Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI7227

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
10-06-2009
Zaaknummer
200808984/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Loenen (hierna: het college) [appellant] op straffe van een dwangsom gelast een op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Loenen (hierna: het perceel) opgerichte garage te verwijderen, voorzover die niet in overeenstemming is met de voor het oprichten ervan verleende bouwvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808984/1/H1.

Datum uitspraak: 10 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 6 november 2008 in zaak nr. 07/3572 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Loenen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Loenen (hierna: het college) [appellant] op straffe van een dwangsom gelast een op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Loenen (hierna: het perceel) opgerichte garage te verwijderen, voorzover die niet in overeenstemming is met de voor het oprichten ervan verleende bouwvergunning.

Bij besluit van 14 november 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 november 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 12 januari 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbenden] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant], het college en [belanghebbenden] hebben elk nog nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 mei 2009, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door mr. S.J.T. Homan, en het college, vertegenwoordigd door S. Scheijven, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 7 augustus 2002 heeft het college aan [appellant] vrijstelling krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een garage met een oppervlakte van 38,13 m² en een nokhoogte van 5 m op het perceel.

2.2. Er is een garage opgericht met een oppervlakte van 43,45 m² en een nokhoogte van 6,5 m. Niet in geschil is dat dit niet in overeenstemming is met de verleende bouwvergunning. De last strekt ertoe de garage in overeenstemming te brengen met hetgeen is vergund.

2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan dat niet doen. Dit kan zich voordoen, indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat in verband daarmee van handhavend optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de last niet mocht opleggen, omdat concreet zicht op legalisering bestaat. Voor de afwijkingen kan vrijstelling en bouwvergunning worden verleend met toepassing van de afwijkingsbevoegdheid, vervat in het door het college bij besluit van 23 januari 2007 vastgestelde "Beleid artikel 19 lid 3 jo artikel 20 Bro-beleid (hierna: het beleid), dan wel krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO, aldus [appellant].

2.4.1. Niet in geschil is dat de garage, zoals gerealiseerd, niet voldoet aan de volgens het beleid voor het verlenen van vrijstelling voor de uitbreiding van een vrijstaand bijgebouw gestelde eisen. Het college is niet bereid niettemin vrijstelling te verlenen om de afwijking te legaliseren, omdat zich naar zijn oordeel geen bijzondere omstandigheden voordoen, legalisering tot ongewenste precedentwerking leidt en de rechtszekerheid van het beleid erdoor wordt aangetast, nu voor de garage al bouwvergunning is verleend onder verlening van vrijstelling en de in het beleid opgenomen afwijkingsbevoegdheid niet tot doel heeft regels op te rekken, teneinde overtredingen te legaliseren.

In beginsel volstaat het enkele feit dat het daartoe bevoegde bestuursorgaan niet bereid is vergunning te verlenen voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisering bestaat. Er bestaan voorts in dit geval geen aanknopingspunten om op voorhand aan te nemen dat, indien om vrijstelling en bouwvergunning ter legalisering van de garage zou worden verzocht en die zouden worden geweigerd, die weigering in rechte geen stand zou houden.

2.4.2. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet op het betoog is ingegaan dat het college ten onrechte niet heeft onderzocht of voor de afwijkingen met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling kon worden verleend, is dit tevergeefs. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 januari 2004 in zaak nr. 200303592/1), moet uit artikel 19, eerste lid, van de WRO en de Nota van Wijziging (Kamerstukken II, 1997-1998, 25 311, nr. 7, blz. 12) worden afgeleid dat, indien krachtens artikel 19, tweede of derde lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend, geen vrijstelling krachtens artikel 19, eerste lid, van die wet kan worden verleend.

2.4.3. De conclusie is dat de rechtbank terecht geen concreet zicht op legalisering heeft aangenomen. Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat om die reden niettemin van optreden behoorde te worden afgezien. Daartoe voert hij aan dat de overtreding niet opzettelijk is begaan, die van geringe aard is, zijn belangen om niet te hoeven afbreken groot zijn en de belangen van [belanghebbenden] bij handhaving gering.

2.5.1. Ook dat betoog faalt. De rechtbank heeft terecht geen bijzondere omstandigheden aannemelijk gemaakt geacht, in verband waarmee geoordeeld moet worden dat handhavend optreden voor [appellant] zodanig bezwarend is, dat het college daarvan om die reden diende af te zien. In dit verband is van belang dat het college bouwen in afwijking van de daarvoor verleende bouwvergunning, waardoor de volgens het gevoerde beleid maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen en de maximaal toegestane nokhoogte wordt overschreden, terecht niet als een overtreding van geringe aard en ernst heeft aangemerkt. Dat [belanghebbenden], naar gesteld, geen wezenlijke hinder van de gerealiseerde garage ondervindt, is evenmin een omstandigheid, in verband waarmee het college van handhavend optreden diende af te zien, reeds omdat daartoe ook in het algemeen belang is besloten. Dat het voldoen aan de last, naar [appellant] stelt, voor hem hoge kosten met zich brengt, biedt evenmin grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan de desbetreffende belangen van [appellant] geen doorslaggevend gewicht toekomt. Daarbij is mede van belang dat [appellant] door al dan niet opzettelijk in afwijking van de aan hem verleende bouwvergunning te bouwen het risico van gedwongen afbraak heeft aanvaard.

2.6. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat het college de dwangsom niet in redelijkheid zo hoog heeft kunnen vaststellen, als het heeft gedaan.

2.6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraak van 25 juli 2007 in zaak nr. 200607858/1), heeft het opleggen van een dwangsom tot doel de aangeschrevene tot naleving van de opgelegde last te bewegen, zodat deze niet wordt verbeurd. De gekozen dwangsom van € 3000,00 per week is niet zo hoog, dat geoordeeld moet worden dat die niet in redelijke verhouding staat tot de door de overtreding geschonden belangen. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de dwangsom niet heeft geleid tot beëindiging van de overtreding, hoewel

[appellant] daartoe wel gehouden was. Ook dat betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.E.B. de Haseth, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. De Haseth

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2009

476.