Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI7248

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
10-06-2009
Zaaknummer
200806623/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2007 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zeeburg (hierna: het dagelijks bestuur) de meerjarige subsidierelatie met de stichting 'Stichting Welzijn aan het IJ' (hierna: de stichting) met ingang van 2008 beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 369 met annotatie van W. den Ouden, M.V. Nijhuis
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806623/1/H2.

Datum uitspraak: 10 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting 'Stichting Welzijn aan het IJ', gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 juli 2008 in zaak nr. 07/4493 in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zeeburg van de gemeente Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2007 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zeeburg (hierna: het dagelijks bestuur) de meerjarige subsidierelatie met de stichting 'Stichting Welzijn aan het IJ' (hierna: de stichting) met ingang van 2008 beëindigd.

Bij besluit van 9 oktober 2007 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door de stichting gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 8 maart 2007 met een aangepaste motivering in stand gelaten.

Bij uitspraak van 10 juli 2008, verzonden op 22 juli 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door de stichting ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 oktober 2007 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 januari 2009.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 april 2009, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. A.F. Weenink, advocaat te Utrecht, vergezeld van haar [voormalig directeur] en [voorzitter], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. G. Knoop, advocaat te Amsterdam, vergezeld van mr. H. Bakker en mr. J. Hoek, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 8 maart 2007 heeft het dagelijks bestuur de meerjarige subsidierelatie met de stichting met ingang van 1 januari 2008 beëindigd op de grond dat de stadsdeelraad van het stadsdeel Zeeburg (hierna: de stadsdeelraad) op 21 november 2006 heeft besloten, samengevat weergegeven, de 'zorg- en welzijnsproducten' te vernieuwen, de nieuwe zorg- en welzijnstaken met ingang van 2008 aan te besteden en de bestaande structurele subsidies af te bouwen, en met ingang van 2008 op het budget voor het Sociale Domein 1,2 miljoen euro te bezuinigen. Het dagelijks bestuur heeft dit besluit bij besluit op bezwaar van 9 oktober 2007 gehandhaafd.

2.2. De stichting betoogt in de eerste plaats dat de aangevallen uitspraak innerlijk tegenstrijdig is, omdat de rechtbank daarin enerzijds bij de vaststelling dat sprake is van veranderde inzichten en gewijzigde omstandigheden ter motivering verwijst naar artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onder h, en derde lid, van de door de stadsdeelraad vastgestelde Subsidieverordening Welzijn Stadsdeel Zeeburg 2005 (hierna: de subsidieverordening), terwijl de rechtbank anderzijds het besluit op bezwaar van 9 oktober 2007 heeft vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), omdat aan dat besluit ten onrechte mede voormeld artikel 1.7 ten grondslag is gelegd.

2.2.1. Het betoog faalt, omdat dit berust op een onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak. Daartoe wordt allereerst overwogen dat het dagelijks bestuur geen hoger beroep heeft ingesteld en het hoger beroep van de stichting geen betrekking heeft op de vernietiging van het besluit van 9 oktober 2007 zodat die vernietiging thans niet in geschil is. Verder is de eerdere verwijzing naar artikel 1.7 van de subsidieverordening op pagina 3, tweede alinea, van de aangevallen uitspraak niet tegenstrijdig met het oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft daar met de verwijzing naar artikel 1.7 slechts toegelicht dat zich in dit geval niet de, tijdens de parlementaire behandeling van artikel 4:51 van de Awb genoemde, situatie voordoet dat veranderde omstandigheden ingevolge de geldende subsidieverordening niet tot een andere beslissing omtrent de subsidieverlening kunnen leiden, omdat die verordening een recht geeft op subsidie.

2.3. De stichting betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de besluiten van 8 maart 2007 en 9 oktober 2007 onbevoegdelijk zijn genomen, omdat in de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) niet is voorzien in een bevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om de uitvoering van die wet te delegeren aan het dagelijks bestuur.

2.3.1. Ingevolge artikel 156, eerste lid, tweede lid, aanhef en onder f, en vijfde lid, van de Gemeentewet, gelezen in onderling verband kan de gemeenteraad aan een deelraad de bevoegdheid tot het vaststellen van verordeningen overdragen.

Bij artikel 26, eerste lid, van de Verordening op de Stadsdelen van de gemeente Amsterdam heeft de gemeenteraad al zijn taken en bevoegdheden aan de deelraden overgedragen behoudens de bevoegdheden die krachtens artikel 156 van de Gemeentewet niet kunnen worden overgedragen.

Ingevolge artikel 1.2 van de subsidieverordening is het dagelijks bestuur belast met de uitvoering van de verordening.

2.3.2. Uit overweging 2.3.1 volgt dat de stadsdeelraad bevoegd was de subsidieverordening vast te stellen en dat het college in beginsel bevoegd was de besluiten van 8 maart 2007 en 9 oktober 2007 te nemen. Daarvoor was, anders dan de stichting meent, een delegatiebevoegdheid in de Wmo niet nodig. De rechtbank heeft mitsdien terecht in hetgeen de stichting op dit punt heeft aangevoerd, geen aanleiding gezien het besluit op bezwaar van 9 oktober 2007 te vernietigen.

2.4. De stichting betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat sprake is van veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten als bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, van de Awb. Zij voert aan, samengevat weergegeven, dat het nieuwe beleid ten tijde van het besluit van 8 maart 2007 nog niet door de stadsdeelraad was vastgesteld. Zij voert verder aan dat volgens de toelichting op artikel 1.7 van de verordening eerst op nieuw beleid een beroep kan worden gedaan nadat dit is gepubliceerd en dat dit beleid op 8 maart 2007 nog niet was gepubliceerd.

2.4.1. Het dagelijks bestuur mag een subsidie, die voor drie of meer achtereenvolgende jaren is verstrekt voor dezelfde voortdurende activiteiten, ingevolge artikel 4:51 van de Awb geheel of gedeeltelijk weigeren op de grond, dat gewijzigde inzichten zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten. Daarbij komt het dagelijks bestuur een ruime beleidsvrijheid toe. Het dagelijks bestuur heeft de stichting bij brief van 22 december 2006 meegedeeld het voornemen te hebben de subsidierelatie met de stichting per 31 december 2007 op te zeggen vanwege de in overweging 2.1. vermelde redenen, en de stichting de gelegenheid geboden over dit voornemen een zienswijze in te dienen. Na ontvangst van de zienswijze heeft het dagelijks bestuur het besluit van 8 maart 2007 genomen. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het dagelijks bestuur met het besluit van de stadsdeelraad van 21 november 2007 voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van gewijzigde inzichten en omstandigheden die zich tegen voorzetting van de subsidierelatie verzetten. Aan het eind van het besluit van 8 maart 2007 is wel een aantal beleidsstukken genoemd, maar het dagelijks bestuur heeft alleen het besluit van de stadsdeelraad van 21 november 2007 aan zijn besluiten ten grondslag gelegd.

Zoals volgt uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2008 in zaak nr. 200705490/1 is hiermee de grondslag voor de beslissing de subsidie binnen de gestelde termijn te beëindigen gegeven. Anders dan de stichting meent, is de grondslag voor de beëindiging van de subsidie alleen gelegen in artikel 4:51, eerste lid, van de Awb en vorenbedoelde gewijzigde inzichten en omstandigheden. Een nadere grondslag voor het besluit hier aan de orde is niet vereist, nu het geen weigering van een subsidieaanvraag betreft.

2.5. De stichting betoogt tot slot dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar van 9 oktober 2007 in stand heeft gelaten, alleen op de grond dat het dagelijks bestuur geen ander besluit zou nemen.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 10 december 2008 in zaak 200802431/1) dient, ingeval een besluit wordt vernietigd, de rechtbank de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil te onderzoeken, waarbij onder meer aan de orde is of aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat voor het in stand laten van de rechtsgevolgen niet is vereist dat nog slechts één beslissing mogelijk is. In een geval als thans aan de orde, waarin het dagelijks bestuur krachtens artikel 4:51, eerste lid, van de Awb op grond van gewijzigde inzichten en omstandigheden kon aankondigen de meerjarige subsidierelatie met de stichting binnen de gestelde termijn te beëindigen, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat ervan uit moet worden gegaan dat het dagelijks bestuur daarom niet tot een ander besluit zal komen dan het vernietigde besluit op bezwaar van 9 oktober 2007. De rechtbank heeft daarom terecht de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten.

2.6. De conclusie is dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dien te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Dallinga

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2009

507.