Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI7268

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
10-06-2009
Zaaknummer
200806191/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 november 2007 heeft de staatssecretaris voor Europese Zaken (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van de stichting Stichting de Blauwe Vlag (hierna: de stichting) om subsidie voor het project "Inspirerend op weg door Europa" afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806191/1.

Datum uitspraak: 10 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting de Blauwe Vlag, gevestigd te Dordrecht,

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht van 11 juli 2008 in zaak nrs. 08/453 en 08/452 in het geding tussen:

de stichting Stichting de Blauwe Vlag

en

de minister van Buitenlandse Zaken (lees: de staatssecretaris voor Europese Zaken).

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2007 heeft de staatssecretaris voor Europese Zaken (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van de stichting Stichting de Blauwe Vlag (hierna: de stichting) om subsidie voor het project "Inspirerend op weg door Europa" afgewezen.

Bij besluit van 14 maart 2008 heeft de staatssecretaris het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 juli 2008, verzonden op 15 juli 2008, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 augustus 2008, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De stichting heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2009, waar de stichting, vertegenwoordigd door [voorzitter] van de stichting, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R. Geraedts, werkzaam bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De stichting betoogt dat de procedure bij de voorzieningenrechter onzorgvuldig en oneerlijk is verlopen. Zij voert hiertoe aan dat de voorzieningenrechter, door toepassing te geven aan artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), een behandeling van haar verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien van het besluit van de staatssecretaris van 14 maart 2008 ten onrechte achterwege heeft gelaten. Aangezien zij was uitgenodigd voor de behandeling ter zitting van dit verzoek, was zij, naar zij stelt, niet voorbereid op een inhoudelijke bespreking en beoordeling van het door haar ingestelde beroep tegen voormeld besluit. Ook wijst de stichting erop dat haar voorafgaand aan die zitting is verzocht een machtiging over te leggen en de door de minister overgelegde machtiging achteraf aan de stukken mocht worden toegevoegd. Verder is het proces-verbaal van de zitting van de voorzieningenrechter volgens de stichting pas opgesteld nadat zij het onderhavige hoger beroep heeft ingesteld; dit om onzorgvuldigheden te verhullen.

2.2. Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling meermalen heeft overwogen (onder meer in de zaak met nummer 200304460/1) komt de voorzieningenrechter bij het toepassen van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid in een voorlopige voorziening-procedure onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak aanzienlijke vrijheid toe. In hetgeen de stichting heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter in dit geval niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Voor zover de stichting betoogt dat zij niet was voorbereid op een behandeling van het hoger beroep, wordt in aanmerking genomen dat de stichting in de uitnodiging voor de zitting overeenkomstig artikel 8:86, tweede lid, van de Awb is gewezen op de in het eerste lid neergelegde bevoegdheid, zodat zij met de mogelijkheid van toepassing van deze bevoegdheid rekening diende te houden. De grief van de stichting dat de voorzieningenrechter de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening ten onrechte achterwege heeft gelaten, treft geen doel, aangezien in de uitspraak is bepaald dat het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.

Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank onzorgvuldig heeft gehandeld door het proces-verbaal van de zitting eerst na het doen van de uitspraak uit te werken. Zoals vermeld in artikel 8:61, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), houdt de griffier aantekening van het verhandelde ter zitting. De in artikel 8:61, derde lid, van de Awb neergelegde verplichting om een proces-verbaal op te maken indien, voor zover van belang, hoger beroep wordt ingesteld, brengt mee dat het proces-verbaal in het algemeen eerst na het instellen van hoger beroep wordt opgemaakt. In beginsel dient te worden uitgegaan van de juistheid van hetgeen door de griffier is vastgelegd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het proces-verbaal ingevolge artikel 8:61, vijfde lid, van de Awb slechts een vermelding is van hetgeen ter zitting is voorgevallen en dat het geen letterlijke weergave bevat van alles dat door de aanwezigen wordt gezegd.

In de omstandigheid dat de stichting een machtiging diende over te leggen op een ander tijdstip dan de staatssecretaris, kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de rechtbank onzorgvuldig heeft gehandeld, nu de stichting niet aannemelijk heeft gemaakt hierdoor benadeeld te zijn.

2.3. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder f, van de Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken, voor zover thans van belang, kan de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) subsidies verstrekken voor activiteiten welke passen in het beleid ten aanzien van het voorlichten op het terrein van het buitenlands beleid en het bevorderen van mondiale bewustwording in Nederland.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt nader bepaald en worden nadere regels voor die verstrekking vastgesteld.

Op grond van artikel 3 van de Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken is het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken (hierna: het Subsidiebesluit) vastgesteld.

Ingevolge artikel 2 van het Subsidiebesluit, voor zover thans van belang, kan subsidie worden verstrekt voor bij ministeriële regeling aangeduide activiteiten. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de in dit besluit geregelde onderwerpen.

Op grond van artikel 2 van het Subsidiebesluit is de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Stcrt. 2005, 251) vastgesteld (hierna: de subsidieregeling).

Ingevolge artikel 9.3 van de subsidieregeling kan de minister subsidie verlenen ten behoeve van activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aan:

a. bevordering van kennis en inzicht in en de meningsvorming over aangelegenheden met betrekking tot de buitenlandse betrekkingen;

b. bevordering van het draagvlak voor het beleid inzake de buitenlandse betrekkingen; of

c. bevordering van een positieve beeldvorming over Nederland in het buitenland.

Ingevolge artikel 9.4, aanhef en onder a en b, komen met het oog op en binnen het raam van de doelstellingen, genoemd in artikel 9.3, voor subsidie in aanmerking activiteiten gericht op of ter bevordering van publieksvoorlichting in brede zin en voorlichting gericht op specifieke doelgroepen, themabijeenkomsten, congressen, discussiebijeenkomsten, internationale evenementen en manifestaties.

Op 4 december 2006 (Stcrt. 2006, 244) heeft de minister een besluit tot Vaststelling beleidsregels en subsidieplafond subsidiëring Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Europafonds 2007) (hierna: de beleidsregels) genomen.

Volgens artikel 1 van de beleidsregels geldt voor subsidieverlening op grond van de artikelen 9.3 en 9.4 van de subsidieregeling in het kader van het Europafonds voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 een subsidieplafond van € 2.500.000,00.

Volgens artikel 2 gelden voor subsidieverlening op grond van de artikelen 9.3 en 9.4 voor voormelde periode de als bijlage bij het verleningsbesluit gevoegde beleidsregels.

Volgens artikel 3, voor zover thans van belang, vindt de verdeling van het subsidieplafond plaats op grond van twee beoordelingsrondes, overeenkomstig de maatstaven die in de beleidsregels zijn neergelegd, met dien verstande dat aanvragen die het beste voldoen aan die maatstaven het eerst voor subsidieverlening in aanmerking komen.

Volgens de bij de beleidsregels opgenomen bijlage onder 'doelstelling' beoogt de regering met de verstrekking van subsidies uit het Europafonds projecten van organisaties te ondersteunen die een bijdrage leveren aan de voorlichting en meningsvorming over de Europese Unie (hierna: de EU). Voor subsidies ten laste van het Europafonds komen, voor zover thans van belang, uitsluitend projecten in aanmerking die bijdragen aan de verwezenlijking van bovengenoemde doelstelling. Bij de beoordeling van subsidieaanvragen wordt mede in aanmerking genomen de mate waarin de subsidie in evenredige verhouding staat tot de aard, de omvang en de beoogde resultaten van de activiteiten en tot de omvang van de doelgroep.

2.4. De stichting heeft voor het project "Inspirerend op weg door Europa"(hierna: het project) op 5 augustus 2007 in het kader van het Europafonds 2007 een subsidie aangevraagd ten bedrage van € 100.000,00. Uit de aanvraag blijkt dat het project bestaat uit het voorbereiden en organiseren van vijf reizen naar Europese (hoofd)steden of regio's. De doelstelling van het project is het voor speciale groepen - jongeren, vrouwen, ouderen, beleidsmakers, startende ondernemers - financieel mogelijk maken om op een unieke manier samen en actief diepgaand kennis te maken met Europa en stil te staan bij het wezen, het belang en de inspiratie van de Europese 'samen-werking' in verleden, heden en toekomst en die van de groepsleden zelf. Voorts is als doelstelling vermeld ervaring opdoen met deze nieuwe manier van reizen met deze groepen en spin-off richting andere doelgroepen en het algemeen publiek via verslaglegging, internet, kranten en televisie De stichting richt zich specifiek op:

- verschillen en overeenkomsten in situatie, omstandigheden en mogelijkheden voor betreffende groep tussen eerdere periodes en nu en tussen verschillende Europese landen;

- het Europa van de toekomst volgens betreffende groep;

- nieuwe mogelijkheden: leren van elkaar, eigen rol/bijdrage aan maatschappij/Europa, rol en bijdrage maatschappij/Europa ten behoeve van eigen groep en mensen in het algemeen. Verder blijkt uit deze bijlage dat de deelnemers invloed hebben op de inhoud van de reis.

2.5. De staatssecretaris heeft de aanvraag bij besluit van 2 november 2007, gehandhaafd in bezwaar, afgewezen, omdat het project volgens hem niet voldoet aan de, hiervoor onder 2.3. omschreven, doelstelling van het Europafonds. Voorts heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de gevraagde subsidie niet in evenredige verhouding staat tot de omvang van de doelgroep.

2.6. De stichting betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de staatssecretaris haar aanvraag om subsidie niet volledig en zorgvuldig heeft beoordeeld en niet onbevooroordeeld was. De stichting voert hiertoe aan dat de staatssecretaris het project ten onrechte niet aan alle in de beleidsregels neergelegde criteria heeft getoetst en de door haar gegeven nadere toelichting op haar aanvraag ten onrechte heeft aangemerkt als nieuwe informatie die hij daarom buiten beschouwing heeft gelaten.

2.6.1. De stedenreizen zijn voor het overgrote deel culturele, toeristische stedentrips waaraan door de individuele deelnemer zelf nog extra invulling kan worden gegeven. Uit hetgeen hiervoor is weergegeven, blijkt dat de reizen vooral zien op de geschiedenis van de Europese landen en het leren kennen van de verschillende culturen van die landen. De stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door haar gevraagde subsidie betrekking heeft op de EU en op de daarbij behorende instellingen. Een verwijzing naar het interactieve karakter van de reizen en het wedstrijdelement maakt dit niet anders. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het project niet voldoet aan de doelstelling van het Europafonds.

2.6.2. De staatssecretaris heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat de in de beleidsregels neergelegde criteria waaraan een project moet voldoen om in aanmerking te komen voor subsidie ten laste van het Europafonds, cumulatief zijn. In de beleidsregels is immers vermeld dat uitsluitend projecten die voldoen aan 'de volgende criteria' voor subsidie in aanmerking komen. Nu de staatssecretaris tot de conclusie is gekomen dat het project niet aan de doelstelling voldoet, behoefde hij de aanvraag niet aan de in de beleidsregels bedoelde criteria te toetsen. Anders dan de stichting aanvoert, is niet van belang wat haar mogelijkheden zijn om haar doelstelling zonder subsidie van het Europafonds te verwezenlijken.

2.6.3. Voor zover de stichting betoogt dat de staatssecretaris ten onrechte informatie buiten beschouwing heeft gelaten, faalt het betoog. Uit het besluit op bezwaar blijkt niet, zoals de stichting stelt, dat haar toelichting in bezwaar buiten beschouwing is gelaten. Slechts de door haar in bezwaar voorgestelde wijziging van haar aanvraag dat de subsidie kan worden beperkt tot twee doelgroepen en twee voorbeeldreizen of zelfs één doelgroep en één voorbeeldreis, is buiten beschouwing gelaten. Aangezien het project niet voldoet aan de doelstelling van het Europafonds en de wijziging van de aanvraag hierin geen verandering brengt, behoeft dit betoog evenwel geen bespreking.

2.7. Verder betoogt de stichting in dat kader dat de staatssecretaris er ten onrechte van is uitgegaan dat het project bestaat uit culturele en toeristische reizen en de directe doelgroep 50 personen omvat. Volgens de stichting bevat het project leertrajecten waarin de geschiedenis en mogelijkheden van Europa centraal staan en bestaat de doelgroep uit 50.000 tot 100.000 personen.

2.7.1. Dit betoog faalt. In de aanvraag is met betrekking tot de omvang van de doelgroepen meegedeeld dat de directe doelgroep uit 50 deelnemers aan vijf reizen bestaat, de aan te schrijven 'achterbannen' 50.000-100.000 mensen vormen, andere belangstellenden uit 50.000-100.000 mensen bestaan en indirect via de website van de stichting, krant en televisie 500.000 tot 1 miljoen personen worden bereikt. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de door de stichting ingeschatte omvang van de doelgroep onvoldoende realistisch is. Daarbij heeft hij terecht in aanmerking genomen dat uit de aanvraag niet naar voren komt waarop deze schatting is gebaseerd. De door de stichting geuite verwachting dat de door haar genoemde aantallen zullen worden behaald door middel van een wedstrijd, het volgen van de reizen via het internet en het houden van evaluatiegesprekken na iedere reis, is in dit verband onvoldoende. Dat eerder genoemd aantal personen door de stichting wordt aangeschreven dan wel via internet, kranten en televisie wordt bereikt, betekent immers niet dat deze personen ook allen een reis zullen boeken bij de stichting. Ook in bezwaar heeft zij op dit punt geen duidelijk, concreet en onderbouwd standpunt gegeven, daargelaten de vraag of deze toelichting gelet op het karakter van de tenderprocedure in de beoordeling betrokken zou kunnen worden. De rechtbank heeft derhalve terecht geconcludeerd dat de staatssecretaris zich - subsidiair - op het standpunt heeft mogen stellen dat de hoogte van de aangevraagde subsidie niet in evenredige verhouding staat tot de omvang van de directe doelgroep.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Groenendijk

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2009

164.