Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI6080

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-2009
Datum publicatie
03-06-2009
Zaaknummer
200805366/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juni 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder (hierna: het college) aan de vereniging Motorcrossclub Den Helder (hierna: de Motorcrossclub) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer verleend voor een termijn van vijf jaar voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het beoefenen van gemotoriseerde baansporten op het perceel aan de Luchthavenweg 30 te Den Helder. Dit besluit is op 6 juni 2008 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2009/2399
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805366/1/M1.

Datum uitspraak: 3 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Helder,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder (hierna: het college) aan de vereniging Motorcrossclub Den Helder (hierna: de Motorcrossclub) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer verleend voor een termijn van vijf jaar voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het beoefenen van gemotoriseerde baansporten op het perceel aan de Luchthavenweg 30 te Den Helder. Dit besluit is op 6 juni 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juli 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 mei 2009, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door J.M. Streunding en N.M.M. Koningsbruggen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de Motorcrossclub, vertegenwoordigd door ir. J.A. Huizer en H. Gouwenberg, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] voert aan dat de onderhavige inrichting is gelegen in de nabijheid van een spoorlijn en een marinevliegkamp. Volgens hem heeft het college onvoldoende onderzocht wat de onderlinge effecten op de externe veiligheid zouden kunnen zijn bij eventuele calamiteiten.

2.1.1. Het college stelt dat in de inrichting geen opslag, bewerking of verwerking van milieugevaarlijke stoffen plaatsvindt en dat ook anderszins geen activiteiten plaatsvinden die mogelijk een gevaar inhouden voor de externe veiligheid.

2.1.2. In het deskundigenbericht is vermeld dat in de inrichting geen voor de omgeving risicovolle activiteiten plaatsvinden. Gelet hierop valt niet in te zien dat het college op het punt van externe veiligheid meer of ander onderzoek had moeten verrichten. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vergunning toereikende bescherming biedt tegen gevaren die de externe veiligheid aantasten. Het beroep faalt in zoverre.

2.2. [appellant] stelt dat de vergunde inrichting te veel geluidhinder voor de omgeving zal opleveren. Hij betoogt dat het college bij de vaststelling van de geluidgrenswaarden de omgeving van de woningen rond de inrichting ten onrechte heeft gekarakteriseerd als een woonwijk in de stad. Deze omgeving betreft volgens hem een landelijk buitengebied met bollenteelt.

2.2.1. Het college stelt dat het heersende achtergrondniveau hoog is, gelet op de nabijheid van industrieterrein Kooypunt, de luchthaven "De Kooy" en de spoorbaan Alkmaar-Den Helder. Verder bestaat de bebouwing aan de Kortevliet volgens het college uit woningen in combinatie met lichte bedrijfsactiviteiten. Het college wijst er voorts op dat voor de woningen en andere geluidgevoelige gebouwen in de directe omgeving van de inrichting de waarden voor de maximaal toelaatbare geluidbelasting zijn verhoogd. Om deze redenen stelt het college de richtwaarden tot uitgangspunt te hebben genomen die in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, oktober 1998; hierna: de Handreiking) worden aanbevolen bij een omgeving die gekarakteriseerd kan worden als woonwijk in de stad.

2.2.2. Ingevolge voorschrift 3.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) als gevolg van de activiteiten binnen de inrichting nabij woningen van derden niet meer bedragen dan 50, 45 en 40 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.2.3. Het college heeft voor de beoordeling van het aspect geluid hoofdstuk 4 van de Handreiking als uitgangspunt genomen. In dit hoofdstuk wordt voor nieuwe inrichtingen aanbevolen om bij de eerste toetsing de waarden van tabel 4 te hanteren. In deze tabel staan drie typeringen van de aard van de woonomgeving, te weten "landelijke omgeving", "rustige woonwijk, rustig verkeer" en "woonwijk in de stad", met daarbij horende richtwaarden. Het college heeft de aard van de woonomgeving van de inrichting getypeerd als woonwijk in de stad en de daarbij horende richtwaarden van 50, 45 en 40 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode in voorschrift 3.1 opgenomen. In het deskundigenbericht is vermeld dat de woningen op korte afstand ten westen van de inrichting zijn gelegen in een agrarisch buitengebied met bollenteelt en dat de woningen ten noordwesten van de inrichting liggen in een lintbebouwing aan de zuidkant van de bebouwde kom van Den Helder, alwaar zich bollentelers, enkele aannemersbedrijven en een manege bevinden. Het college heeft zijn keuze voor de typering "woonwijk in de stad" met name gemotiveerd door te verwijzen naar activiteiten die in de omgeving van de inrichting plaatsvinden en die volgens het college voor een hoog referentieniveau van het omgevingsgeluid zorgen, waaronder vliegbewegingen vanaf de luchthaven "De Kooy". Uit het verhandelde ter zitting is evenwel gebleken dat op de dagen waarop de inrichting in werking is, te weten zaterdag en zondag, vanaf deze luchthaven in ieder geval geen vliegbewegingen van de marine plaatsvinden. Mede gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college, nu in dit geval niet zonder meer duidelijk is dat de door het college gekozen typering recht doet aan de aard van de woonomgeving, zijn keuze voor die typering had moeten motiveren door het referentieniveau van het omgevingsgeluid vast te stellen. Nu het dit niet heeft gedaan, berust het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering. De omstandigheid dat het college bij nader stuk een akoestisch rapport van april 2009 heeft ingediend waarin is geconcludeerd dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid 55 dB(A) bedraagt, kan aan het vorenstaande niet afdoen, nu de metingen van het L95 van het omgevingsgeluid die aan dat rapport ten grondslag liggen, op doordeweekse dagen zijn verricht en niet op dagen in het weekeinde, wanneer de onderhavige inrichting in werking is. Ter zitting is van de zijde van het college nog opgemerkt dat ook in het weekeinde metingen zijn verricht en dat daaruit zou zijn gebleken dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid in het weekeinde 56 dB(A) bedraagt, doch nu het college geen onderzoeksrapport heeft overgelegd waarin die metingen en de resultaten daarvan zijn neergelegd, is deze opmerking ter zitting onvoldoende om het geconstateerde gebrek in de motivering hersteld te achten.

2.3. Het beroep is gegrond. Het besluit van 3 juni 2008 komt voor vernietiging in aanmerking. Gezien het vorenstaande kan een bespreking van de overige beroepsgronden naar het oordeel van de Afdeling achterwege blijven.

2.4. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Helder van 3 juni 2008;

III. gelast dat de gemeente Den Helder aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W.D.M. van Diepenbeek, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Lap

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2009

288.