Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI6057

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-2009
Datum publicatie
03-06-2009
Zaaknummer
200804804/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een hondenpension aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 16 mei 2008 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2009/3371
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804804/1/M2.

Datum uitspraak: 3 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een hondenpension aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 16 mei 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 juni 2008, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juni 2008, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft de gronden van zijn beroep aangevuld bij brief van 21 juli 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Vergunninghouder heeft een nader stuk ingediend. Dit stuk is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2009, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. drs. H. den Haan, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. H.P.J.G. Berkers, en het college, vertegenwoordigd door mr. C. Scheepers en ir. M. van den Broek, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.2. [appellant sub 1] voert aan dat de in voorschrift D.1 gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bij woningen van derden niet toereikend zijn om geluidhinder vanwege de inrichting te voorkomen dan wel voldoende te beperken, aangezien de omgeving van de inrichting een landelijke omgeving is. De nabijheid van wegen, een spoorlijn en de toekomstige aanwezigheid van een 50 dB(A)-contour rondom een bedrijventerrein in de omgeving van de inrichting zijn volgens [appellant sub 1] onvoldoende om uit te gaan van hogere geluidgrenswaarden dan die gelden voor een landelijke omgeving. Bovendien is de 50 dB(A)-contour rondom het desbetreffende bedrijventerrein nog niet definitief vastgesteld, zodat deze omstandigheid sowieso niet relevant is, aldus [appellant sub 1].

2.2.1. Voor de beoordeling van geluidhinder heeft het college, voor zover hier van belang, hoofdstuk 4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen. In hoofdstuk 4 van de Handreiking staan richtwaarden vermeld die zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving en die als uitgangspunt worden genomen bij het stellen van geluidgrenswaarden. Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid.

2.2.2. De Afdeling stelt op grond van de ter zitting verkregen informatie vast dat het in dit geval gaat om een landelijke omgeving als bedoeld in de Handreiking. In afwijking van de voor deze omgeving in de Handreiking opgenomen richtwaarden van 40, 35 en 30 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode heeft het college in vergunningvoorschrift D.1 geluidgrenswaarden bij woningen van derden gesteld van ten hoogste 49, 45 en 30 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Ten aanzien van de overschrijding in de dag- en avondperiode heeft het college onder meer in aanmerking genomen dat de inrichting is gelegen op circa 350 meter van de A73, op circa 200 meter van de N295 en op circa 30 meter van het spoor Roermond-Sittard. De Afdeling ziet geen grond om te twijfelen aan de juistheid van deze door het college aan zijn beslissing ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden en overweegt voorts dat [appellant sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het college het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse niet heeft kunnen vaststellen op 49 dB(A).

Gelet op het vorengaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in vergunningvoorschrift D.1 gestelde geluidgrenswaarden toereikend zijn ter voorkoming dan wel beperking van onaanvaardbare geluidhinder. De beroepsgrond faalt.

2.3. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat de door het college tot uitgangspunt genomen akoestische onderzoeken, waarvan de resultaten zijn neergelegd in de akoestische rapporten van Jansen Raadgevend Ingenieursbureau van 4 mei 2007 en 24 januari 2008 (hierna: de akoestische rapporten), op verkeerde uitgangspunten zijn gebaseerd.

Volgens [appellant sub 1] gaan de akoestische rapporten ten onrechte uit van een te beperkt blafgedrag van de in de inrichting aanwezige honden. Hij voert aan dat de honden, gelet op de situatie ter plaatse, aan meer prikkels worden blootgesteld en derhalve vaker aanslaan. Volgens [appellant sub 1] is de impact van de geluidbelasting vanwege de inrichting op de leefbaarheid en het milieu hoger dan uit de berekeningen in de akoestische rapporten blijkt. Hij voert aan dat te weinig rekening is gehouden met de omstandigheid dat het hondenpension zijn drukste bezetting kent, en derhalve de grootste geluidbelasting veroorzaakt, tijdens vakanties en weekenden in de zomerperiode, en in de avonduren. Juist dan zullen omwonenden graag buiten verblijven, aldus [appellant sub 1]. Voorts voert [appellant sub 1] aan dat in de akoestische rapporten en het bestreden besluit vanwege de inrichting te nemen maatregelen staan omschreven die in de praktijk niet of nauwelijks uitvoerbaar zullen zijn.

Volgens [appellant sub 2] gaan de akoestische rapporten ten onrechte uit van de veronderstelling dat het zicht van de in de inrichting aanwezige honden naar buiten het perceel geheel ontnomen is. Hij voert aan dat de honden wel degelijk zicht hebben op passerende treinen, omdat in de vergunningvoorschriften niet is vastgelegd dat voldoende volgroeide en groenblijvende afscheiding bij het te plaatsen hekwerk dient te worden aangebracht. Volgens [appellant sub 2] dienen de vergunningvoorschriften ook op dat punt te worden aangepast.

De Afdeling begrijpt deze beroepsgronden aldus dat volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet aan de in de vergunningvoorschriften gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

2.3.1. Wat de feitelijke geluidbelasting vanwege de inrichting betreft heeft het college de akoestische rapporten tot uitgangspunt genomen. Op basis van deze rapporten heeft het college zich bij het nemen van het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

2.3.2. Uit de akoestische rapporten volgt dat de inrichting in de representatieve bedrijfssituatie aan de gestelde geluidgrenswaarden kan voldoen. Daarbij is uitgegaan van gemiddeld 6 blaffen per uur per hond. Gezien de aangevraagde - en vergunde - bedrijfsvoering, onder meer de wijze waarop de honden in het pension zullen worden gehouden, acht de Afdeling aannemelijk dat het gehanteerde blafgedrag representatief is voor deze inrichting.

Voorts is uitgegaan van een bezetting van het maximaal aantal vergunde honden. De beroepsgrond van [appellant sub 1] dat te weinig rekening is gehouden met een drukke bezetting, faalt dan ook. Voor zover [appellant sub 1] aanvoert buiten zijn woning geluidoverlast te ondervinden, overweegt de Afdeling dat uit de systematiek van de Handreiking volgt dat de daarin genoemde geluidgrenswaarden gelden ter plaatse van geluidgevoelige objecten, in dit geval onder meer de gevel van de woning van [appellant sub 1]. Een tuin, terras of erf bij een woning is geen geluidgevoelig object als bedoeld in de Handreiking. Deze beroepsgrond faalt.

Voor zover [appellant sub 1] vreest dat meer honden binnen de inrichting aanwezig zullen zijn dan vergund en voor zover hij de uitvoerbaarheid van de bedrijfsvoering betwijfelt, overweegt de Afdeling dat de inrichting als zodanig is aangevraagd en vergund. Deze beroepsgronden hebben betrekking op de naleving van de vergunning en derhalve niet op de rechtmatigheid van het ter beoordeling staande besluit en kunnen om die reden niet slagen. Zo nodig staat de mogelijkheid open het college om handhaving van de voor de inrichting geldende vergunning te verzoeken. Tegen het op het verzoek te nemen besluit kunnen rechtsmiddelen worden aangewend.

2.3.3. In het akoestisch rapport van 24 januari 2008 is het blafgedrag van in de inrichting aanwezige honden in verband met passerende treinen nader beschouwd. De conclusie is dat, rekening houdend met dit blafgedrag, aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan. [appellant sub 2] heeft deze conclusie niet bestreden. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat voornoemd akoestisch rapport in zoverre gebreken of leemten in kennis vertoont. De beroepsgrond faalt.

2.3.4. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de in de vergunningvoorschriften gestelde geluidgrenswaarden niet naleefbaar zijn.

2.4. De beroepen zijn ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en drs. W.J. Deetman, en mr. T.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Beurmanjer-de Lange, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Beurmanjer-de Lange

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2009

373-576.