Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI7234

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
10-06-2009
Zaaknummer
200805479/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oss (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Ossfloor Tapijtfabrieken B.V." (hierna: Ossfloor) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een tapijtfabriek gelegen aan de Kantsingel 15

te Oss. Dit besluit is op 12 juni 2008 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805479/1/M2.

Datum uitspraak: 10 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Oss,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oss (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Ossfloor Tapijtfabrieken B.V." (hierna: Ossfloor) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een tapijtfabriek gelegen aan de Kantsingel 15

te Oss. Dit besluit is op 12 juni 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 juli 2008, beroep ingesteld.

[appellanten] en het college hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 april 2009, waar [appellanten], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door B.G.A. Velthausz, ing. R.W.M. Jansen en ing. R.H.R. Slangen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Ossfloor, vertegenwoordigd door ir. J.C.W. Nieuwland en J. Eekhof, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Eerst bij nadere memorie hebben [appellanten] beroepsgronden naar voren gebracht ten aanzien van de carcinogeniteit en classificatie van de vanwege de inrichting afkomstige vluchtige organische stoffen (VOS). Dit is in dit stadium van deze procedure, mede nu niet is gebleken dat dit niet eerder had gekund, in strijd met de goede procesorde. De Afdeling laat deze gronden daarom buiten beschouwing bij de beoordeling van het beroep.

2.2. Ten behoeve van de inrichting is eerder bij besluit van 17 oktober 2000 een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor diverse onderdelen van de inrichting. Bij besluit van 16 juli 2002 is krachtens de Wet milieubeheer een veranderingsvergunning verleend voor het veranderen van de productie, tot een maximum van 15% van de productietijd, van tapijt zonder schuimrug in de productie van tapijt met schuimrug (hierna: foamtapijt), waarvoor uitsluitend latex met productcode VM-120 mag worden gebruikt.

De bij het bestreden besluit verleende veranderingsvergunning heeft betrekking op de verandering van de productie, tot een maximum van 15% van de productietijd, van voornoemd foamtapijt in de productie van foamtapijt waarvoor ook andere latexsoorten mogen worden gebruikt.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4. [appellanten] betogen dat wat betreft geurhinder onvoldoende wordt voldaan aan het vereiste dat de beste beschikbare technieken worden toegepast.

2.4.1. Ingevolge artikel 1, derde lid, van de Regeling aanwijzing BBT-dcoumenten (hierna: de Regeling BBT) houdt het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening met de documenten vermeld in tabel 2 van de bij deze regeling behorende bijlage. In tabel 2 van de bijlage bij de regeling is als document onder meer de Nederlandse emissierichtlijn lucht (hierna: de NeR) opgenomen.

2.4.2. Volgens het college wordt met de aan de veranderingsvergunning verbonden voorschriften aangesloten bij de in de NeR omschreven maatregelen, waarnaar in de Regeling BBT is verwezen, en dienen deze maatregelen te worden aangemerkt als de beste beschikbare technieken ter bescherming tegen geurhinder. Het college heeft zich terecht op dit standpunt gesteld. Dat het college voor de geurbestrijding geen aansluiting heeft gezocht bij technieken die daarvoor in de veehouderij worden toegepast, is anders dan [appellanten] betogen, niet onredelijk.

De beroepsgrond faalt.

2.5. [appellanten] betogen dat de in de vergunning toegestane uitstoot van ammoniak over de gehele productietijd wordt omgeslagen, terwijl die uitstoot ingevolge voorschrift 2.1.2 van de veranderingsvergunning beperkt dient te blijven tot 15% van de productietijd. Dit brengt met zich dat de uitstoot in die periode zes maal hoger is dan bij omslag over de gehele productietijd. Daarom is dit voorschrift huns inziens niet toereikend ter voorkoming van de stankhinder ten gevolge van de productie van foamtapijt. Daarnaast betogen zij dat het bij de aanvraag om veranderingsvergunning behorende geurrapport van 27 maart 2006, opgesteld door PRA Odournet B.V. (hierna: het geurrapport), geen representatief beeld geeft van de geurbelasting van de inrichting, omdat in dit geurrapport wordt uitgegaan van een lagere productietijd per jaar (5800 uur) dan is vergund (6300 uur). Verder vrezen zij dat voorschrift 2.1.2 niet wordt nageleefd, nu uit het milieu-inspectierapport van 31 augustus 2005 blijkt dat binnen de inrichting per jaar feitelijk meer wordt geproduceerd (7100 uur).

2.5.1. Ter voorkoming dan wel beperking van geurhinder heeft het college de doelvoorschriften 2.1.1 tot en met 2.1.3 aan de veranderingsvergunning verbonden.

Ingevolge voorschrift 2.1.1 blijft voorschrift C1 uit de revisievergunning van 17 oktober 2000 onverminderd van kracht. Ingevolge voorschrift C1 mag de geuremissie vanwege de inrichting vanaf 1 januari 2002 de waarde van 2,5 geureenheden per kubieke meter, bepaald als uurgemiddelde concentratie, ter plaatse van de zuid-oostelijk gelegen aaneengesloten woonbebouwing, niet meer de 2 procent van de tijd (98 percentiel) overschrijden.

Ingevolge voorschrift 2.1.2 mag binnen de inrichting maximaal 15% van de productietijd worden gebruikt voor de productie van foamtapijt. Hiertoe dient op verzoek van het bevoegd gezag ter goedkeuring een registratie te worden overhandigd waarin wordt aangetoond dat maximaal 15% van de productietijd wordt gebruikt voor de productie van foamtapijt.

Ingevolge voorschrift 2.1.3 mag voor de productie van foamtapijt uitsluitend een latexsoort worden gebruikt waarvan, voordat deze wordt gebruikt, ter goedkeuring aan het bevoegd gezag, middels een geurrapportage is aangetoond, dat wordt voldaan aan voorschrift C1 van de revisievergunning van 17 oktober 2000.

2.5.2. Het college heeft voor de beoordeling van geurhinder en het bepalen van het acceptabele hinderniveau, de uitgangspunten in de brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 juni 1995 en de hindersystematiek uit de NeR, paragraaf 3.6.1, tot uitgangspunt genomen.

Het college heeft het acceptabele geurhinderniveau voor de productie van foamtapijt, zoals bedoeld in voorschrift 2.1.2, gehandhaafd op de in voorschrift 2.1.1 gestelde norm van 2,5 ge/m3 als 98-percentiel ter plaatse van de dichtstbijzijnde woningen buiten het industrieterrein. Daarbij heeft het college het geurrapport, alsmede de notitie van Witteveen en Bos van 26 juni 2006 (hierna: de notitie), die is opgesteld in opdracht van het college en waarin het geurrapport wordt beoordeeld, in aanmerking genomen. Uit de beschrijving van het onderzoek in het geurrapport blijkt dat de geuremissie-metingen zijn verricht tijdens de productie van foamtapijt. In het geurrapport en de notitie wordt op basis van die metingen geconcludeerd dat de voorgeschreven geurgrenswaarde niet wordt overschreden. Het betoog dat de geuremissie in 15% van de productietijd zes maal hoger is dan op grond van voorschrift 2.1.1 gedurende de gehele productietijd is toegestaan, mist derhalve feitelijke grondslag.

Ten aanzien van het betoog van [appellanten] dat het geurrapport niet representatief is, overweegt de Afdeling dat uit het stelsel van de Wet milieubeheer volgt dat het college dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Blijkens de aanvraag zijn ten opzichte van de veranderingsvergunning van 16 juli 2002 geen wijzigingen in de productietijd aangevraagd. In de veranderingsvergunning van 16 juli 2002 is een productietijd van circa 5800 uur vergund. Het betoog dat een productietijd van 6300 uur is vergund, mist dan ook feitelijke grondslag. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de aldus berekende geuremissie in het geurrapport geen representatief beeld geeft van de door de inrichting veroorzaakte geurbelasting.

2.5.3. Voor zover [appellanten] vrezen dat de aan de veranderingsvergunning verbonden voorschriften niet zullen worden nageleefd, heeft deze beroepsgrond geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande veranderingsvergunning maar slechts op de naleving en kan om die reden niet slagen.

De beroepsgrond faalt.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.7.1. 3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en drs. H. Borstlap, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Zegveld

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2009

43-584.