Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI6538

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2009
Datum publicatie
05-06-2009
Zaaknummer
200902689/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / Dublinverordening / geen verplichting voor verantwoordelijke lidstaat om in andere lidstaat ingediende asielaanvraag te behandelen / voortvarendheid / ontbreken voortgangsrapportage / mededelingen ter zitting

Het betoog van de vreemdeling dat zijn terugname door Nederland meebrengt dat het door hem in België ingediende asielverzoek door de Nederlandse autoriteiten moet worden behandeld, faalt. De in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening bedoelde verplichting het asielverzoek volledig te behandelen omvat, gelet op de begripsomschrijving in artikel 2, aanhef en onder e, en het bepaalde in artikel 16, vierde lid, mede dat de verantwoordelijke lidstaat de nodige maatregelen neemt en ten uitvoer legt om ervoor te zorgen dat de vreemdeling wiens asielverzoek is afgewezen die lidstaat verlaat. Die bepalingen bevatten echter geen verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om indien een vreemdeling op grond van het bepaalde in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, van de Verordening is teruggenomen van een andere lidstaat, de behandeling van het door die vreemdeling na diens vertrek uit de verantwoordelijke lidstaat in die andere lidstaat ingediende asielverzoek op zich te nemen. Voorts heeft de vreemdeling, nadat hij aan Nederland was overgedragen, hier te lande niet opnieuw een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Derhalve is hij terecht op de voet van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Van de staatssecretaris mag worden verwacht dat hij, met het oog op de behandeling van een door een vreemdeling dan wel bij wijze van kennisgeving als bedoeld in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 aanhangig gemaakt beroep tegen een opgelegde maatregel van bewaring, tijdig de bij hem berustende op die zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toezendt. Tot die stukken behoren ook gegevens omtrent de voortgang van de ter voorbereiding van de uitzetting ontplooide activiteiten, zoals deze onder meer blijken uit de zogeheten voortgangsrapportage. De enkele omstandigheid dat de staatssecretaris zodanige gegevens niet heeft overgelegd, betekent echter niet dat de inbewaringstelling van de vreemdeling onrechtmatig moet worden geacht. Gezien de ter zitting van de rechtbank door de staatssecretaris gedane mededelingen omtrent de tijdens de inbewaringstelling van de vreemdeling verrichte handelingen ter voorbereiding van diens uitzetting, waarbij de vreemdeling betrokken is geweest en waarvan de juistheid door hem niet is betwist, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris in dit geval niet met de van hem in dit opzicht te verlangen voortvarendheid te werk is gegaan. Onder de gegeven omstandigheden is een nadere toetsing aan de hand van door de staatssecretaris te verstrekken schriftelijke informatie inzake de gemaakte voortgang niet noodzakelijk.

Het betoog faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902689/1/V3.

Datum uitspraak: 29 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 7 april 2009 in zaak nr. 09/8550 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2009 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 april 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 14 april 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief betoogt de staatssecretaris, voor zover thans van belang, dat de rechtbank, door te overwegen dat de vreemdeling, gelet op de door hem in België ingediende asielaanvraag en zijn uitlatingen tijdens het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling, in voldoende mate te kennen heeft gegeven dat hij een asielaanvraag wenste in te dienen en dat, nu hij daartoe niet in de gelegenheid is gesteld, de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, buiten de omvang van het geschil is getreden.

2.1.1. Uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting en de daaraan gehechte pleitnota blijkt niet dat de vreemdeling zich op het standpunt heeft gesteld dat hij niet in de gelegenheid is gesteld een asielaanvraag in te dienen. Zulks blijkt evenmin uit de brief van de vreemdeling aan de rechtbank van 1 april 2009, waarin hij heeft gereageerd op een naar aanleiding van de heropening van het onderzoek aan de rechtbank verzonden brief van de staatssecretaris van 31 maart 2009. Omdat de beoordeling van dit aspect ook niet behoort tot de door de rechtbank te verrichten ambtshalve toetsing, nu die beoordeling niet strekt tot toepassing van een voorschrift van openbare orde, betoogt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden. De grief slaagt reeds hierom.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens in hoger beroep is aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.

2.3. In beroep heeft de vreemdeling betoogd dat de staatssecretaris hem op een onjuiste grond in bewaring heeft gesteld. Daartoe heeft hij, onder verwijzing naar diverse artikelen van de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen, welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening), betoogd dat Nederland niet alleen hem maar ook het door hem in België ingediende asielverzoek heeft overgenomen en dat de staatssecretaris hem derhalve niet anders dan op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in bewaring had mogen stellen. De staatssecretaris heeft met betrekking tot de behandeling van voormeld asielverzoek niet voortvarend gehandeld, aldus de vreemdeling.

2.3.1. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder e, van de Verordening wordt onder het behandelen van een asielverzoek verstaan: alle maatregelen in verband met de behandeling van en beslissingen of uitspraken van bevoegde instanties over een asielverzoek overeenkomstig het nationale recht, met uitzondering van de procedures waarbij wordt bepaald welke lidstaat krachtens de bepaling van deze verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, is de lidstaat die krachtens de Verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek verplicht het asielverzoek volledig te behandelen.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder e, is de lidstaat die krachtens de Verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek verplicht een onderdaan van een derde land wiens verzoek is afgewezen en die zich ophoudt in een andere lidstaat zonder daarvoor toestemming te hebben gekregen, volgens de in artikel 20 bepaalde voorwaarden terug te nemen.

2.3.2. De vreemdeling is op de voet van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, van de Verordening door Nederland teruggenomen van België. De overdracht aan Nederland heeft plaatsgevonden op 10 maart 2009.

2.3.3. Het betoog van de vreemdeling dat zijn terugname door Nederland meebrengt dat het door hem in België ingediende asielverzoek door de Nederlandse autoriteiten moet worden behandeld, faalt. De in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening bedoelde verplichting het asielverzoek volledig te behandelen omvat, gelet op de begripsomschrijving in artikel 2, aanhef en onder e, en het bepaalde in artikel 16, vierde lid, mede dat de verantwoordelijke lidstaat de nodige maatregelen neemt en ten uitvoer legt om ervoor te zorgen dat de vreemdeling wiens asielverzoek is afgewezen die lidstaat verlaat. Die bepalingen bevatten echter geen verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om indien een vreemdeling op grond van het bepaalde in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, van de Verordening is teruggenomen van een andere lidstaat, de behandeling van het door die vreemdeling na diens vertrek uit de verantwoordelijke lidstaat in die andere lidstaat ingediende asielverzoek op zich te nemen. Voorts heeft de vreemdeling, nadat hij aan Nederland was overgedragen, hier te lande niet opnieuw een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Derhalve is hij terecht op de voet van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

2.4. De vreemdeling heeft voorts betoogd dat de staatssecretaris had behoren te volstaan met een lichter middel dan de maatregel van bewaring. In dat verband heeft de vreemdeling een door zijn zuster en zwager ondertekende garantstelling overgelegd.

2.4.1. De bewaring berust volgens het besluit van 10 maart 2009 op de volgende gronden:

"Deze maatregel wordt gevorderd door het belang van de openbare orde omdat er aanwijzingen zijn om te vermoeden dat de vreemdeling zich aan de uitzetting zal onttrekken, hetgeen blijkt uit het feit dat de vreemdeling:

- niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit;

- zich bedient van een of meer aliassen;

- geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

- eerder niet rechtmatig in Nederland heeft verbleven;

- niet beschikt over voldoende middelen van bestaan om in zijn levensonderhoud te voorzien en/of om zijn terugreis te bekostigen."

2.4.2. De vreemdeling heeft de gronden die aan de bewaring ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. Gelet op die gronden en in aanmerking genomen dat de staatssecretaris zich ter zitting van de rechtbank onweersproken op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling sinds

10 mei 2006 met onbekende bestemming is vertrokken en zich daarmee aan toezicht heeft ontrokken en de garantstelling er niet toe kan strekken dat de vreemdeling waarop zij betrekking heeft, zich niet aan uitzetting zal onttrekken, heeft de staatssecretaris daarin in redelijkheid geen grond hoeven vinden af te zien van inbewaringstelling en in plaats daarvan een lichter middel toe te passen. Het betoog faalt.

2.5. De vreemdeling heeft verder betoogd dat hij psychische hulp nodig heeft, in dat verband kaarten overgelegd met afspraken voor ambulante geestelijke gezondheidszorg en gesteld dat zodanige hulp op de detentieboot alwaar hij verblijft onvoldoende is.

Voor zover op de door de vreemdeling overgelegde afsprakenkaarten jaartallen zijn vermeld blijkt daaruit dat deze kaarten betrekking hebben op de jaren 2002 en 2003. Uit die kaarten kan derhalve niet worden afgeleid dat de vreemdeling thans daadwerkelijk psychische hulp nodig heeft. Nu hij zulks ook anderszins niet aannemelijk heeft gemaakt, faalt het betoog reeds hierom.

2.6. De vreemdeling heeft ten slotte betoogd dat in het dossier de stukken inzake de voortgang ontbreken en derhalve slechts kan worden afgegaan op hetgeen de staatssecretaris daarover ter zitting mededeelt zonder dat enige controle op het voortvarend handelen mogelijk is. Het recht op rechtsbijstand en controle door de rechter voortvloeiend uit artikel 5 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden wordt zo benadeeld. Dat maakt de bewaring onrechtmatig, aldus de vreemdeling.

2.6.1. Van de staatssecretaris mag worden verwacht dat hij, met het oog op de behandeling van een door een vreemdeling dan wel bij wijze van kennisgeving als bedoeld in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 aanhangig gemaakt beroep tegen een opgelegde maatregel van bewaring, tijdig de bij hem berustende op die zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toezendt. Tot die stukken behoren ook gegevens omtrent de voortgang van de ter voorbereiding van de uitzetting ontplooide activiteiten, zoals deze onder meer blijken uit de zogeheten voortgangsrapportage. De enkele omstandigheid dat de staatssecretaris zodanige gegevens niet heeft overgelegd, betekent echter niet dat de inbewaringstelling van de vreemdeling onrechtmatig moet worden geacht. Gezien de ter zitting van de rechtbank door de staatssecretaris gedane mededelingen omtrent de tijdens de inbewaringstelling van de vreemdeling verrichte handelingen ter voorbereiding van diens uitzetting, waarbij de vreemdeling betrokken is geweest en waarvan de juistheid door hem niet is betwist, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris in dit geval niet met de van hem in dit opzicht te verlangen voortvarendheid te werk is gegaan. Onder de gegeven omstandigheden is een nadere toetsing aan de hand van door de staatssecretaris te verstrekken schriftelijke informatie inzake de gemaakte voortgang niet noodzakelijk.

Het betoog faalt.

2.7. Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 10 maart 2009 dient alsnog ongegrond te worden verklaard. Er is geen grond voor schadevergoeding.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 7 april 2009 in zaak nr. 09/8550;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Vonk

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2009

345.

Verzonden: 29 mei 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak