Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI6062

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-2009
Datum publicatie
03-06-2009
Zaaknummer
200807359/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren (hierna: het college) aan [wederpartij] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een boothuis met garage/berging op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807359/1/H1.

Datum uitspraak: 3 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 16 september 2008 in zaak nrs. 08/2746 en 08/2747 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren (hierna: het college) aan [wederpartij] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een boothuis met garage/berging op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 23 juni 2008 heeft het college het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de bouwvergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 16 september 2008, verzonden op 17 september 2008, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 juni 2008 vernietigd, verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 oktober 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 24 maart 2009.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 mei 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.P. Boot,ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen. Voorts zijn ter zitting [wederpartij] en [belanghebbende] als belanghebbenden gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [wederpartij] woont samen met haar partner in de woning op het perceel [locatie]. Op 27 december 2007 is [wederpartij] eigenaresse geworden van een deel van het perceel dat in eigendom was van haar partner, thans kadastraal bekend als […] te [plaats]. Het bouwplan voorziet in de oprichting van een boothuis met garage/berging op dit afgesplitste kadastrale perceel. Het boothuis heeft een balkon en een zogeheten slibway en grenst aan de oeverlijn.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Plassengebied, Eerste herziening" (hierna: bestemmingsplan) rusten op het perceel waarop het bouwplan betrekking heeft twee bestemmingen. Het bouwplan is gedeeltelijk op gronden met de bestemming "Woongebied, villa's - Wv - " en gedeeltelijk, voor zover het betreft het balkon en de slibway, op gronden met de bestemming "Water met landschappelijke waarden en/of natuurlijke waarden - Nw- " gesitueerd.

Ingevolge artikel 6.1 van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de kaart voor "Woongebied, villa's - Wv - " aangewezen gronden bestemd voor wonen in vrijstaande woningen.

Ingevolge artikel 6.2, zijn op deze gronden toegelaten bouwwerken, andere werken en werkzaamheden die in overeenstemming zijn met de in lid 6.1 omschreven doeleinden en het bepaalde in lid 6.3 tot en met 6.5 waar het betreft, voor zover hier van belang, hoofdgebouwen in de vorm van vrijstaande en, waar aangeduid, aaneengebouwde en/of gestapelde woningen met de daarbij behorende bijgebouwen.

Ingevolge artikel 6.3, voor zover hier van belang, mag op deze gronden één hoofdgebouw worden gebouwd op het bouwperceel waar op de kaart een cirkel is aangegeven.

Ingevolge artikel 6.4, voor zover hier van belang, mogen met inachtneming van het bepaalde in artikel 6.3 bijgebouwen worden gebouwd.

Ingevolge artikel 6.9, is het college bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 6.3 en 6.4 voor de bouw van een botenhuis, met dien verstande dat:

a. de vrijstelling uitsluitend wordt verleend indien het botenhuis wordt gebouwd in of aan het water en grenst aan de oeverlijn;

b. het oppervlak maximaal 30 m² mag bedragen;

c. de goothoogte en de nokhoogte respectievelijk maximaal 2,75 m en 5,00 m mag bedragen.

Ingevolge artikel 26.1 zijn de op de kaart voor "Water met landschappelijke en/of natuurlijke waarden - Nw - " aangewezen gronden bestemd voor de volgende doeleinden:

- waterlopen ten behoeve van de waterhuishouding;

- waterpartijen en oeverstroken;

- recreatievaart;

- het behoud en/of herstel van de aanwezige landschappelijke en/of natuurlijke waarden;

- recreatiewoningen, waar zulks op de plankaart nader is aangeduid.

Ingevolge artikel 26.2, voor zover hier van belang, mogen op deze gronden golfbrekers en steigers worden gebouwd.

Ingevolge artikel 26.3 mogen op deze gronden, geheel of gedeeltelijk grenzend aan de oeverlijn, boothuizen worden gebouwd waarvoor conform artikel 6.9, vrijstelling is verleend.

Ingevolge artikel 1.2.6 wordt onder bouwperceel verstaan een aaneengesloten stuk grond (land), waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

Ingevolge artikel 1.2.15 wordt onder hoofdgebouw aangemerkt een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn functie, constructie en/of afmetingen als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

Ingevolge artikel 1.2.16 wordt onder bijgebouw verstaan een gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

Ingevolge artikel 37.1 mag een terrein, dat in aanmerking moest worden genomen bij een bouwvergunning, behoudens intrekking van die bouwvergunning, niet nog eens bij de beoordeling van een nieuwe aanvraag voor het verkrijgen van een bouwvergunning in aanmerking worden genomen.

2.3. Het geschil spitst zich allereerst toe op de vraag of de voorzieningenrechter met juistheid heeft geoordeeld dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat door de kadastrale afsplitsing een nieuw bouwperceel is ontstaan waarop geen hoofdgebouw aanwezig is en derhalve, gelet op de artikelen 6.2 en 6.4 van de planvoorschriften, geen bijgebouw is toegestaan.

2.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen onder meer in de uitspraken van 26 mei 2004 in zaak nr. 200305777/1 en van 14 juni 2006 in zaak nr. 200507168/1 is bij de vaststelling van de omvang van het bouwperceel de actuele situatie bepalend, waarbij in beginsel dient te worden uitgegaan van het kadastrale perceel waarop het bouwplan is voorzien. Anders dan het college meent hoeft de enkele kadastrale afsplitsing van het oorspronkelijk perceel op zichzelf echter niet doorslaggevend te zijn voor de vaststelling dat een nieuw bouwperceel is ontstaan. Voor de vraag of sprake is van één bouwperceel, als bedoeld in artikel 1.2.6 van de planvoorschriften, is immers tevens van belang of sprake is van bij elkaar behorende bebouwing. Het bestaan van een dergelijke situatie leidt ertoe dat meerdere kadastrale percelen in ruimtelijke zin als één geheel behoren te worden aangemerkt. In dit geval is daarvan sprake, nu het botenhuis met garage/berging als bijgebouw, behorend bij de woning moet worden aangemerkt en uitsluitend voor persoonlijk gebruik door de bewoners van de woning is bedoeld. Hierbij is tevens in aanmerking genomen dat voorheen ook altijd sprake is geweest van één kadastraal perceel met daarop een woning met een daarbij behorende botenloods/garage op het thans andere kadastraal genummerde perceel waar onderhavig bouwplan, dat voorziet in vervanging van de voormalige botenloods, is gesitueerd. Bovendien heeft de voorzieningenrechter terecht in aanmerking genomen dat beide percelen zijn omsloten door één omheining en slechts via één weg toegankelijk zijn. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat de twee kadastrale percelen zijn aan te merken als één bouwperceel.

2.5. Nu geen sprake is van de door het college gestelde splitsing van bouwpercelen en het bestemmingsplan een bij een hoofdgebouw behorend bijgebouw toestaat, faalt het betoog van het college dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de zogenoemde dubbeltelbepaling, zoals opgenomen in artikel 37 van de planvoorschriften, in de weg staat aan verlening van een bouwvergunning voor het in het onderhavig bouwplan bedoelde bijgebouw.

2.6. Het college betoogt voorts dat de voorzieningenrechter ten onrechte is voorbijgegaan aan het feit dat de zogeheten slibway is gesitueerd op gronden met de bestemming "Water met landschappelijke waarden en/of natuurlijke waarden - Nw - " en het bouwplan ook om deze reden in strijd is met het bestemmingsplan, dat hiervoor geen vrijstellingsmogelijkheid biedt.

2.7. De zogeheten slibway is een houten constructie die noodzakelijk is om een boot vanuit het water in het op de oever gelegen botenhuis te trekken. Het betreft een onlosmakelijk met het botenhuis verbonden constructie en is derhalve onderdeel van het botenhuis. Nu artikel 26.3 van de planvoorschriften een botenhuis, waarvoor conform artikel 6.9, vrijstelling is verleend, mogelijk maakt op gronden met de bestemming "Water met landschappelijke waarden en/of natuurlijke waarden Nw", staat, anders dan het college meent, niet op voorhand vast dat het botenhuis in strijd is met het bestemmingsplan. Indien met toepassing van artikel 6.9 van de planvoorschriften vrijstelling voor het botenhuis wordt verleend, is de slibway op grond van artikel 26.3 van de planvoorschriften toegestaan. Dit betekent dat eerst nadat het college een besluit heeft genomen omtrent de vraag of hij voor de bouw van een botenhuis gebruik wil maken van de bevoegdheid om met toepassing van artikel 6.9 vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan, beoordeeld kan worden of het bestemmingsplan het botenhuis op de bestemming "Water met landschappelijke waarden en/of natuurlijke waarden - Nw - " toestaat. Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2009

357-604.