Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI7265

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
10-06-2009
Zaaknummer
200808594/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Berkelland (hierna: het college) geweigerd [appellant] lichte bouwvergunning te verlenen voor het vervangen van een dak op een zwembadhokje op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Berkelland (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808594/1/H1.

Datum uitspraak:10 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Berkelland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 9 oktober 2008 in zaken nrs. 08/305 en 08/462 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Berkelland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Berkelland (hierna: het college) geweigerd [appellant] lichte bouwvergunning te verlenen voor het vervangen van een dak op een zwembadhokje op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Berkelland (hierna: het perceel).

Bij besluit van 22 augustus 2007 heeft het [appellant] voorts op straffe van een dwangsom gelast een zonder bouwvergunning op het perceel opgericht bijgebouw te verwijderen en verwijderd te houden, dan wel het volledig binnen de kaders van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: het Bblb) te brengen, zodat voor de oprichting geen bouwvergunning vereist is.

Bij besluit van 9 januari 2008 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 22 augustus 2007 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, doch de opgelegde last onder aanvulling van de motivering daarvan gehandhaafd.

Bij besluit van 8 februari 2008 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 26 juni 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit onder aanvulling van de motivering daarvan gehandhaafd.

Bij uitspraak van 9 oktober 2008, verzonden op 17 oktober 2008, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) de door [appellant] tegen die besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 29 december 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nog nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 mei 2009, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door [appellant], en het college, vertegenwoordigd door R.S. Willemsen en S.A. van der Spek, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Dorp Neede (5e wijziging)" rust op het perceel de bestemming "Woningbouw EO, bedrijven en winkels toegestaan."

Ingevolge artikel 4 van de verklaring, behorende bij het bestemmingsplan, is per woning één bijgebouw als berging van 15 m², als garage van 20 m² of als garage/berging van 35 m² toegestaan.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, mag een bouwwerk dat op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerpplan bestond, krachtens een vóór dat tijdstip verleende bouwvergunning in uitvoering was of krachtens een geldende of nog te verlenen bouwvergunning kon worden gebouwd en dat afwijkt van dit plan, gedeeltelijk worden vernieuwd, veranderd en wat betreft gebouwen naar inhoud maximaal met 25 % worden vergoot, mits deze vergroting niet reeds eerder krachtens een overgangsbepaling heeft plaatsgevonden, met dien verstande dat:

a. het bouwwerk naar zijn aard meer in overeenstemming wordt gebracht met het plan, dan wel blijft binnen de categorie waartoe het behoort;

b. geen andere afwijkingen van het plan ontstaan;

c. de maximum oppervlakte voor bijgebouwen en hobbyruimten niet (verder) wordt overschreden.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de voorschriften bij het bestemmingsplan "Aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen" (hierna: de bijgebouwenregeling), dat, voor zover thans van belang, artikel 4 van de verklaring, behorende bij het bestemmingsplan, vervangt, geldt voor het oprichten van aan- en uitbouwen en overkappingen bij woningen dat de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, de bijgebouwen en de overkappingen bij een woning niet meer mag bedragen dan 100 m² en 60% van de oppervlakte van het erf.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, mag een bouwwerk dat op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan bestond, krachtens een voor dat tijdstip verleende bouwvergunning in uitvoering was of kon worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde of geldende bouwvergunning en dat afwijkt van dit plan, gedeeltelijk worden vernieuwd en/of veranderd, waarbij een nieuwe afwijking van het plan mag ontstaan, noch een bestaande afwijking van het plan naar de aard en omvang mag worden vergroot.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, wordt in deze voorschriften onder bijgebouw verstaan: een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

Ingevolge die aanhef en onder k wordt in deze voorschriften onder hoofdgebouw verstaan: een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt.

De bijgebouwenregeling is op 8 augustus 2007 in werking getreden.

2.2. Het bouwplan, voor de uitvoering waarvan bouwvergunning is geweigerd, ziet op een gedeeltelijke vervanging van een dak van een zwembadhokje. Volgens de bij de aanvraag behorende bouwtekening voorziet het ook in een uitbreiding van dat hokje.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte heeft geweigerd bouwvergunning te verlenen omdat, anders dan in de bouwtekening is weergegeven, niet is beoogd het zwembadhokje uit te breiden. Aangezien alleen het dak wordt vernieuwd, moest daarvoor met toepassing van het overgangsrecht bouwvergunning worden verleend, aldus [appellant].

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 januari 2002 in zaak nr. 200005648/1; AB 2002, 190), kan bouwvergunning slechts worden verleend op een daartoe strekkende aanvraag. Volgens de bouwtekening, behorend bij de aanvraag, is een uitbreiding van het zwembadhokje voorzien. Niet in geschil is dat op die uitbreiding het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Dorp Neede", noch dat van de bijgebouwenregeling, van toepassing is.

Onder deze omstandigheden heeft het college voor het bouwplan terecht niet met toepassing van het overgangsrecht van deze bestemmingsplannen bouwvergunning verleend. Het betoog faalt.

2.4. Volgens het besluit van 9 januari 2008 strekt de last tot verwijdering van het totale bouwwerk op het perceel, bestaande uit de muur aan de voorzijde, het bestaande filterhuis, het gedeelte op, om en rond het zwembad, de serreachtige uitbouw aan de achterzijde, zoals weergegeven op de in het besluit opgenomen tekening. Daarbij zijn inbegrepen alle constructies die van dit bouwwerk of samenstel van bouwwerken deel uitmaken zoals kozijnen, ramen, fundering, dakconstructies en dak (hierna tezamen: het bouwwerk).

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college tegen die constructies niet handhavend kon optreden, omdat het gebouwde uit afzonderlijke delen bestaat en geen zonder bouwvergunning opgericht bouwwerk is, nu voor het oprichten van de tuinmuur geen bouwvergunning is vereist en de serre een zelfstandig object is, dat bovendien verplaatsbaar is.

2.5.1. Ook dat betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid de hiervoor onder 2.4 vermelde constructies, nu die zodanig met elkaar verbonden zijn, dat zij één geheel vormen, aangemerkt als één bouwwerk. Dat de serre, naar [appellant] stelt, eenvoudig verplaatsbaar is, geeft geen grond voor een ander oordeel, nu die serre in elk geval ten tijde van het besluit van 9 januari 2008 van het bouwwerk deel uitmaakte.

Voor het oprichten van dat bouwwerk, noch voor dat van de verschillende delen daarvan, is bouwvergunning verleend, zodat is gehandeld in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Woningwet en het college daartegen handhavend kon optreden.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet handhavend mocht optreden, omdat concreet zicht op legalisering bestond. Daartoe voert hij in de eerste plaats aan dat ten tijde van het besluit van 9 januari 2008 de bijgebouwenregeling in werking was en het bouwwerk daarmee in overeenstemming is, zodat daarvoor bouwvergunning kon worden verleend.

2.6.1. Ook dat betoog faalt. In het besluit van 9 januari 2008 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat voor het bouwwerk geen bouwvergunning kan worden verleend, omdat met de realisering daarvan de in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de bijgebouwenregeling voorgeschreven maximale oppervlakte voor bijgebouwen wordt overschreden, nu op het perceel reeds 109 m² aan bijgebouwen aanwezig is. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat dat onjuist is. Zij heeft terecht door [appellant] niet aannemelijk gemaakt geacht dat bepaalde op het perceel aanwezige gebouwen, anders dan waar het college van uit is gegaan, geen bijgebouwen zijn bij de woning.

Voorts is het college niet bereid vrijstelling voor het bouwwerk te verlenen, omdat het vasthoudt aan het ruimtelijk beleid terzake van bijgebouwen, zoals dat recentelijk is neergelegd in de bijgebouwenregeling. Er is geen reden om thans op voorhand aan te nemen dat, indien een vrijstelling en bouwvergunning zouden worden gevraagd en die aanvraag zou worden afgewezen, die afwijzing toetsing in rechte niet zou kunnen doorstaan.

2.6.2. [appellant] betoogt in dit verband nog dat het bouwwerk onder het overgangsrecht van de bijgebouwenregeling valt, zodat daarvoor met toepassing van dat recht bouwvergunning moet worden verleend.

2.6.2.1. Dit betoog faalt evenzeer. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 februari 2005 in zaak nr. 200405056/1), verschaft het overgangsrecht geen bouwvergunning vervangende titel en kan een bouwwerk daardoor evenmin anderszins gelegaliseerd worden.

2.7. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het, nu het college gedurende lange tijd niet tegen het bouwwerk heeft opgetreden, hij er op mocht vertrouwen dat het van handhavend optreden zou afzien. Bovendien is hem door het hoofd van de afdeling bouwzaken van de voormalige gemeente Neede medegedeeld dat een overkapping over het zwembad op het perceel zou zijn toegestaan, aldus [appellant].

2.7.1. De rechtbank heeft terecht niet door [appellant], in weerwil van de ontkenning door het college, aannemelijk gemaakt geacht dat door of namens het college aan hem mededelingen zijn gedaan, waaraan hij het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen dat tegen de overkapping niet zou worden opgetreden. Bovendien ziet de last niet alleen op de overkapping, maar op het gehele zonder bouwvergunning opgerichte bouwwerk.

Dat het college, als gesteld, gedurende lange tijd geen handhavende maatregelen tegen het filterhuis, dat sinds 1973 op het perceel staat, heeft getroffen, brengt op zichzelf niet met zich dat het daartegen niet meer handhavend mocht optreden. Met name brengt die omstandigheid niet met zich dat bij [appellant] het te honoreren vertrouwen is gewekt dat het niet meer handhavend zal optreden. Bovendien is met de volgens een rapport van bevindingen van 8 november 2007 op 19 januari 2005 geconstateerde verbouwingen een nieuw bouwwerk ontstaan, op welk bouwwerk in zijn geheel de last ziet. Gesteld noch gebleken is dat het college [appellant] op enig moment te kennen heeft gegeven dat van handhavend optreden tegen dat bouwwerk zal worden afgezien. Het betoog faalt.

2.8. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat handhavend optreden in dit geval zo onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat in verband daarmee in dit geval van optreden behoorde te worden afgezien.

2.8.1. Ook dat betoog faalt. De rechtbank heeft terecht geen bijzondere omstandigheden aannemelijk gemaakt geacht, in verband waarmee het college van handhavend optreden diende af te zien. Dat, naar gesteld, derden geen hinder van het bouwwerk ondervinden, is, gelet op het algemeen belang dat met handhavend optreden is gediend, geen omstandigheid, in verband waarmee het college van handhavend optreden diende af te zien. Dat nakoming van de last, naar [appellant] stelt, hoge kosten met zich brengt, biedt evenmin grond voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt mocht stellen dat aan de belangen van [appellant] geen doorslaggevend gewicht toekomt. Daarbij is mede van belang dat [appellant], door te bouwen zonder bouwvergunning, het risico heeft aanvaard dat tegen het gebouwde handhavend zou worden opgetreden.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.E.B. de Haseth, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. De Haseth

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2009

476.