Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI6068

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-2009
Datum publicatie
03-06-2009
Zaaknummer
200805359/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij brief van 18 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westland (hierna: het college) [appellanten] op de hoogte gesteld van het voornemen [vergunninghoudster] een last onder dwangsom op te leggen en vermeld dat wanneer na 15 augustus 2007 nog geluidoverlast bestaat bestuurlijke handhavingsmiddelen zullen worden toegepast met betrekking tot [vergunninghoudster].

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/505
Milieurecht Totaal 2009/3572
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805359/1/M1.

Datum uitspraak: 3 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij brief van 18 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westland (hierna: het college) [appellanten] op de hoogte gesteld van het voornemen [vergunninghoudster] een last onder dwangsom op te leggen en vermeld dat wanneer na 15 augustus 2007 nog geluidoverlast bestaat bestuurlijke handhavingsmiddelen zullen worden toegepast met betrekking tot [vergunninghoudster].

[appellanten] hebben bij brief van 22 juni 2007 bezwaar gemaakt tegen de weigering vóór 15 augustus 2007 bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen met betrekking tot [vergunninghoudster].

Bij besluit van 31 juli 2007, verzonden 7 augustus 2007, heeft het college beslist bestuursdwang toe te passen met betrekking tot [vergunninghoudster] ter zake van overtredingen van voorschrift 1.1.1 van de op 5 juni 2000 aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid The Greenery International B.V. verleende milieuvergunning voor een agrarisch distributiecentrum aan de Jogchem van der Houtweg 2 te De Lier (hierna: de milieuvergunning) doordat de geluidnormen voor de dagperiode worden overschreden.

Tegen dit besluit is door [appellanten] bij brief van 27 augustus 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 13 mei 2008, verzonden 30 mei 2008, heeft het college het op 22 juni 2007 door [appellanten] gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover het de overtreding van een geluidvoorschrift betreft en het op 27 augustus 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juli 2008, beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 april 2009, waar Van [appellanten], in persoon en bijgestaan door mr. V.J. Leijh, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door ing. H.D. Verhey, mr. K.J.M. Putter, L.A. Buijng, drs. M.M. Mattijsen en ing. R.M.H. Wanningen, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. H.J. Breeman, advocaat te Rotterdam, M. van Happen en P. den Braber, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Ivb) zijn gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning ten aanzien van inrichtingen die behoren tot een categorie die daartoe in bijlage I is aangewezen.

Categorie 16, onderdeel 16.1, onder b, van bijlage I bij het Ivb heeft betrekking op inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van papierstof, papier of produkten hiervan.

Ingevolge categorie 16, onderdeel 16.3, aanhef en onder b, van bijlage I van het Ivb zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor het vervaardigen van papier of celstof met een capaciteit ten aanzien daarvan van 3.10³ kg per uur of meer.

Bij besluit van 17 oktober 1997 (Stb. 1997, 493) is bijlage I, categorie 16, bij het Ivb gewijzigd doordat aan deze categorie een nieuw onderdeel 16.2 is toegevoegd. Het oorspronkelijke onderdeel 16.2 is daarbij vernummerd tot onderdeel 16.3. De tekst van onderdeel 16.3 is daarbij niet gewijzigd.

2.2. Ter zitting hebben [appellanten] aangevoerd dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland het bevoegde gezag is om te beslissen op een aanvraag van een milieuvergunning voor de onderhavige inrichting, omdat [vergunninghoudster] onder categorie 16, onderdeel 16.3, onder b, van bijlage I bij het Ivb valt, nu [vergunninghoudster] uit grote rollen papier 10,42 ton karton per uur produceert.

2.2.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de inrichting van [vergunninghoudster] geen papierfabriek is, maar karton produceert uit elders vervaardigd papier. Volgens het college vallen de activiteiten onder categorie 16, onderdeel 16.1, onder b, van bijlage I bij het Ivb, omdat [vergunninghoudster] papier verwerkt en producten van papier opslaat.

2.2.2. In de Nota van Toelichting bij het Ivb (Stb. 1993, 50) is bij bijlage I, categorie 16, onderdeel 16.1, onder b, vermeld dat onder papier ook karton is te verstaan. Ook bij onderdeel 16.2, onder b wordt opgemerkt dat onder papier tevens karton is te verstaan. Verder wordt opgemerkt dat inrichtingen die zijn gericht op de verwerking van de genoemde producten niet onder deze categorie worden begrepen. Een fabriek bijvoorbeeld die zich richt op de vervaardiging van golfkarton of kartonnen dozen, waarbij als grondstof karton wordt gebruikt, valt niet onder deze categorie.

Uit de aanvraag om een milieuvergunning van 16 juli 2007 blijkt dat binnen de inrichting van [vergunninghoudster] golfkarton wordt geproduceerd. Met behulp van een kartonmachine worden papiervellen verlijmd tot kartonsheets die verder worden verwerkt. In de inrichting wordt geen papier of karton uit pulp geproduceerd, maar wordt papier bewerkt tot golfkarton doordat vellen papier aan elkaar gelijmd worden. Volgens het college wordt bij dit proces aanzienlijk minder energie verbruikt en komen minder emissies vrij dan bij de productie van papier of karton uit pulp. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat golfkarton niet wordt vervaardigd vanuit pulp, maar dat golfkarton wordt gemaakt door verwerking van papier. Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen de tekst van categorie 16 van het Ivb is de Afdeling van oordeel dat de productie van golfkarton als hier aan de orde niet onder categorie 16, onderdeel 16.3, onder b, van het Ivb valt. Het college is daarmee het bevoegde gezag tot het verlenen van een milieuvergunning aan [vergunninghoudster].

2.2.3. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer zijn burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede, het derde en het vierde lid.

In artikel 18.2, eerste lid, aanhef en onder a is - voor zover hier van belang - bepaald dat het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 voor een inrichting te verlenen tot taak heeft zorg te dragen voor de bestuurlijke handhaving van de voorschriften die op grond van de betrokken wetten gelden voor degene die de inrichting drijft.

Uit het vorenstaande volgt dat in een geval als het onderhavige de aanvraag om vergunning krachtens de Wet milieubeheer bepalend is voor het antwoord op de vraag wie het bevoegde gezag is ten aanzien van de aanvraag om vergunning alsmede ten aanzien van (het afzien van) handhaving.

Gelet daarop heeft het college het bestreden besluit bevoegd genomen. Deze beroepsgrond faalt.

2.3. [appellanten] voeren aan dat het college bij het besluit van 31 juli 2007 onzorgvuldig heeft gehandeld, nu dit besluit niet is genomen binnen de daartoe in artikel 18.16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer gestelde termijn en niet onmiddellijk tot handhaving is overgegaan. [appellanten] voeren aan dat het college het advies van de commissie bezwaarschriften Westland had moeten overnemen, dat bij de handhaving van de vigerende vergunning en de toekomstige vergunning ook op hun perceel gemeten moet worden. [appellanten] voeren aan dat onmiddellijk moet worden opgetreden, nu zich nog steeds ernstige geluidoverlast voordoet.

2.3.1. Deze beroepsgronden richten zich niet tegen het bestreden besluit, zodat deze beroepsgronden reeds daarom falen.

2.4. [appellanten] voeren aan een geldige milieuvergunning ontbreekt, omdat de vergunning die aan The Greenery is verleend niet door [vergunninghoudster] gebruikt kan worden, nu zij een nieuwe inrichting heeft en andere activiteiten verricht dan The Greenery. [appellanten] voeren aan dat een concreet zicht op legalisatie ontbreekt. Zij bestrijden dat een ontvankelijke aanvraag om een milieuvergunning voorligt. Ook kan volgens hen niet daadwerkelijk tot vergunningverlening worden overgegaan, omdat niet aan de geluidnormen voldaan kan worden, zich geurhinder voordoet en de activiteiten van [vergunninghoudster] in strijd zijn met het bestemmingsplan.

2.4.1. Niet in geschil is dat is gehandeld in strijd met voorschrift 1.1.1 van de milieuvergunning en artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een ontvankelijke vergunningaanvraag was ingediend en dat het college het niet onaannemelijk achtte dat de aangevraagde milieuvergunning op basis daarvan zou worden verleend. Gelet hierop bestond er ten tijde van het bestreden besluit concreet uitzicht op legalisatie. Het college mocht onder deze omstandigheid afzien van handhavend optreden. Deze beroepsgrond faalt.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting w.g. Bijleveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2009

433.