Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI7266

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
10-06-2009
Zaaknummer
200807603/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer (hierna: het college), voor zover thans van belang, [appellante] onder oplegging van een last onder dwangsom gelast om het gebruik van de kweekkassen voor de opslag en handel in rolcontainers op het perceel [locatie] te Aalsmeer (hierna: het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet
Gemeentewet 125
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807603/1/H1.

Datum uitspraak: 10 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Aalsmeer,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 september 2008 in zaak nr. 07/959 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer (hierna: het college), voor zover thans van belang, [appellante] onder oplegging van een last onder dwangsom gelast om het gebruik van de kweekkassen voor de opslag en handel in rolcontainers op het perceel [locatie] te Aalsmeer (hierna: het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 6 februari 2007 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 september 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 oktober 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door haar [directeur], bijgestaan door mr. M.H. Fleers, advocaat te 's-Gravenhage, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan

"Landelijk gebied 1969 - eerste herziening" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden III".

Ingevolge artikel 14 van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor tuinbouw met de daartoe nodige agrarische bedrijfsgebouwen, ketelhuizen, kassen, andere bouwwerken en andere werken.

Ingevolge artikel 32 is het, voor zover thans van belang, verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in dit plan ter plaatse aangegeven bestemming.

2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het gebruik van het perceel voor de opslag en handel van rolcontainers in strijd is met het bestemmingsplan.

2.2.1. Het gebruik van de kweekkassen op het perceel voor het inkopen, opslaan en verkopen van containers valt niet aan te merken als tuinbouw als bedoeld in artikel 14 van de planvoorschriften. Dat de kweekkassen kunnen worden aangemerkt als agrarische bedrijfsgebouwen die ingevolge artikel 1, eerste lid, onder l, van de planvoorschriften blijkens hun aard en indeling voor een agrarisch bedrijf zijn bestemd en ingericht, betekent niet dat voormeld gebruik van die kassen niet in strijd is met de aan het perceel gegeven bestemming. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het gebruik van het perceel voor de opslag en handel van rolcontainers in strijd is met het bestemmingsplan. Het betoog faalt.

2.3. De rechtbank heeft voorts overwogen dat niet aannemelijk is dat het gebruik van de kweekkassen na de verhuur ervan aan Las Palmas B.V., in relevante mate is gewijzigd. [appellante] betoogt dat de rechtbank met die overweging buiten de grenzen van het geschil is getreden als bedoeld in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Het gebruik van de kweekkassen door Las Palmas stond in beroep niet ter discussie, maar slechts het gebruik ervan door [appellante].

2.3.1. Ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Awb, doet de rechtbank uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.

Het college heeft zich in het besluit van 6 februari 2007 op het standpunt gesteld dat de kweekkassen ook na de verhuur aan Las Palmas in strijd met het bestemmingsplan zijn gebruikt. Deze feitelijke constatering is mede in beroep in geschil. Voorts zijn foto's in het geding gebracht ter onderbouwing van het standpunt van het college. Gelet hierop is de rechtbank niet buiten de omvang van het geschil getreden. Het betoog faalt.

2.4. Het gebruik van het perceel is in strijd met artikel 32 van de planvoorschriften, zodat het college handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in deze concrete situatie behoorde te worden afgezien. Het college had de besluitvorming over de herziening van het bestemmingsplan moeten afwachten, aldus [appellante].

2.5.1. Dit betoog faalt. Daargelaten de vraag of het gebruik van het perceel in het nieuwe bestemmingsplan "Schinkelpolder e.o. 2007" wordt gelegaliseerd, verkeerde de procedure ten aanzien van dat bestemmingsplan ten tijde van het besluit op bezwaar slechts in de voorontwerpfase. Ten tijde van het besluit op bezwaar van 6 februari 2007 bestond daarom geen concreet zicht op legalisering. Aangezien het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel niet kan worden aangemerkt als een overtreding van geringe aard of ernst, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat daarvan in dit geval behoort te worden afgezien.

2.6. [appellante] betoogt tenslotte dat de rechtbank zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel ten onrechte heeft verworpen. Daartoe voert hij aan dat het college niet gemotiveerd is ingegaan op de door haar genoemde gevallen waarbij volgens haar wordt gehandeld in strijd met de in het bestemmingsplan gegeven bestemming "Agrarische Doeleinden III".

2.6.1. Dit betoog slaagt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 oktober 2005 in zaak nr. 200501505/1), vergt het gelijkheidsbeginsel een consistent en dus doordacht bestuursbeleid. Het veronderstelt dat het bestuur welbewust richting geeft en derhalve een algemene gedragslijn volgt ten aanzien van zijn optreden in individuele vergelijkbare gevallen. Het bewaken van de consistentie van het eigen optreden is bij uitstek de eigen verantwoordelijkheid van het bestuur.

Het had op de weg van het college gelegen, nu [appellante] zich op het gelijkheidsbeginsel heeft beroepen en daartoe een aantal gevallen heeft genoemd en toegelicht, deugdelijk gemotiveerd aan te geven waarom deze gevallen niet gelijk of rechtens vergelijkbaar zijn. De verklaring van het college dat het in die andere gevallen niet exact gaat om dezelfde overtreding zoals zich die hier voordoet, volstaat in dat verband niet. Hieruit blijkt met name niet in hoeverre de door [appellante] genoemde gevallen wat betreft aard, bestemming ingevolge het bestemmingsplan en situering vergelijkbaar zijn met dit geval. Voorts heeft het college geen inzicht verschaft in de wijze waarop aan dit geval en de door [appellante] genoemde gevallen onderling prioriteit is toegekend. Uit het door de gemeenteraad vastgestelde handhavingskader waar door het college naar is verwezen, blijkt niet dat deze gevallen verschillende prioriteit hebben gekregen. Verder is het college niet verschenen op de behandeling ter zitting, zodat een nadere toelichting ontbreekt.

2.6.2. Het college heeft het besluit op bezwaar van 6 februari 2007 niet deugdelijk gemotiveerd als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft dat ten onrechte niet onderkend.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Gelet hierop zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 6 februari 2007 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking.

2.8. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 september 2008 in zaak nr. 07/959;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer van 6 februari 2007, kenmerk 2007/866-LE;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Aalsmeer aan [appellante] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de gemeente Aalsmeer aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 718,00 (zegge: zevenhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2009

270-543.