verband is mede van belang dat de staatssecretaris ter zitting heeft verklaard dat de opleiding tot luchtverkeersleider die is gegeven tot aan de periode waarop het thans in geschil zijnde verzoek om subsidie betrekking heeft en wordt gegeven na deze periode, identiek is aan de opleiding die is gegeven in de periode waarop het verzoek om subsidie betrekking heeft. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het project niet ziet op scholing van werkenden in de zin van artikel 3 eerste lid, onder c, van de Subsidieregeling ESF-3, in samenhang met artikel 2, derde lid, van het ESF-3-Beleidskader. Het betoog faalt reeds hierom. Het betoog van de stichting dat de staatssecretaris bij het nemen van het besluit op bezwaar de betrokken belangen ten onrechte niet tegen elkaar heeft afgewogen, kan op die grond onbesproken blijven.

2.6. Voor zover de stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris de herziene aanvraag van 29 december 2006, slechts inhoudende een aanpassing van de begroting, niet hoefde te betrekken in het besluit op bezwaar, behoeft dit geen bespreking, reeds omdat niet de hoogte van het subsidiebedrag in geding is, maar slechts de vraag of de subsidie op inhoudelijke gronden terecht is geweigerd. Voor de beantwoording van deze vraag, die, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, bevestigend is, is de aanpassing van de begroting niet van belang.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Groenendijk

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2009

164.