Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI6041

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2009
Datum publicatie
03-06-2009
Zaaknummer
200902887/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 april 2009 heeft het dagelijks bestuur van het Waterschap Brabantse Delta (hierna: het dagelijks bestuur) aan [verzoeker] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 11, eerste en tweede lid, van het Besluit lozingen afvalwater huishoudens.

Wetsverwijzingen
Besluit lozing afvalwater huishoudens
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2009/45 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902887/1/M1

Datum uitspraak: 26 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats], gemeente Moerdijk,

en

het dagelijks bestuur van het Waterschap Brabantse Delta,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2009 heeft het dagelijks bestuur van het Waterschap Brabantse Delta (hierna: het dagelijks bestuur) aan [verzoeker] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 11, eerste en tweede lid, van het Besluit lozingen afvalwater huishoudens.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 april 2009, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 mei 2009, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. M.A.A.M. van Kollenburg-van Linder en J. van Meggelen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van het Besluit lozingen afvalwater huishoudens wordt voorafgaand aan het lozen in het oppervlaktewater huishoudelijk afvalwater door een zuiveringsvoorziening geleid.

Ingevolge het tweede lid worden bij regeling van de minister van Verkeer en Waterstaat regels gesteld met betrekking tot de zuiveringsvoorziening, bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge het vierde lid kan het bevoegd gezag, in afwijking van de regels, bedoeld in het tweede lid, indien het belang van de bescherming van het oppervlaktewater zich daartegen niet verzet, op een daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn bij maatwerkvoorschriften het lozen toestaan: (a) door middel van een minder vergaande zuiveringsvoorziening; of (b) zonder een zuiveringsvoorziening.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Regeling lozingen afvalwater huishoudens bestaat een zuiveringsvoorziening uit een septic tank met een nominale inhoud van ten minste 6 kubieke meter.

2.2. Vaststaat dat de woning van [verzoeker] is verbonden met een sceptic tank met een inhoud van 2 m3. Deze zuiveringsvoorziening waardoor [verzoeker] huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewater loost, heeft in strijd met artikel 1, aanhef en onder a, van de Regeling lozingen afvalwater huishoudens niet een nominale inhoud van ten minste 6 m3. Dientengevolge was het dagelijks bestuur bevoegd handhavend op te treden.

2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. [verzoeker] betoogt - kort gezegd - dat de aanleg van een sceptic tank met een inhoud van 6 m3 niet mogelijk is. De ruimte achter de woning is daartoe te beperkt en aanleg op de locatie van de huidige zuiveringsvoorziening zou een ongeoorloofde inbreuk op het terrein van de buren betekenen, terwijl aanleg aan de andere zijde van de woning zou tot een dermate lage ligging leiden dat afvoer van het water niet mogelijk is.

2.4.1. Het dagelijks bestuur stelt dat het wel mogelijk is de vereiste zuiveringsvoorziening te plaatsen. Het wijst op de offerte van een gerenommeerd bedrijf voor het plaatsen van de vereiste zuiveringsinstallatie en het verleggen van de leidingen naar de andere zijde van de woning alsmede de door de buren uitgesproken bereidheid om toestemming te verlenen voor de aanleg van een zuiveringsvoorziening op hun terrein.

2.4.2. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de voorzitter van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat het feitelijk niet mogelijk of rechtens niet aanvaardbaar is bij de woning van verzoeker de vereiste zuiveringsvoorziening aan te leggen. Mede gelet hierop heeft het dagelijks bestuur in redelijkheid ervan kunnen uitgaan dat de in het Besluit lozingen afvalwater huishoudens neergelegde afwijkingsbevoegdheid in een geval als dit niet in aanmerking komt. Nu verder met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid tot handhaving geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd, heeft het dagelijks bestuur op goede gronden een last onder dwangsom opgelegd.

2.5. [verzoeker] betoogt dat de begunstigingstermijn die afliep op 1 mei 2009 onredelijk kort is

2.5.1. Het dagelijks bestuur stelt dat [verzoeker] zeker sinds februari 2008 bekend is met de verplichting tot aanleg van de vereiste zuiveringsvoorziening en dat hem voorafgaand aan het bestreden besluit achtereenvolgens een waarschuwing en een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom zijn verzonden. In dat licht bezien is, zo meent het dagelijks bestuur, de begunstigingstermijn niet te kort.

2.5.2. Voor aanleg van de vereiste zuiveringsvoorziening op de locatie van de huidige zuiveringsvoorziening is overeenstemming met de buren vereist welke vervolgens moet worden vastgelegd, terwijl ook met de voorbereiding en uitvoering van de aanleg van de vereiste zuiveringsvoorziening op het perceel van verzoeker tijd is gemoeid. De Voorzitter acht op grond van het verhandelde ter zitting meer tijd nodig dan in de begunstigingstermijn is aangegeven ter concretisering van de bestaande mogelijkheden tot aanleg van de benodigde zuiveringsvoorziening.

2.6. Gezien het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.7. Het dagelijks bestuur dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het dagelijks bestuur van het Waterschap Brabantse Delta van 8 april 2009, kenmerk 09U002691 tot tien weken na de openbaarmaking van deze uitspraak;

II. veroordeelt het dagelijks bestuur van het Waterschap Brabantse Delta tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door Waterschap Brabantse Delta aan [verzoeker] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III. gelast dat het Waterschap Brabantse Delta aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Melse

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2009

191-579.