Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI7262

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
10-06-2009
Zaaknummer
200804796/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 april 2008, kenmerk 2007-022665, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Ede (hierna: de raad) bij besluit van 13 november 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Voorzieningencluster Het Nieuwe Landgoed" (hierna: het plan).

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 7.2
Besluit milieu-effectrapportage 1994
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 10
Flora- en faunawet 11
Flora- en faunawet 75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2009/99 met annotatie van Poortinga
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804796/1/R2.

Datum uitspraak: 10 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging Vereniging behoud Kernhem/Doesburg, gevestigd te Ede,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2008, kenmerk 2007-022665, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Ede (hierna: de raad) bij besluit van 13 november 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Voorzieningencluster Het Nieuwe Landgoed" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit heeft de vereniging Vereniging behoud Kernhem/Doesburg (hierna: vereniging) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juni 2008, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De vereniging en de raad hebben ieder een nader stuk ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht (hierna: het deskundigenbericht). De vereniging heeft haar zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2009, waar de vereniging, vertegenwoordigd door mr. F.F. Scheffer, advocaat te Zutphen, en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door mr. D.S.P. Fransen, advocaat te Amsterdam, en J.W. Dorresteijn, ambtenaar in dienst van de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plangebied ligt in het noorden van de gemeente Ede en is thans grotendeels onbebouwd. Het plangebied wordt doorsneden door de provinciale weg N224. Het noordelijke deel van het plangebied maakt deel uit van de woningbouwlocatie Kernhem. Het deel ten zuiden van de N224 maakt deel uit van de naoorlogse wijk Veldhuizen A. Het plan maakt onder meer de verbreding mogelijk van een deel van de N224. Verder voorziet het plan in de bouw van een voorzieningencluster op een heuvel boven de N224. Ter plaatse van het voorzieningencluster voorziet het plan in maximaal 4.500 m² verhuurbaar vloeroppervlak voor detailhandel. Ook maakt het plan de bouw mogelijk van ongeveer 614 woningen.

2.3. De vereniging stelt in beroep, zoals zij ter zitting nader heeft aangegeven, dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden (C)" en aan de plandelen met de bestemming "Woongebied 1 (WG1)". Daartoe voert zij verschillende argumenten aan.

Milieueffectrapportage

2.4. De vereniging voert aan dat met de vaststelling op 29 juni 2005 van het Streekplan Gelderland 2005 de Partiële herziening inzake Kernhem-Ede van het Streekplan Gelderland 1996 van 12 september 2001 (hierna: de partiële herziening) is vervallen. Hiermee is volgens de vereniging ook de aanwijzing in de partiële herziening van de woningbouwlocatie Kernhem voor 3.500 woningen als concrete beleidsbeslissing vervallen. Derhalve moet volgens haar het onderhavige plan, bezien in samenhang met het bestemmingsplan "Woongebied Kernhem", worden aangemerkt als de eerste beslissing die de bouw van meer dan 2.000 woningen mogelijk maakt in het buitengebied, zodat opnieuw een milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) had moeten worden uitgevoerd. De vereniging is van mening dat niet kan worden volstaan met een actualisering van het aan de partiële herziening ten grondslag gelegde milieueffectrapport. Voorts dient een nieuw milieueffectrapport te worden gemaakt, nu het onderhavige plan naast woningbouw ook voorziet in de bouw van het voorzieningencluster en het onderhavige plangebied afwijkt van het gebied waarvoor eerdergenoemd milieueffectrapport is gemaakt.

2.5. Bij de partiële herziening is de woningbouwlocatie Kernhem voor maximaal 3.500 woningen aangewezen als concrete beleidsbeslissing. Ten behoeve van deze activiteit is een milieueffectrapport (hierna: het MER) gemaakt. In de op de partiële herziening betrekking hebbende uitspraak van 1 mei 2002, in zaak nr. 200105355/1, heeft de Afdeling onder meer geoordeeld dat de partiële herziening het eerste ruimtelijke plan is dat in de mogelijkheid van woningbouw voorziet en dat de beroepsgronden betreffende het MER en de m.e.r.-procedure geen doel treffen, en heeft zij, voor zover hier van belang, het beroep van de vereniging tegen de in de partiële herziening vervatte concrete beleidsbeslissing ongegrond verklaard.

2.6. Bij uitspraak van 21 januari 2009, in zaak nr. 200800347/1, waarin onder meer het beroep van de vereniging tegen de goedkeuring van het bestemmingsplan "Woongebied Kernhem" aan de orde is geweest, heeft de Afdeling overwogen dat nu een bestemmingsplan voorligt, dat ziet op een onderdeel van dezelfde activiteit op dezelfde locatie als waarvoor op grond van het voorheen geldende Besluit milieu-effectrapportage 1994 al, ten behoeve van een in een streekplan vervatte concrete beleidsbeslissing, een besluit-m.e.r. is uitgevoerd, gelet op het in artikel II van het Besluit van 16 augustus 2006 tot wijziging van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (Stb. 2006, 388) opgenomen overgangsrecht, geen verplichting meer bestond voor dit plan een m.e.r. uit te voeren. De Afdeling ziet geen aanleiding hier voor het thans voorliggende plan anders over te oordelen.

2.6.1. De Afdeling overweegt voorts dat door de raad onweersproken is gesteld dat wat betreft 180 woningen in de wijk Veldhuizen A sprake is van vervangende nieuwbouw. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2003, in zaak nr. 200202033/1, wordt de vervangende nieuwbouw van 180 bestaande woningen in de wijk Veldhuizen A voor de omvang van de m.e.r.-plichtige activiteit buiten beschouwing gelaten, zodat terecht in zoverre rekening is gehouden met de bouw van ongeveer 434 woningen op het thans aan de orde zijnde gedeelte van de woningbouwlocatie Kernhem.

Met eerdergenoemd bestemmingsplan "Woongebied Kernhem" wordt voorzien in de bouw van 3.000 woningen op de woningbouwlocatie Kernhem. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de in het onderhavige plan voorziene 434 woningen vallen onder de resterende 500 woningen waarvoor het MER is gemaakt.

2.6.2. Voor zover de vereniging erop wijst dat het plan de bouw van woningen mogelijk maakt buiten het gebied waarvoor het MER is opgesteld, wordt overwogen dat, gelet op de omvang van het gebied waarop het MER ziet, slechts sprake is van een kleine uitbreiding van het oorspronkelijke gebied. De vereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze afwijking zodanig is dat de gegevens die in het MER zijn opgenomen redelijkerwijs niet meer aan het onderhavige plan ten grondslag gelegd hadden kunnen worden. Wat betreft het voorzieningencluster overweegt de Afdeling in overeenkomstige zin. In het MER kunnen aanknopingspunten gevonden worden dat met een dergelijk cluster rekening is gehouden. Gelet op de omvang van de woningbouwlocatie kan dit bovendien als een te verwachten ontwikkeling voor de woonwijk worden beschouwd.

2.6.3. Gelet op het vorenstaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat voor het onderhavige plan geen nieuw MER behoefde te worden gemaakt.

Winkelvloeroppervlak

2.7. De vereniging stelt dat het plan ten onrechte voorziet in 4.500 m² verhuurbaar vloeroppervlak voor detailhandel ter plaatse van het voorzieningencluster. Daartoe voert zij aan dat hierdoor de exploitatiemogelijkheden van ondernemers in de gemeente Ede negatief worden beïnvloed. In het rapport "Marktverkenning commerciële functies in voorzieningencentrum Kernhem/Veldhuizen A te Ede" van 8 september 2000 (hierna: het rapport Marktverkenning) is volgens de vereniging bij de berekeningen ten onrechte rekening gehouden met de bouw van woningen in vlek C van de wijk Kernhem, nu realisering daarvan niet zal plaatsvinden gedurende de onderhavige planperiode. Verder wijst zij erop dat ook in het deskundigenbericht staat dat in de gemeente Ede reeds sprake is van een overschot aan winkelvloeroppervlak.

2.8. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het toevoegen van 4.500 m² verhuurbaar vloeroppervlak voor detailhandel niet zodanige gevolgen heeft voor de exploitatiemogelijkheden van ondernemers in de gemeente Ede dat hij daarin aanleiding had moeten zien goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.9. Met het verdiepen van de N224 en de bouw van het voorzieningencluster op een heuvel boven de N224 wordt volgens de plantoelichting beoogd de fysieke barrière tussen de wijken Kernhem en Veldhuizen A op te heffen en de wijk Kernhem te verbinden aan de bestaande stedenbouwkundige structuur van de gemeente Ede. Het plan voorziet ter plaatse van het voorzieningencluster onder meer in maximaal 4.500 m² verhuurbaar vloeroppervlak voor detailhandel om het voorzieningenniveau van met name de wijk Kernhem te verhogen.

In het rapport Marktverkenning staat dat ter plaatse van het voorzieningencluster ruimte is voor een winkelcentrum van ongeveer 2.800 m² verhuurbaar vloeroppervlak indien geen rekening wordt gehouden met woningbouw in vlek C van de uitbreidingswijk Kernhem. Indien wel rekening wordt gehouden met woningbouw in vlek C, is sprake van een uitbreidingsruimte van ongeveer 3.500 m² verhuurbaar vloeroppervlak voor detailhandel.

2.10. Uit het hierboven genoemde rapport volgt dat het toevoegen van 4.500 m² verhuurbaar vloeroppervlak voor detailhandel, in ieder geval in eerste instantie, zal leiden tot een overschot aan verhuurbaar vloeroppervlak, zodat niet is uitgesloten dat sprake kan zijn van enige omzetdaling en overaanbod in een branche. De vereniging heeft met een tegenrapport noch anderszins aannemelijk gemaakt dat sprake zal zijn van grootschalige omzetdaling en bedrijfsbeëindiging. Gelet op het verhandelde ter zitting is de vrees van de vereniging daarvoor enkel gebaseerd op vermoedens harerzijds. Vanwege de schaalgrootte van de gemeente Ede en mede gelet op het deskundigenbericht, waarin staat dat het toevoegen van 4.500 m² verhuurbaar vloeroppervlak geen verstoring van de detailhandelstructuur tot gevolg zal hebben, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van ernstige gevolgen voor de zittende ondernemers. Voorts heeft hij, gelet op het karakter van de uitbreidingswijk Kernhem, rekening kunnen houden met een groeiend inwoneraantal. Gelet op het vorenstaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voldoende rekening is gehouden met de belangen van de zittende ondernemers.

Beeldkwaliteitplan

2.11. Het betoog van de vereniging dat ten onrechte niet gelijktijdig met het bestemmingsplan een beeldkwaliteitplan is vastgesteld, waardoor hiertegen geen rechtsmiddelen openstaan, faalt. Artikel 12 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 noch enig ander wettelijk voorschrift bepaalt dat een beeldkwaliteitplan onderdeel moet uitmaken van een bestemmingsplan.

Hydrologie

2.12. Verder voert de vereniging aan dat onvoldoende is onderzocht wat de gevolgen zijn van het verdiept aanleggen van de N224 en overige in het plangebied voorziene bebouwing in verband met de stand van het grondwater in het plangebied. Volgens de vereniging heeft het college zich ten onrechte gebaseerd op oude gegevens. Verder wijst zij op de bestaande wateroverlast in de wijk Kernhem. Volgens de vereniging zijn de voorziene waterbergingen te klein, nu sprake is van een reeds verzadigde bodem door de bestaande hoge grondwaterstand en is ten onrechte bij de berekeningen geen rekening gehouden met andere aan te leggen verhardingen in het plangebied, zoals straten en terrassen. Voorts is volgens haar onvoldoende onderzoek gedaan naar de gevolgen van de in het plan voorziene ontwikkelingen voor de grondwaterstand ter plaatse van de stuwwal van de Gelderse Vallei in het Centraal Veluws Natuurgebied.

2.13. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat in het kader van de planvorming een uitgebreid geotechnisch en geohydrologisch onderzoek is uitgevoerd. Verder is uitvoerig overleg gevoerd met het waterschap Vallei en Eem (hierna: het waterschap). De resultaten van het onderzoek en het overleg zijn verwerkt in een waterhuishoudkundig plan waarmee het waterschap heeft ingestemd.

2.14. Volgens de plantoelichting is het uitgangspunt voor het waterhuishoudkundige systeem geweest dat neerslag bij voorkeur wordt vastgehouden op de plaats waar hij valt en, indien dit niet mogelijk is, wordt geborgen in oppervlaktewater. Verder staat daarin dat al in 2006 met het waterschap overleg is gevoerd over de gevolgen van de voorziene ontwikkelingen voor de waterhuishouding in het plangebied en de daaraan te stellen randvoorwaarden. Het uitgangspunt van het waterschap is dat vanwege het plan geen verslechtering mag optreden wat betreft de huidige waterhuishoudkundige en rioleringsaspecten.

2.14.1. In het kader van de bestemmingsplanprocedure is op verzoek van de raad door Grontmij Nederland B.V. onderzoek gedaan naar de waterhuishoudkundige gevolgen van het plan. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Watertoets en waterparagraaf, Voorzieningencluster Ede" van 23 januari 2007 (hierna: het Grontmij rapport). In het Grontmij rapport staat onder meer dat het hemelwater van het verharde oppervlak ten noorden van de N224 zal worden geïnfiltreerd in de bodem. Voorts zal het hemelwater van het verharde oppervlak ten zuiden van de N224 worden afgevoerd op oppervlakkige infiltratievoorzieningen en eventueel op een bergingsvijver. Verder staat in het Grontmij rapport dat zowel ten noorden als ten zuiden van de N224 voldoende ruimte beschikbaar is voor infiltratie, respectievelijk voor berging in oppervlaktewater. Verder is in het Grontmij rapport specifiek aandacht besteed aan grondwater en regenwater in relatie tot het verdiepen van de N224. De tunnel zal waterdicht moeten worden aangelegd en voor de verdiepte tunnelbak geldt dat het afvloeiende hemelwater zal worden opgevangen en afgepompt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Verder staat in het Grontmij rapport dat de aanleg van een verdiepte sporthal een verwaarloosbaar effect heeft op de grondwaterhuishouding.

Aan de hand van de resultaten van het onderzoek en van het met het waterschap gevoerde overleg zijn randvoorwaarden geformuleerd die in de van de plantoelichting deel uitmakende waterparagraaf zijn opgesomd. Daarin staat onder meer dat het plan niet mag leiden tot een vergroting van de afvoer en dat er voldoende ruimte dient te zijn voor het vasthouden en bergen van water in het plangebied. Verder mag geen verlaging van de gemiddelde grondwaterstand plaatsvinden zodat geen nadelige effecten op de omgeving kunnen ontstaan.

2.15. Anders dan de vereniging stelt is in het Grontmij rapport behalve met de in het plan voorziene gebouwen ook rekening gehouden met overige verhardingen zoals wegen. In dit verband staat in het deskundigenbericht dat de bij het onderzoek gebruikte bebouwingspercentages enigszins afwijken van de in het plan opgenomen bebouwingspercentages, maar deze afwijkingen zijn volgens het deskundigenbericht niet zodanig groot dat deze van invloed zijn op de conclusies van het rapport. Verder staat in het deskundigenbericht dat onderzoek is gedaan naar de wateraspecten die relevant zijn voor het plangebied en dat daarbij geen gebruik is gemaakt van oude gegevens of onderzoeken. De vereniging heeft met een tegenrapport noch anderszins aannemelijk gemaakt dat het Grontmij rapport zodanige onjuistheden bevat of leemten in kennis vertoont, dat het college zich hierop niet heeft kunnen baseren. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in het plangebied. Nu uit de waterparagraaf voorts volgt dat, indien rekening wordt gehouden met de daarin genoemde randvoorwaarden, van de in het plan voorziene ontwikkelingen geen negatieve effecten op de waterhuishouding zijn te verwachten, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door de vereniging gestelde vrees voor wateroverlast ongegrond is. Daarbij heeft het college in aanmerking kunnen nemen dat het waterschap met de waterparagraaf heeft ingestemd.

2.15.1. Nu één van de in de waterparagraaf opgenomen randvoorwaarden is dat geen verlaging van de gemiddelde grondwaterstand mag plaatsvinden, heeft het college zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in zoverre geen negatieve gevolgen van het plan te verwachten zijn voor de omgeving en daarmee ook niet voor de grondwaterstand ter plaatse van de stuwwal van de Gelderse Vallei in het Centraal Veluws Natuurgebied.

Flora- en faunawet

2.16. De vereniging vreest voor nadelige gevolgen die het plan kan hebben voor vleermuizen. Volgens haar zal de vliegroute van vleermuizen van het vleermuisreservaat ten noordoosten van het plangebied, langs de N224 en naar de vijvers in de wijk Veldhuizen A, ernstig worden verstoord door de verbreding van de N224 en de bouw van het voorzieningencentrum. Verder wijst zij op de negatieve gevolgen van de voorziene woontorens voor de vleermuissoorten in het Veense Laantje. Volgens de vereniging had inzicht moeten worden gegeven in de noodzakelijke mitigerende en compenserende maatregelen en hadden deze in het plan moeten worden neergelegd. Het college verwijst volgens haar in dit verband ten onrechte naar de ontheffingsprocedure. Voorts stelt de vereniging dat het college ten onrechte is uitgegaan van het rapport "Ecologisch onderzoek voorzieningencluster Kernhem-Veldhuizen" van februari 2003 (hierna: rapport Ecologisch onderzoek).

2.17. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de uitgevoerde onderzoeken naar de gevolgen van het plan voor de in het plangebied voorkomende vleermuizen en de voorgestelde mitigerende en compenserende maatregelen, de verwachting gerechtvaardigd is dat de benodigde ontheffing krachtens de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) zal worden verleend.

2.18. Naast het voorzieningencluster dat is voorzien op een heuvel boven de provinciale weg N224, voorziet het plandeel met de bestemming "Woongebied 1 (WG1)" in het oosten van het plangebied, tussen het Veense Laantje, de N224 en de Lunterseweg, in een woontoren met een goothoogte van 38 meter. Verder wordt in het zuidoosten van het plangebied, tussen de N224 en de Proosdijerveldweg, een nieuwe waterpartij aangelegd, waarin op gronden met de hiervoor genoemde bestemming twee woontorens met een goothoogte van 21 meter zijn voorzien.

2.19. Ingevolge artikel 10 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Ingevolge artikel 11 is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

In artikel 75 is bepaald dat vrijstelling of ontheffing kan worden verleend van de voormelde verboden.

2.20. In opdracht van het gemeentebestuur is door Ecologisch adviesbureau STL onderzoek gedaan naar de natuurwaarden in het plangebied. Uit dit onderzoek van februari 2003 is onder meer naar voren gekomen dat in en nabij het plangebied de ruige dwergvleermuis, de grootoorvleermuis, de rosse vleermuis, de watervleermuis, de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger voorkomen. Deze vleermuissoorten zijn genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn.

In het noorden van de gemeente Ede zijn verschillende projecten voorzien. Naast de in het onderhavige plan opgenomen ontwikkelingen, wordt tevens voorzien in nieuwe woningbouw in een ander deel van de wijk Kernhem en in de verdubbeling van de N224. Het gemeentebestuur heeft aan Arcadis en Natuurbalans verzocht de effecten van al deze ontwikkelingen voor de leefomgeving van de vleermuizen integraal te beoordelen. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Natuurtoets Ede-Noord, gevolgen voor vleermuizen" van 28 december 2007 (hierna: rapport Natuurtoets).

In het rapport Natuurtoets staat dat de laanstructuur van de Doolhoflaan, de Kernhemse Laan en het Veense Laantje de ruggengraat vormt van de populaties vleermuizen in het onderzoeksgebied. Langs deze as liggen verblijfplaatsen van de watervleermuis, de rosse vleermuis en de grootoorvleermuis en baltsplaatsen van de ruige dwergvleermuis en de gewone dwergvleermuis. Voorts vormt volgens het rapport Natuurtoets de laanstructuur voor alle eerdergenoemde soorten, behalve voor de rosse vleermuis, de belangrijkste vliegroute naar foerageergebieden.

In het rapport Natuurtoets zijn mitigerende maatregelen aangegeven die getroffen dienen te worden om verstoring van eerdergenoemde vleermuissoorten te voorkomen. Allereerst dient de sloop van gebouwen in de wijk Veldhuizen op zorgvuldige wijze te worden voorbereid en uitgevoerd. Verder kunnen de gevolgen van het plan voor de grootoorvleermuis en de rosse vleermuis ter plaatse van het Veense Laantje voldoende worden beperkt door het kappen van bomen zoveel mogelijk achterwege te laten, de toegang tot het Veense Laantje te beperken, geen kunstverlichting te plaatsen en de instraling van omliggende bebouwing bij het Veense Laantje te beperken. Voorts wordt volgens het rapport Natuurtoets door de verbreding van de N224 en de bouw van het voorzieningencluster de vliegroute van vleermuizen naar foerageergebieden bij waterpartijen in de wijk Veldhuizen A ernstig verstoord. De vliegroute kan evenwel worden behouden door instandhouding van de aaneengeschakelde lijnvormige beplanting in de woongebieden, door aan de zuidzijde van het voorzieningencluster een verbinding te maken en door op de oversteeklocaties over de N224 hop-overs te creëren. Voorts wordt in het rapport Natuurtoets aangeraden nieuwe foerageergebieden te creëren. De aantasting van de vliegroute leidt volgens het rapport Natuurtoets wat betreft de watervleermuis tot een verstoring, maar de gunstige staat van instandhouding van de lokale populatie van de watervleermuis kan met voormelde maatregelen worden gewaarborgd.

2.21. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat het college geen goedkeuring aan het plan had mogen verlenen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.21.1. Ter voorbereiding van de planvaststelling is, mede gelet op de onderzoeksverplichting in artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985), onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van het plan voor de natuurwaarden in het plangebied. Vervolgens is in het kader van de beslissing omtrent de goedkeuring van het plan aanvullend onderzoek naar de natuurwaarden gedaan. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in het rapport Natuurtoets. Artikel 9 van het Bro 1985, noch enige andere bepaling staat er aan in de weg dat de raad alsnog aanvullend onderzoek overlegt, voorafgaand aan het besluit omtrent goedkeuring van het bestemmingsplan. In dat geval kan het college dit onderzoek bij zijn besluitvorming betrekken. Gelet hierop treft het betoog van de vereniging dat, gelet op de omstandigheid dat het rapport Natuurtoets dateert van na de vaststelling van het plan, het plan is vastgesteld in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid, geen doel. Mede gelet op hetgeen het college ter zitting heeft gesteld, ziet de Afdeling voorts geen aanleiding voor twijfel dat hij het rapport Natuurtoets bij zijn beoordeling heeft betrokken.

In hetgeen de vereniging heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het rapport Natuurtoets zodanige onjuistheden bevat of leemten in kennis vertoont dat niet van de daarin opgenomen bevindingen zou mogen worden uitgegaan. Door de vereniging is met een tegenrapport noch anderszins aannemelijk gemaakt dat de voorgestelde mitigerende en compenserende maatregelen niet effectief zouden zijn. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat volgens het deskundigenbericht vleermuizen met het creëren van hop-overs, het aanplanten van grote bomen en het aanleggen van waterplassen te sturen zijn in hun vliegroute en de negatieve gevolgen van de voorziene bebouwing ter plaatse van het Veense Laantje zoveel mogelijk kunnen worden beperkt door het stellen van randvoorwaarden aan de wijze van bouwen en de daarbij te gebruiken materialen. Nu het bestemmingsplan niet in de weg staat aan de uitvoering van de voorgestelde mitigerende en compenserende maatregelen, mede in aanmerking genomen dat de raad ter zitting heeft verklaard dat de in het rapport Natuurtoets opgenomen maatregelen zullen worden uitgevoerd, heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van de plandelen in de weg staat. Wat betreft het betoog van de vereniging dat de maatregelen ten onrechte niet in het plan zijn opgenomen wordt ten slotte overwogen dat hiertoe geen verplichting bestaat.

Conclusie

2.22. De conclusie is dat hetgeen de vereniging heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

2.23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Bechinka

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2009

371-432.