Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI6070

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-2009
Datum publicatie
03-06-2009
Zaaknummer
200806485/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2008, no. 2008-000799, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Neerijnen (hierna: de raad) bij besluit van 20 december 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Oude Zandstraat/Waalbandijk te Opijnen" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806485/1/R2.

Datum uitspraak: 3 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2008, no. 2008-000799, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Neerijnen (hierna: de raad) bij besluit van 20 december 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Oude Zandstraat/Waalbandijk te Opijnen" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 augustus 2008, beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2009, waar [appellanten], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door J.A. Janssen en F.P. Loeff, ambtenaren in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in de bouw van vijf woningen in het gebied tussen de Oude Zandstraat en de Waalbandijk te Opijnen (hierna: het gebied).

2.3. [appellanten] stellen dat het argument van de raad dat de woningbouwlocatie compensatie biedt voor in het verleden gesloopte huizen onjuist is. Op of grenzend aan de dijk zijn volgens [appellanten] nooit woningen gesloopt.

Voorts zijn [appellanten] van mening dat de ontsluitingsweg bij de woningbouwlocatie te smal is voor hulpverlenings- en hulpdiensten. Het plan zal bovendien tot onveilige verkeerssituaties leiden door de ontsluiting op de Oude Zandstraat nabij de bestaande aansluiting van die straat op de Zandstraat. In aansluiting daarop stellen [appellanten] dat niet is gekeken naar alternatieve mogelijkheden, zoals een ontsluiting via de Waalbandijk.

Daarnaast vrezen [appellanten] voor beschadiging van de monumentale boerderij en de monumentale boom aan de Zandstraat 9 als gevolg van het bouwverkeer en het latere bestemmingsverkeer. De ontsluitingsweg voor de bouwlocatie loopt langs deze boerderij.

Tot slot zijn [appellanten] van mening dat de beantwoording van de bedenkingen door het college onvolledig is. Het college verwijst in de beantwoording nagenoeg in alle gevallen naar de beantwoording van de zienswijzen door het gemeentebestuur. Bovendien heeft het college niet gereageerd op de brief van 10 oktober 2006 die [appellanten] aan het college hebben gericht.

2.4. Het college heeft geen aanleiding gezien om op grond van deze bedenkingen goedkeuring aan het plan te onthouden en stelt zich op het standpunt dat voor de ontsluiting op de Zandstraat voldoende ruimte beschikbaar is. Een nader onderzoek naar alternatieve ontsluitingswegen is niet nodig. Bij de uitvoering zal, volgens het college, tevens overleg plaatsvinden met de brandweer.

Wat betreft de bescherming van de monumentale boerderij en de boom stelt het college dat de bouwwerkzaamheden geen negatieve invloed zullen hebben op het pand en de boom, nu grondwerkzaamheden alleen met toepassing van de boortechniek mogen plaatsvinden.

De brief aan het college van [appellanten] is abusievelijk niet beantwoord maar de opmerkingen in de brief zijn, aldus het college, meegenomen in de beoordeling van het plan.

2.6. In het streekplan Gelderland, vastgesteld op 29 juni 2005, is opgenomen dat in Gelderland zoekzones moeten worden aangewezen voor uitbreiding van stedelijke functies en voor landschappelijke verstedelijking. Samen met de provincie zijn de gemeenten in het Rivierenland, waartoe Opijnen behoort, het 'Experiment ruimtelijk beleid Rivierenland' begonnen. In de "Visie wonen en werken 2002-2011" (hierna: de Visie wonen en werken) is hieraan uitwerking gegeven. Het plangebied is daarin genoemd als projectlocatie.

2.6.1. De Afdeling overweegt met betrekking tot de stelling van [appellanten] dat ter plaatse aan de dijk nooit woningen zijn gesloopt zodat van compensatie geen sprake kan zijn, dat de aanwijzing van het gebied voor de bouw van de woningen voortvloeit uit de Visie wonen en werken. In deze visie is opgenomen dat de bouw van woningen op de locatie langs de Waalbandijkzone een meerwaarde voor de dijk kan betekenen omdat op sommige plekken de binding tussen dijk en bebouwing is verdwenen. Het argument van de raad dat de bouw van de woningen tevens dient ter compensatie van de sloop van een aantal woningen langs de dijk, hangt samen met de Visie wonen en werken maar vloeit daar niet direct uit voort.

2.7. Wat betreft de breedte van de ontsluitingsweg vanaf de Oude Zandstraat in verband met de toegankelijkheid voor hulpdiensten stelt de Afdeling vast dat volgens de plankaart deze weg 6 meter breed kan worden. Voor het gedeelte van de weg dat loopt langs de drie naast elkaar te bouwen woningen, is op de plankaart een breedte van 4 meter voorzien. Aan het einde van deze weg is een pleintje geprojecteerd waar een keermogelijkheid komt. Op grond van het bovenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de breedte van de voorziene bestemming voor verkeersdoeleinden binnen het plangebied zodanig is dat niet in een goede bereikbaarheid voor hulpdiensten kan worden voorzien.

2.7.1. Ten aanzien van de door [appellanten] aangevoerde stelling dat de ontsluiting op de Oude Zandstraat tot onveilige verkeerssituaties zal leiden is de Afdeling van oordeel dat gezien de verkeersintensiteiten en gegeven het aantal te realiseren woningen onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat door de realisering van het plan in betekenende mate onveilige verkeerssituaties worden opgeroepen. Daarbij is mede van betekenis dat voor de kern van Opijnen een maximumsnelheid van 30 km/u is ingesteld.

2.7.2. Voor zover [appellanten] pleiten voor ontsluiting via de Waalbandijk overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven voor ontsluitingswegen op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het plan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.7.3. Wat betreft de vrees van [appellanten] voor beschadiging van de monumentale boerderij en de monumentale boom als gevolg van de bouwwerkzaamheden is de Afdeling van oordeel dat dit beroepsonderdeel betrekking heeft op de uitvoering van het plan. Die is in deze procedure niet aan de orde.

2.7.4. Over het betoog dat het college in het bestreden besluit niet kon volstaan met een verwijzing naar de beantwoording van de raad van de door [appellanten] ingebrachte zienswijze, overweegt de Afdeling het volgende. Nu het college in het bestreden besluit bij een aantal onderdelen van de bedenkingen van [appellanten] heeft vermeld in te stemmen met de beantwoording door de raad van de door hen ingebrachte zienswijze, dient deze beantwoording voor deze onderdelen te worden beschouwd als het standpunt van het college. Een dergelijke handelwijze leidt niet op voorhand tot de conclusie dat het college zich niet - mede naar aanleiding van door [appellanten] ingebrachte bedenkingen - een eigen oordeel heeft gevormd omtrent hetgeen een belangenafweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening vereist. In het algemeen staat geen wettelijke bepaling of algemeen rechtsbeginsel aan een dergelijke handelwijze in de weg. Niet is gebleken dat dat in dit geval anders is. De brief die [appellanten] op 10 oktober 2006 aan het college hebben verzonden is niet in het kader van de bestemmingsplanprocedure ingediend, zodat deze buiten het bereik van deze procedure valt.

2.8. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Bechinka

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2009

234-608.