Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI7226

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
10-06-2009
Zaaknummer
200808442/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (hierna: het college) een verzoek van appellanten (hierna: Space Exhibitions) om handhavend op te treden tegen het gebruik dat van het perceel [locatie 1] te Heerlen (hierna: het perceel) wordt gemaakt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808442/1/H1.

Datum uitspraak: 10 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Space Exhibitions B.V. en [appellanten], gevestigd, onderscheidenlijk beiden wonend, te Heerlen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 10 oktober 2008 in zaak nr. 08/370 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (hierna: het college) een verzoek van appellanten (hierna: Space Exhibitions) om handhavend op te treden tegen het gebruik dat van het perceel [locatie 1] te Heerlen (hierna: het perceel) wordt gemaakt afgewezen.

Bij besluit van 28 januari 2008 heeft het college het door Space Exhibitions daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 oktober 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het door Space Exhibitions daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben Space Exhibitions bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 november 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 2 december 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 mei 2009, waar Space Exhibitions, vertegenwoordigd door mr. J.H.P. Hardy, advocaat te Maastricht, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.A.L. Devoi, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende] in persoon gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het afgewezen verzoek ziet op gestelde dressuuractiviteiten en het geven van dressuurlessen in de buitenbak op het perceel en gesteld gebruik van de op het perceel aanwezige paardenschuilplaats voor de opslag van een olietank, voertuigen en materialen.

2.2. Space Exhibitions betogen dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderzocht of de paardenschuilplaats in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt.

2.2.1. Het door Space Exhibitions tegen het besluit van 28 januari 2008 bij de rechtbank ingestelde beroep betrof de handhaving van de weigering handhavend tegen het geven van lessen in de buitenbak op te treden. Door haar onderzoek daartoe te beperken, heeft de rechtbank de grenzen van het aan haar voorgelegde geschil, zoals die in artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht worden getrokken, op juiste wijze in acht genomen.

Het betoog faalt.

2.3. Space Exhibitions betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte niet heeft aangenomen dat de buitenbak voor het geven van dressuurlessen wordt gebruikt. Daartoe voeren zij aan dat de uitgevoerde controles van tevoren waren aangekondigd en dat [belanghebbende] zelf heeft verklaard dat in de buitenbak dressuurlessen worden gegeven.

2.3.1. Ingevolge het bestemmingsplan "[locatie 2]-[locatie 1]" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Sportieve recreatie paardenpension Rs (p)".

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de voorschriften bij dat plan zijn de op de plankaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor paardenpension.

Ingevolge het tweede lid, zijn op zulke gronden toegestaan: accommodatie paardenpension, paarden-buitenbak, verharding, groenvoorzieningen, bijbehorende voorzieningen (waaronder lichtmasten).

Ingevolge het vijfde lid is op zulke gronden in ieder geval niet toegestaan het organiseren van wedstrijden en/of toernooien en het uitoefenen van horeca-activiteiten.

In de toelichting bij het bestemmingsplan is ten aanzien van deze bestemming vermeld dat het achterste deel van het perceel bestemd is voor paardenstallen ten behoeve van het paardenpension. De paarden-buitenbak achter het pand aan de Zandweg 126 is bestemd voor het berijden van paarden die in de stallen van het paardenpension staan. In de buitenbak mogen geen lessen worden gegeven of wedstrijden worden gehouden, daar dat overlast kan bezorgen voor de omgeving, aldus de toelichting.

2.3.2. In het besluit van 28 januari 2008 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat zulke activiteiten op het perceel niet plaatsvinden. Het heeft op 17 juli 2007 en op 16 januari 2008 op het perceel controles uitgevoerd. Daarbij is niet gebleken dat de buitenbak voor het geven van dressuurlessen werd gebruikt. Wel bleek dat de buitenbak gedeeltelijk met mos is begroeid, wat er volgens het college op wijst dat die niet of nauwelijks gebruikt wordt.

De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op dat standpunt heeft gesteld. Met name geeft de gestelde omstandigheid dat de controles niet onverwacht werden uitgevoerd op zichzelf geen grond voor het oordeel dat het besluit van 28 januari 2008 in strijd met het vereiste dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart is genomen.

Voorts heeft de rechtbank in de door [belanghebbende] in de schriftelijke uiteenzetting in beroep van 24 april 2008 gegeven verklaring terecht evenmin grond gevonden voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op dat standpunt heeft gesteld, nu [belanghebbende] ter zitting van de rechtbank te kennen heeft gegeven dat deze verklaring aldus moet worden begrepen, dat geen lessen worden gegeven, maar de buitenbak gebruikt wordt door zijn kinderen, die bij het paardrijden van zijn echtgenote aanwijzingen krijgen. Het college heeft dat terecht niet aangemerkt als door de voorschriften van het bestemmingsplan niet toegestaan gebruik. Space Exhibitions hebben voorts bij het college geen verklaringen of ander bewijs overgelegd van hun stelling dat de buitenbak ook anders en wel voor het geven van dressuurlessen wordt gebruikt.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.E.B. de Haseth, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. De Haseth

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2009

476.