Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI4991

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-05-2009
Datum publicatie
27-05-2009
Zaaknummer
200804453/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 mei 2007 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) [appellante] een boete van € 8.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804453/1.

Datum uitspraak: 27 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats], waarvan de beherend vennoot is

[vennoot], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 mei 2008 in zaak nr. 07/3140 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2007 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) [appellante] een boete van € 8.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 8 augustus 2007 heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 mei 2008, verzonden op 21 mei 2008, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. L.F. Portier, advocaat te Eindhoven, vergezeld door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. S. Eekhout, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 1˚, van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 18, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 45.000,00.

Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Volgens artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2007 (hierna: de beleidsregels) worden bij de berekening van een boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000,00 per persoon per beboetbaar feit gesteld.

2.2. In het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost van 22 december 2006 (hierna: het proces-verbaal) is vermeld dat de verbalisant tijdens de controle op 21 december 2006 in Pizzeria - restorante [appellante] achter de counter twee personen zag staan, te weten één vrouw en één man en dat hij zag dat de vrouw bezig was met het leggen van ingrediënten op een deegbodem (pizza).

In het op ambtsbelofte door een inspecteur van de Arbeidsinspectie op 11 januari 2007 opgemaakte boeterapport staat dat die inspecteur op basis van het proces-verbaal heeft vastgesteld dat [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) ten tijde van de controle op 21 december 2006 arbeid verrichtte bestaande uit het leggen van ingrediënten op een deegbodem (pizza) zonder dat daarvoor een tewerkstellingsvergunning was afgegeven.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat het besluit van 8 augustus 2007 is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Door te overwegen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van het uitgangspunt dat de minister in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal, heeft de rechtbank niet onderkend dat uit de verklaring van [gemachtigde] van 22 december 2006 blijkt dat hij de hele pizza heeft klaargemaakt, voorts de vreemdeling op 22 december 2006 schriftelijk heeft verklaard dat zij geen werkzaamheden heeft verricht en ook een tijdens de controle aanwezige klant in zijn verklaring van 5 januari 2007 heeft bevestigd dat hij de pizza bij [gemachtigde] heeft besteld en dat deze door [gemachtigde] is gemaakt. De rechtbank heeft evenmin onderkend dat de ontkenning dat werkzaamheden door de vreemdeling zijn verricht, aanleiding vormde om de vreemdeling te horen als getuige. Nu zij niet is gehoord, is het besluit van 8 augustus 2007 niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd, aldus [appellante].

2.3.1. Vaste rechtspraak van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 16 januari 2007 in zaak nr. 200608940/1; AB 2007, 68) is dat de minister in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij de wederpartij tegenbewijs heeft geleverd dat noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. Daarvan is in dit geval geen sprake.

[appellante] heeft haar stelling dat de vreemdeling op bezoek was en dat zij niets aan het doen was, gestaafd met schriftelijke verklaringen van de vreemdeling en van de tijdens de controle aanwezige klant. Nu de verklaring van de aanwezige klant zeer summier is en hij niet heeft verklaard dat hij heeft waargenomen dat de vreemdeling op geen enkele wijze bij de bereiding van de pizza was betrokken, kan die verklaring reeds daarom niet als tegenbewijs dienen. De enkele verklaring van de vreemdeling dat zij op de bewuste dag geen werkzaamheden heeft verricht, is op zichzelf genomen en zonder nadere staving, evenzeer van onvoldoende gewicht om als tegenbewijs te dienen. Voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor twijfel aan de juistheid van het proces-verbaal bestaat onder deze omstandigheden geen grond. Het betoog faalt.

2.4. Voor zover [appellante] stelt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de ontkenning dat door de vreemdeling werkzaamheden zijn verricht, aanleiding gaf om de vreemdeling als getuige te horen, wordt als volgt overwogen.

Anders dan de minister in zijn verweerschrift in hoger beroep aanvoert, bestaat geen grond voor het oordeel dat dit punt tardief is ingebracht, omdat tijdens de zitting in beroep naar voren is gebracht dat de vreemdeling door de verbalisant niet is gevraagd een verklaring af te leggen.

Zo al grond zou bestaan voor het oordeel dat de vreemdeling door de verbalisant ten onrechte niet als getuige is gehoord, kan dat niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Daartoe is redengevend dat hoewel daartoe de mogelijkheid bestond, [appellante] de minister niet heeft verzocht om de vreemdeling tijdens hoorzitting in de bezwaarfase alsnog als getuige te horen. [appellante] heeft evenmin gesteld dat zij de rechtbank tijdig heeft verzocht om de vreemdeling als getuige te horen en ook in hoger beroep heeft zij van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. De Vink

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2009

154-501.