Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI7236

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
10-06-2009
Zaaknummer
200806130/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oldebroek (hierna: het college) geweigerd aan [appellante] een schadevergoeding als bedoeld in artikel 15.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer toe te kennen in verband met de intrekking van een vergunning voor een LPG-tankstation.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806130/1/M1.

Datum uitspraak: 10 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Oldebroek,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oldebroek (hierna: het college) geweigerd aan [appellante] een schadevergoeding als bedoeld in artikel 15.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer toe te kennen in verband met de intrekking van een vergunning voor een LPG-tankstation.

Bij besluit van 1 juli 2008 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 april 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J.W. Munk, advocaat te Wezep, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door J.C. Kaat, werkzaam bij de gemeente, en ing. J. Dolstra, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Eerder heeft het college het bezwaar van [appellante] bij besluit van 27 maart 2007 ongegrond verklaard. Dit besluit is door de Afdeling bestuursrechtspraak vernietigd in haar uitspraak van 13 februari 2008, nr. 200703432/1.

2.2. [appellante] betoogt dat het college heeft miskend dat de Afdeling in haar hiervoor genoemde uitspraak heeft overwogen dat het college had moeten beoordelen of, en zo ja welke, schade in redelijkheid aan het besluit tot intrekking van een vergunning voor een LPG-tankstation, en daarmee aan de juridische beëindiging van deze activiteit, is toe te rekenen. [appellante] betoogt dat evident is dat zij door het feitelijk verzoek van het college, gedaan bij brief van 17 juli 2002, om de LPG-verkoop te beëindigen en de formalisering daarvan door middel van het intrekkingsbesluit van 27 maart 2007, inkomsten derfde en derft. [appellante] verzoekt de Afdeling om, gelet daarop, zelf in de zaak te voorzien en uit te spreken dat aan [appellante] een schadevergoeding als bedoeld in artikel 15.20 van de Wet milieubeheer dient te worden toegekend van € 83.360,08, vermeerderd met de wettelijke rente alsmede een vergoeding van de kosten die [appellante] heeft moeten maken in verband met de schadevaststelling en de behandeling van het beroep.

Subsidiair verzoekt [appellante] te gelasten dat het college binnen zes weken een nieuw besluit dient te nemen op straffe van verbeurte van een dwangsom.

2.3. Ingevolge artikel 2 van het Besluit LPG-tankstations milieubeheer, voor zover hier van belang, dient degene die een LPG-tankstation drijft, behalve aan de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden, te voldoen aan de voorschriften die zijn opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage I, alsmede aan de krachtens deze voorschriften door het bevoegd gezag gestelde nadere eisen. Ingevolge Bijlage I, paragraaf 4, bij dit besluit gelden minimale afstanden tussen een vulpunt voor LPG en objecten binnen de inrichting.

2.4. Vaststaat dat [appellante], na uitbreiding van haar showroom, het LPG-tankstation niet kon exploiteren zonder artikel 2 in samenhang met paragraaf 4 van Bijlage 1 van het Besluit LPG-tankstations milieubeheer te overtreden. Het is deze omstandigheid die heeft geleid tot de beëindiging van de verkoop van LPG. Het feit dat aan de beëindiging een verzoek van het college vooraf is gegaan maakt dat niet anders. Artikel 15.20 van de Wet milieubeheer voorziet niet in een recht op vergoeding van schade die aan de hiervoor weergegeven omstandigheid is te wijten. Ook indien het college, zoals [appellante] betoogt, door onvoldoende zorgvuldigheid te betrachten bij het verlenen van de bouwvergunning, de overtreding (mede) zou hebben veroorzaakt, kan dat er niet toe leiden dat alsnog een recht op schadevergoeding krachtens artikel 15.20 van de Wet milieubeheer ontstaat. De vraag of het college door het aldus verlenen van de bouwvergunning wellicht onrechtmatig jegens [appellante] heeft gehandeld staat in deze procedure niet ter beoordeling.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding om overeenkomstig het verzoek van [appellante] een schadevergoeding op grond van artikel 15.20 van de Wet milieubeheer ter hoogte van het door haar gestelde schadebedrag vast te stellen. De door [appellante] opgestelde berekening is mede gebaseerd op het uitgangspunt dat de feitelijke beëindiging van de verkoop in 2002, en de ten gevolge daarvan gederfde inkomsten, het gevolg zijn van een op de intrekking van de vergunning vooruitlopend verzoek van het college. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat dit uitgangspunt onjuist is.

2.5. Door de sanering van LPG-tankstations in verband met de invoering van het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer, en in samenhang daarmee de brief van 21 juni 2004 waarmee het college heeft meegedeeld voornemens te zijn de vergunning in te trekken, gevolgd door de daadwerkelijke intrekking bij besluit van 27 maart 2007, is in de situatie van [appellante] in zoverre verandering gekomen, dat de mogelijkheid is vervallen om de LPG-verkoop te hervatten na opheffing van de strijdigheid met het Besluit LPG-tankstations milieubeheer. Het kan niet op voorhand worden uitgesloten dat dit rechtsgevolg financiële consequenties heeft die op grond van artikel 15.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor vergoeding in aanmerking komen. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 13 februari 2008, r.o. 2.3.3., heeft overwogen, had het college moeten beoordelen welke schade aan de juridische beëindiging van de activiteit was toe te schrijven. In het thans bestreden besluit heeft het college slechts geconstateerd dat er geen causaal verband is tussen de intrekking van de vergunning en het feitelijk staken van de verkoop van LPG. Niet is beoordeeld of de hiervoor weergegeven rechtsgevolgen van de juridische beëindiging van de activiteit op zichzelf tot (vermogens)schade leiden, die voor vergoeding op grond van artikel 15.20 van de Wet milieubeheer in aanmerking komt. Het college heeft gelet daarop geen juiste toepassing gegeven aan artikel 15.20, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zodat het bestreden besluit met deze bepaling in strijd is.

2.6. Het op artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht gebaseerde verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen, reeds omdat nadere besluitvorming vereist is en op de uitkomst daarvan niet kan worden vooruitgelopen.

2.7. Het beroep is gegrond. Het besluit van 1 juli 2008 komt voor vernietiging in aanmerking. Gelet hierop behoeft hetgeen [appellante] overigens heeft aangevoerd geen bespreking. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

Ten aanzien van het verzoek om te bepalen dat bij het niet tijdig nemen van een nieuw besluit een dwangsom wordt verbeurd, overweegt de Afdeling dat in de uitspraak van 13 februari 2008 geen termijn was gesteld voor het nemen van een nieuw besluit. De termijn waarop het college een nieuw besluit heeft genomen was niet dusdanig lang dat reeds daarom aanleiding bestaat om dit verzoek in te willigen. Het verzoek wordt afgewezen.

2.8. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. De door [appellante] opgevoerde kosten voor het opstellen van het deskundigenrapport van 4 augustus 2008, namelijk de berekening van gederfde inkomsten, komen eveneens voor vergoeding in aanmerking nu dit rapport is gebaseerd op de door het college gebruikte uitgangspunten bij het bestreden besluit op bezwaar van 1 juli 2008.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oldebroek van 1 juli 2008, kenmerk 31416;

III. draagt het college van burgemeester en wethouders van Oldebroek op om binnen dertien weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en dit besluit op de voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

V. wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oldebroek tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1293,17 (zegge: twaalfhonderddrieënnegentig euro en zeventien cent) waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Oldebroek aan [appellante] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII. gelast dat de gemeente Oldebroek aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Plambeck

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2009

159-539.