Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI6095

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-2009
Datum publicatie
03-06-2009
Zaaknummer
200807197/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 augustus 2007 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) een verzoek van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Restauratiebedrijf De Westerschelde B.V. (hierna: De Westerschelde) om nadeelcompensatie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/512
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807197/1/H2.

Datum uitspraak: 3 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Restauratiebedrijf de Westerschelde B.V., gevestigd te Vlissingen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 15 augustus 2008 in zaak nr. 07/1333 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Restauratiebedrijf De Westerschelde B.V.

en

de minister van Verkeer en Waterstaat.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2007 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) een verzoek van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Restauratiebedrijf De Westerschelde B.V. (hierna: De Westerschelde) om nadeelcompensatie afgewezen.

Bij besluit van 20 november 2007 heeft de minister het daartegen door De Westerschelde gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 augustus 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door De Westerschelde ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft De Westerschelde bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 september 2008, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2009, waar De Westerschelde, vertegenwoordigd door L.T. de Lange, adviseur te Nieuwerkerk aan den IJssel, vergezeld door [directeur] van De Westerschelde, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.C.M. Bol, advocaat te Middelburg, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Volgens artikel 2, eerste lid, van de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 (hierna: de Regeling) kent de minister aan degene die schade lijdt of zal lijden als gevolg van de rechtmatige uitoefening door of namens de minister van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid of taak, op verzoek een vergoeding toe, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

Volgens artikel 5 wordt schade ten gevolge van een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, die voor de belanghebbende redelijkerwijs voorzienbaar was ten tijde van de beslissing te investeren in het geschade belang, niet vergoed.

2.2. De Westerschelde heeft gedurende vele decennia, laatstelijk krachtens op 2 januari 1992 en 28 december 1999 met de provincie Zeeland gesloten exploitatieovereenkomsten, een exclusief recht tot het exploiteren van de horecavoorzieningen aan boord van de veerboten op de autoveerdienst tussen Vlissingen en Breskens gehad. In die exploitatieovereenkomsten is bepaald dat, voor zover thans van belang, de overeenkomst eindigt door beëindiging van de exploitatie van de veerdiensten in de huidige vorm als gevolg van de openstelling van de Westerscheldetunnel.

Op 15 maart 2003 is de Westerscheldetunnel in gebruik genomen en is de autoveerdienst beëindigd. Bij brief van 3 juli 2003 heeft De Westerschelde verzocht om vergoeding van de schade die zij daardoor heeft geleden.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat De Westerschelde, gezien de exploitatieovereenkomsten van 2 januari 1992 en 28 december 1999, wist dat de exploitatie van de autoveerdienst bij de openstelling van de Westerscheldetunnel zou eindigen, zodat van haar redelijkerwijs kon worden verlangd dat zij in haar bedrijfsvoering op deze gebeurtenis zou anticiperen. Door haar bedrijfsactiviteiten niettemin voort te zetten, heeft De Westerschelde bewust een risico aanvaard, zodat de minister het verzoek om nadeelcompensatie op grond van artikel 5 van de Regeling mocht afwijzen, aldus de rechtbank.

2.4. De Westerschelde betoogt dat de rechtbank dat ten onrechte heeft overwogen. Daartoe voert zij aan dat het verzoek om nadeelcompensatie, gezien het advies van de door de minister geraadpleegde schadecommissie, als een verzoek om vergoeding van planschade is behandeld, zodat artikel 5 van de Regeling niet van toepassing is. Voorts voert zij aan dat zij geen andere keuze had dan de exploitatieovereenkomsten van 2 januari 1992 en 28 december 1999 te ondertekenen, omdat anders de opgebouwde goodwill verloren zou gaan en het voortbestaan van de onderneming, die volledig van de autoveerdienst afhankelijk was, in gevaar zou komen.

2.4.1. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de minister bij de in bezwaar gehandhaafde beslissing op het verzoek om nadeelcompensatie terecht het besluit van de ministerraad van 29 september 1995 als schadeveroorzakend besluit heeft aangemerkt en niet, zoals de schadecommissie in haar advies, ook het Tracébesluit van Provinciale Staten van Zeeland van 1 maart 1991. De grief van De Westerschelde dat de schadecommissie in afwijking van de voor planschade geldende criteria ten onrechte is uitgegaan van laatstvermelde datum kan reeds hierom geen doel treffen. Dat de schadecommissie in haar advies de voorwaarden voor vergoeding van planschade mede in acht heeft genomen, betekent niet dat de minister de conclusie van de commissie dat de schade op grond van actieve risicoaanvaarding voor rekening van De Westerschelde moet blijven, niet mocht volgen en hij het verzoek niet krachtens artikel 5 van de Regeling mocht afwijzen.

In de door De Westerschelde gesloten exploitatieovereenkomsten is bepaald dat deze overeenkomsten eindigen bij het openstellen van de Westerscheldetunnel. Hoewel lang onduidelijk is gebleven of de veerdienst na de openstelling van de Westerscheldetunnel zou worden opgeheven of in aangepaste vorm zou blijven bestaan, brengt dit mee dat deze schadeveroorzakende gebeurtenis voor De Westerschelde redelijkerwijs voorzienbaar was vanaf de dag waarop de ministerraad heeft besloten dat het Rijk samen het de provincie Zeeland voor de realisering van de Westerscheldetunnel zorg zal dragen. Dat besluit is op 29 september 1995 genomen.

Door een exploitatieovereenkomst met de provincie Zeeland af te sluiten, heeft De Westerschelde een investeringsbeslissing, als bedoeld in artikel 5 van de Regeling, genomen. Dat De Westerschelde voorafgaande aan de beslissing van de ministerraad gedurende vele decennia een exclusief exploitatierecht van de horecavoorzieningen op de autoveerdienst heeft gehad, brengt niet met zich dat de minister ten onrechte het verzoek om nadeelcompensatie krachtens artikel 5 van de Regeling heeft afgewezen en het door De Westerschelde geleden nadeel als gevolg van het in gebruik nemen van de Westerscheldetunnel en het beëindigen van de autoveerdienst voor haar rekening heeft gelaten. Daarbij is van belang dat De Westerschelde het exploitatierecht voor een bepaalde tijd had verkregen, dat zij steeds rekening diende te houden met de mogelijkheid dat dit recht te zijner tijd niet zou worden verlengd en dat zij aan de feitelijke duur van de exploitatie van de horecavoorzieningen op de autoveerdienst niet het in rechte te honoreren vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat zij de exploitatie tot in lengte van dagen zou kunnen voortzetten. Voorts heeft De Westerschelde sinds de beslissing van de ministerraad nog ruim zeven jaar de tijd gehad haar bedrijfsvoering aan te passen.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2009

452.