Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI4994

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-05-2009
Datum publicatie
27-05-2009
Zaaknummer
200903317/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

verleende vergunning om 15,9 Mkg aan mosselen op te vissen en uit te zaaien op percelen in de Waddenzee is op 12 mei 2009 in werking getreden en geldt tot en met 12 juni 2009. De Faunabescherming is van mening dat de bevissing van het genoemde gebied schade zal toebrengen aan de aanwezige natuurlijke kenmerken en (kwalificerende) waarden van het Natura 2000-gebied Waddenzee, en dat deze bevissing mitsdien niet dient te worden toegestaan. Zij hebben daartoe bezwaar gemaakt tegen het besluit tot verlening van de vergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903317/1/R2.

Datum uitspraak: 18 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

stichting Stichting De Faunabescherming, gevestigd te Amstelveen,

verzoekster,

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

verweerder.

Openbare zitting gehouden op maandag 18 mei 2009 om 16.00 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad mr. R.J. Hoekstra voorzitter

Ambtenaar van Staat: mr. M. Vogel-Carprieaux

Ambtenaar van Staat: mr. T.A. Oudenaarden

Verschenen:

Stichting Stichting De Faunabescherming, vertegenwoordigd door haar secretaris, [secretaris], en haar voorzitter, [voorzitter];

De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, vertegenwoordigd door mr. K. de Jonge, ambtenaar werkzaam bij het ministerie, vergezeld door prof. dr. P. Herman, M.R. van Stralen, J.M.M. Kouwenhoven, K. Laros en S. Braaksma;

De Vereniging Producentenorganisatie van de Nederlandse Mosselcultuur, vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. P.W.H.M. Haans en mr. W.H. Lindhout, beiden advocaat te Bergen op Zoom.

De voorzitter

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 7 mei 2009, kenmerk DRZ/09/1603/SD/HG, voor zover het betreft de zinsnede "maximaal 15,9 Mkg. aan mosselen", en bepaalt dat deze zinsnede gelezen dient te worden als "maximaal 12,0 Mkg. aan mosselen";

II. veroordeelt de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit tot vergoeding van de bij stichting Stichting De Faunabescherming in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 22,80 (zegge tweeëntwintig euro en tachtig cent); het bedrag dient door de Staat (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) onder vermelding van het zaaknummer aan de stichting Stichting De Faunabescherming te worden betaald;

III. gelast dat de Staat (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) aan stichting Stichting De Faunabescherming het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Daartoe overweegt hij het volgende.

1. Procesverloop

De verleende vergunning om 15,9 Mkg aan mosselen op te vissen en uit te zaaien op percelen in de Waddenzee is op 12 mei 2009 in werking getreden en geldt tot en met 12 juni 2009. De Faunabescherming is van mening dat de bevissing van het genoemde gebied schade zal toebrengen aan de aanwezige natuurlijke kenmerken en (kwalificerende) waarden van het Natura 2000-gebied Waddenzee, en dat deze bevissing mitsdien niet dient te worden toegestaan. Zij hebben daartoe bezwaar gemaakt tegen het besluit tot verlening van de vergunning.

Onder deze omstandigheden is het niet mogelijk een situatie te bereiken waarbij geen onomkeerbare gevolgen optreden. Schorsing van het besluit zou ertoe leiden dat, gelet op het tijdsverloop van de bezwaar- en eventueel de beroepsprocedure, de periode van de vergunningverlening zou verlopen, waardoor de vergunde bevissing niet meer mogelijk is, ook al zou het bezwaar en eventueel het beroep ongegrond blijken te zijn. Niet-schorsen van het besluit zou ertoe leiden dat door de uitgevoerde bevissing het niet toestaan van de bevissing geen betekenis meer heeft, ook al zou het bezwaar en eventueel het beroep gegrond blijken te zijn.

Tevens moet in aanmerking worden genomen dat in het geschil de vraag centraal staat of de minister in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat met de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat door de activiteit waarvoor vergunning is verleend de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zullen worden aangetast. De Faunabescherming stelt dat de passende beoordeling zodanige gebreken vertoont dat de minister in redelijkheid niet tot dit oordeel heeft kunnen komen. De beantwoording van deze vraag vergt nader onderzoek waartoe de voorlopige-voorzieningsprocedure zich niet leent.

Afweging van alle betrokken belangen leidt tot de ordemaatregel dat de voorjaarsvisserij vooralsnog wordt beperkt tot maximaal 12,0 Mkg aan mosselen in het in bijlage 6 van het bestreden besluit aangeduide visgebied in de westelijke Waddenzee.

voorzitter ambtenaar van Staat

w.g. Hoekstra w.g. Oudenaarden

458-568.