Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI6510

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2009
Datum publicatie
05-06-2009
Zaaknummer
200804971/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / vrijstelling / artikel 7, eerste alinea, van Besluit 1/80 / gezinsleden van Turkse werknemer / blijvend volledig arbeidsongeschikt / buiten de legale arbeidsmarkt

De vreemdeling is op 19 oktober 2000 Nederland binnengekomen. Op 14 november 2000 is hij met ingang van die datum in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking 'verblijf bij ouder [naam ouder]'. De geldigheidsduur van deze vergunning is laatstelijk verlengd tot 1 september 2005.

Blijkens het verslag van de ambtelijke hoorzitting van 24 mei 2007 woont de vreemdeling sedert augustus 2004 niet meer bij zijn ouders en woont zijn vader sinds december 2005 weer in Turkije.

In zijn brief van 29 oktober 2007 aan de rechtbank heeft de staatssecretaris gesteld dat de vader van de vreemdeling ten tijde van de toelating van de vreemdeling op 14 november 2000 reeds 24 jaar een WAO uitkering ontving en volledig arbeidsongeschikt was. Dit is niet door de vreemdeling weersproken, zodat van de juistheid van die stelling moet worden uitgegaan.

Op grond van het voorgaande moet worden aangenomen dat gedurende de periode dat de vreemdeling bij zijn vader woonde, de vader blijvend en volledig arbeidsongeschikt was en derhalve niet behoorde tot de legale arbeidsmarkt in de zin van artikel 7 van Besluit nr. 1/80, zodat de vreemdeling reeds om die reden niet in de termen van die bepaling valt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 16
Vreemdelingenwet 2000 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/296
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804971/1/V1.

Datum uitspraak: 29 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 29 mei 2008 in zaak nr. 07/30038 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2006 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om verlenging van de geldigheidsduur van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.

Bij besluit van 28 juni 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 29 mei 2008, verzonden op 2 juni 2008, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 30 juni 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De aanvraag van de vreemdeling om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking 'verblijf bij ouder [naam ouder]' is afgewezen op de grond dat hij de aanvraag niet tijdig heeft ingediend, dit hem moet worden toegerekend zodat de aanvraag wordt beschouwd als een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning regulier, en de vreemdeling niet beschikt over de vereiste machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv).

2.2. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel, waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Ingevolge het tweede lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv.

Ingevolge artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, is van het vereiste van een geldige mvv, op grond van artikel 17, eerste lid, onder g, van de Vw 2000, vrijgesteld de vreemdeling die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (hierna: Besluit nr. 1/80).

Ingevolge artikel 7, eerste alinea, van Besluit nr. 1/80 hebben gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen, het recht om – onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang – te reageren op een arbeidsaanbod, wanneer zij sedert tenminste drie jaar aldaar legaal wonen, en vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te hunner keuze, wanneer zij sedert tenminste vijf jaar aldaar legaal wonen.

2.3. In de in het hoger beroepschrift geformuleerde grieven klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de vader van de vreemdeling, die naast de Turkse ook de Nederlandse nationaliteit bezit, niet langer te beschouwen is als een Turkse werknemer in de zin van artikel 7 van Besluit nr. 1/80.

De staatssecretaris voert in dit verband onder meer aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat, daargelaten de vraag of de omstandigheid dat de vader tevens in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit aan de toepasselijkheid van Besluit nr. 1/80 in de weg staat, de vader ten tijde van belang niet kon worden beschouwd als een Turkse werknemer in de zin van Besluit nr. 1/80 omdat hij geen deel meer uitmaakte van de legale arbeidsmarkt.

2.4. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen volgt dat een Turkse werknemer, indien hij blijvend volledig arbeidsongeschikt is geworden, buiten de legale arbeidsmarkt in de zin van artikel 7 van Besluit nr. 1/80 van de lidstaat van ontvangst staat (arrest van 18 december 2008, Altun, C 337/07, JV 2009/43).

2.5. De vreemdeling is op 19 oktober 2000 Nederland binnengekomen. Op 14 november 2000 is hij met ingang van die datum in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking 'verblijf bij ouder [naam ouder]'. De geldigheidsduur van deze vergunning is laatstelijk verlengd tot 1 september 2005.

Blijkens het verslag van de ambtelijke hoorzitting van 24 mei 2007 woont de vreemdeling sedert augustus 2004 niet meer bij zijn ouders en woont zijn vader sinds december 2005 weer in Turkije.

In zijn brief van 29 oktober 2007 aan de rechtbank heeft de staatssecretaris gesteld dat de vader van de vreemdeling ten tijde van de toelating van de vreemdeling op 14 november 2000 reeds 24 jaar een WAO uitkering ontving en volledig arbeidsongeschikt was. Dit is niet door de vreemdeling weersproken, zodat van de juistheid van die stelling moet worden uitgegaan.

2.6. Op grond van het voorgaande moet worden aangenomen dat gedurende de periode dat de vreemdeling bij zijn vader woonde, de vader blijvend en volledig arbeidsongeschikt was en derhalve niet behoorde tot de legale arbeidsmarkt in de zin van artikel 7 van Besluit nr. 1/80, zodat de vreemdeling reeds om die reden niet in de termen van die bepaling valt.

De grieven slagen reeds hierom.

2.7. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.8. Van proceskosten in hoger beroep is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 29 mei 2008 in zaak nr. 07/30038;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. De Groot

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2009

210.

Verzonden: 29 mei 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak