Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI7252

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
10-06-2009
Zaaknummer
200807405/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Marne (hierna: het college) [vergunninghouder], voor zover thans van belang, onder voorwaarden vrijstelling verleend voor het gebruik van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) ten behoeve van lichte horeca-activiteiten en detailhandel naast het bestaande gebruik als woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807405/1/H1.

Datum uitspraak: 10 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 27 augustus 2008 in zaak nr. 07/874 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van De Marne.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Marne (hierna: het college) [vergunninghouder], voor zover thans van belang, onder voorwaarden vrijstelling verleend voor het gebruik van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) ten behoeve van lichte horeca-activiteiten en detailhandel naast het bestaande gebruik als woning.

Bij besluit van 11 juli 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 augustus 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 oktober 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2007, waar het college, vertegenwoordigd door W.K. de Wind, ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kleine kernen" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Woongebied". Teneinde het gebruik van de woning op het perceel voor detailhandel en horeca, categorie I, mogelijk te maken heeft het college krachtens artikel 15, eerste lid, onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gelezen in samenhang met artikel 3, zesde lid, onder c, vrijstelling verleend van het bepaalde in artikel 3, het vijfde lid, onder a, van de planvoorschriften. De vrijstelling is verleend ten behoeve van een koffie- en theeschenkerij en een winkel in lifestyle artikelen op het perceel (hierna: de koffie- en theeschenkerij).

2.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor: a. wonen;

c. detailhandel, een dienstverlenend bedrijf of kantoor met een maximum verkoopvloeroppervlak van 200 m², alsmede een galerie, videotheek, reisbureau of apotheek, voor zover de gronden op de plankaart met "dienstverlening" zijn aangeduid. Met dien verstande dat het gebruik als genoemd onder c tot en met f niet meer dan 50% van het vloeroppervlak van gebouwen mag bedragen.

Ingevolge artikel 3, het vijfde lid, onder a, is het verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de in lid 1 gegeven begripsomschrijving.

Ingevolge artikel 3, het zesde lid, onder c, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 5 ten behoeve van, voor zover thans van belang,

- horeca, categorie I en II;

- detailhandel en/of dienstverlenend bedrijf met een groter verkoopvloeroppervlak dan 200 m² tot ten hoogste 500 m²;

mits de nadelige effecten op het woon- en leefklimaat (milieuhinder, de mate van verkeersaantrekking, eventuele parkeeroverlast, buitenopslag van goederen en reclame-uitingen) in de directe omgeving niet onevenredig worden vergroot.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder w, wordt in deze voorschriften verstaan onder horeca, categorie I, een horecabedrijf waar in hoofdzaak maaltijden worden verstrekt en waar doorgaans geen overlast voor het leefklimaat wordt veroorzaakt, zoals, voor zover thans van belang, een horecabedrijf dat vooral is gericht op het overdag en 's avonds verstrekken van in hoofdzaak alcoholvrije dranken en eenvoudige etenswaren, zoals lunchrooms en naar de aard daarmee gelijk te stellen horecabedrijven.

2.3. [appellant] kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat het college niet bevoegd is vrijstelling te verlenen voor zowel het gebruik van het perceel voor detailhandel als voor horeca, categorie I, omdat artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften volgens hem daartoe niet de mogelijkheid biedt. Ingevolge artikel 15, eerste lid, onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gelezen in samenhang met artikel 3, zesde lid, onder c, van de planvoorschriften, kan vrijstelling worden verleend voor zowel het gebruik van de woning op het perceel voor detailhandel als voor horeca, categorie I.

Dat het woordje "en" in artikel 3, zesde lid, onder c, van de planvoorschriften ontbreekt, zoals [appellant] betoogt, leidt niet tot een ander oordeel. Het college was bevoegd de vrijstelling te verlenen. Deze bevoegdheid betreft een zelfstandige bevoegdheid van het college, zodat daarvoor de goedkeuring van de gemeenteraad niet is vereist. Het betoog van [appellant] dat onderzocht dient te worden of het college steeds met medeweten en goedkeuring van de gemeenteraad heeft gehandeld, kan reeds daarom niet slagen.

2.4. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het verlenen van de vrijstelling heeft kunnen komen. Volgens hem brengt het gebruik van het perceel voor horeca, categorie I, geluidoverlast met zich, waardoor hij zal worden gestoord in zijn woongenot.

2.4.1. Het college heeft eerder bij besluit van 6 juli 2005 vrijstelling verleend van het bestemmingsplan voor het gebruik van het perceel voor detailhandel en het schenken van alcoholvrije dranken. Die gebruiksfuncties worden door de bij besluit van 3 april 2007 verleende vrijstelling verruimd, zodat het tevens is toegestaan alcoholhoudende dranken te schenken. Gelet op het karakter van de koffie- en theeschenkerij, zal deze zich volgens het college echter voornamelijk blijven richten op het verstrekken van alcoholvrije dranken. Het college verwacht daarom niet meer geluidoverlast ten opzichte van het gebruik waarvoor eerder vrijstelling is verleend. Mocht dat anders zijn, dan verwacht het college dat dit lawaai weg zal vallen tegen het achtergrondlawaai van een drukke weg en een veelgebruikt kruispunt in de buurt van het perceel van [appellant].

Het college heeft aan de bij besluit van 3 april 2007 verleende vrijstelling voorts voorwaarden verbonden, om te verzekeren dat de toename van drukte en lawaai ten opzichte van het gebruik waarvoor eerder vrijstelling is verleend binnen aanvaardbare grenzen blijft en de horeca-activiteiten ondergeschikt blijven aan de woonfunctie van het perceel. Het gebruik voor detailhandel en horeca, categorie I, dient beperkt te blijven tot maximaal 50% vloeroppervlakte van de woning op het perceel. Tevens dient in de aan de koffie- en theeschenkerij te verlenen exploitatievergunning te worden opgenomen dat op het perceel alleen daghoreca is toegestaan, het daar aanwezige terras alleen tussen 10.00 uur tot 19.00 uur voor horeca-activiteiten mag worden gebruikt en openbare feesten en partijen niet zijn toegestaan.

Het standpunt van het college dat de vrijstelling geen onevenredige drukte en overlast voor [appellant] met zich zal brengen is niet onredelijk. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het verlenen van de vrijstelling heeft kunnen komen.

2.5. Tenslotte faalt het betoog van [appellant] dat door het huidige gebruik van het op het perceel gelegen terras voor horecadoeleinden, volgens hem niet wordt voldaan aan de gestelde voorwaarde dat dat gebruik beperkt dient te blijven tot maximaal 50% vloeroppervlakte van de woning op het perceel. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit betoog in een handhavingsprocedure aan de orde dient te worden gesteld.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2009

270-543.