Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI6082

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-2009
Datum publicatie
03-06-2009
Zaaknummer
200805367/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2007 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) aan [appellante] een bestuurlijke boete van € 4050,00 opgelegd krachtens de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (hierna: de Arbowet) in verband met een arbeidsongeval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805367/1/H3.

Datum uitspraak: 3 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2008 in zaak nr. 07/3180 in het geding tussen:

[appellante]

en

de staatssecretaris (lees: de minister) van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2007 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) aan [appellante] een bestuurlijke boete van € 4050,00 opgelegd krachtens de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (hierna: de Arbowet) in verband met een arbeidsongeval.

Bij besluit van 31 juli 2007 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 juni 2008, verzonden op 30 juni 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juli 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 29 juli 2008.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door haar [directeur], bijgestaan door mr. H.S. de Lint, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J. dos Santos, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Arbowet worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld in verband met arbeidsomstandigheden van de werknemers.

Ingevolge het tiende lid, voor zover thans van belang, zijn de werkgever en de werknemers verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden als bedoeld in de op grond van dit artikel vastgestelde algemene maatregel van bestuur voor zover en op de wijze als bij deze maatregel is bepaald.

Ingevolge artikel 33, tweede lid, wordt als beboetbaar feit tevens aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in dat artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als beboetbaar feit. Ter zake van de feiten, bedoeld in de vorige volzin, wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald of een boete kan worden opgelegd van de eerste of tweede categorie.

Ingevolge artikel 3.16, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: het Arbobesluit) is bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat zo mogelijk een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer aangebracht of is het gevaar tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen.

Ingevolge artikel 9.1 is de werkgever verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden welke bij of krachtens dit besluit zijn gesteld, met uitzondering van de artikelen 1.25, 2.6, 2.26 tot en met 2.29, 2.32 tot en met 2.34 en 2.36 en 7.21.

Ingevolge artikel 9.9c, eerste lid, aanhef en onder c, voor zover thans van belang, wordt als beboetbaar feit ter zake waarvan een boete kan worden opgelegd van de tweede categorie, aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in artikel 3.16, eerste en vierde lid, van het Arbobesluit.

2.2. Grondslag voor het opleggen van de boete is een arbeidsongeval op 3 mei 2006. Door werknemers van [appellante] werden werkzaamheden aan een in aanbouw zijnde dakconstructie van een schuur verricht, bestaande uit het leggen van een balklaag en het daarop bevestigen van zogeheten underlaymentplaten. Het slachtoffer heeft bij de uitvoering van die werkzaamheden getracht een dragende balk te verleggen. Hierbij heeft hij zich met één been afgezet tegen een steens muurtje van circa 2.75 meter hoog. Hij is gevallen toen stenen van dit muurtje afbrokkelden en hij zijn evenwicht verloor. Door deze val heeft het slachtoffer ernstig lichamelijk letsel opgelopen, waarvoor hij in het ziekenhuis moest worden opgenomen.

2.3. [appellante] betwist niet dat het ongeval is ontstaan doordat het slachtoffer zich heeft afgezet tegen het muurtje en dit vervolgens afbrokkelde. Zij betoogt evenwel dat de door de minister gestelde overtreding van de Arbowet haar niet kan worden verweten. Hiertoe voert zij aan dat met de werknemers was besproken dat het muurtje instabiel was en dat de werkzaamheden moesten worden verricht vanaf de steiger die aan de binnenzijde van het pand was geplaatst. Ter zitting bij de Afdeling heeft de directeur van [appellante] verklaard dat de werknemers als werkinstructie hadden gekregen de underlaymentplaten alleen te leggen voor zover dit vanaf de steiger mogelijk was en te wachten met het leggen van het resterende deel van deze platen tot het muurtje was opgemetseld. [appellante] voert aan dat het slachtoffer bij zijn poging de balk recht te leggen tegen de werkinstructie in die verrichting deels vanaf het muurtje heeft uitgevoerd. Zij stelt dat hij die handeling had kunnen en moeten uitvoeren vanaf de steiger of het gedeelte van het dak dat reeds met underlaymentplaten was afgedicht. De omstandigheid dat geen toezichthouder aanwezig was op het moment van het ongeval doet er niet aan af dat met de gegeven werk- en veiligheidsinstructies voldoende toezicht is gehouden. Hierbij is van belang dat het slachtoffer een ervaren kracht was, aldus [appellante]. Zij stelt dat aan de verklaring over de werk- en veiligheidsinstructie die het slachtoffer kort na het ongeval in het ziekenhuis heeft afgelegd tegenover de inspecteur van de Arbeidsinspectie minder waarde moet worden toegekend dan aan de door het slachtoffer en de overige werknemers voor akkoord getekende schriftelijke verklaring van 18 juni 2007.

2.3.1. Zoals de rechtbank heeft overwogen, heeft de Afdeling eerder geoordeeld (bijvoorbeeld bij uitspraak van 18 april 2007 in zaak nr. 200606587/1) dat artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit geen opzet of schuld als bestanddeel bevat. Derhalve staat de overtreding vast indien aan de materiële voorwaarden van dat artikel is voldaan. In beginsel mag dan van de verwijtbaarheid van de overtreding worden uitgegaan. Indien een werkgever betoogt dat hem ter zake van die overtreding geen enkel verwijt valt te maken, zal hij dit aannemelijk moeten maken.

2.3.2. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat [appellante], op wie de bewijslast rust aannemelijk te maken dat haar geen enkel verwijt valt te maken met betrekking tot het ongeval, in dat bewijs niet is geslaagd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de verklaringen behorende bij het door de inspecteur van de Arbeidsinspectie opgestelde ongevallenboeterapport van 26 september 2006 voldoende duidelijk is geworden dat het leggen van de underlaymentplaten tot de opgedragen werkzaamheden behoorde. Volgens de verklaring die het slachtoffer korte tijd na het ongeval tegenover de inspecteur van de Arbeidsinspectie heeft afgelegd, was hij op 3 mei 2006 bezig met het leggen en vastzetten van deze platen. Het slachtoffer heeft verklaard dat de dakwerkzaamheden gewoon moesten worden verricht, dat niet was besproken hoe die werkzaamheden moesten worden verricht en dat evenmin was gesproken over steigers of veiligheidsvoorzieningen. Gelet op deze verklaring van het slachtoffer is niet aannemelijk dat aan de werknemers uitdrukkelijk de instructie is gegeven niet vanaf het muurtje, maar alleen vanaf de steiger te werken en te wachten met het leggen van dat deel van de underlaymentplaten dat niet vanaf de steiger kon worden gelegd. De rechtbank heeft aan de in bezwaar overgelegde verklaringen, zoals de verklaring die de directeur van [appellante] op 18 juni 2007 heeft opgesteld en die mede door het slachtoffer is ondertekend, niet de betekenis hoeven toekennen die [appellante] voorstaat, nu die eerst geruime tijd na het ongeval zijn opgesteld en op belangrijke punten afwijken van de in het ongevallenboeterapport opgenomen verklaringen die het slachtoffer, één van zijn collega's en de directeur van [appellante] kort na het ongeval tegenover de inspecteur van de Arbeidsinspectie hebben afgelegd. Voorts is niet aannemelijk dat [appellante] alle maatregelen heeft getroffen die in verband met het valgevaar dat bestond bij de opgedragen werkzaamheden noodzakelijk waren. Hiertoe had ten minste een steiger aan de buitenzijde van het pand, ter zijde van het muurtje, moeten worden geplaatst.

2.3.3. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister het boetebedrag had moeten matigen. Nog daargelaten dat [appellante] eerst in hoger beroep heeft aangevoerd dat zwaarwegende financiële omstandigheden bij het bedrijf maken dat de opgelegde boete onevenredig zwaar is, kan dit betoog niet slagen, reeds omdat dit niet met stukken aannemelijk is gemaakt. Het betoog van [appellante] dat volgens het beleid de boete moet worden verlaagd tot 75% van het standaardbedrag van € 4.050,00, indien zich in de twee jaren voorafgaand aan het arbeidsongeval geen arbeidsongeval heeft voorgedaan binnen het bedrijf en het beboetbare feit dat de directe aanleiding is geweest voor het arbeidsongeval mede aan het slachtoffer kan worden toegerekend, dient buiten beschouwing te worden gelaten, nu dit in strijd met de goede procesorde eerst ter zitting in hoger beroep is aangevoerd.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2009

97-598.