Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI4988

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-05-2009
Datum publicatie
27-05-2009
Zaaknummer
200807095/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning tweede fase verleend voor het oprichten van een woongebouw op het perceel [locatie] te Groningen (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 2
Woningwet 40
Woningwet 44
Woningwet 56a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 276
JOM 2010/100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807095/1/H1.

Datum uitspraak: 27 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen van 14 augustus 2008 in zaken nrs. 08/638, 08/639 en 08/688 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning tweede fase verleend voor het oprichten van een woongebouw op het perceel [locatie] te Groningen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 12 juni 2008 heeft het college het door [appellanten] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 augustus 2008, verzonden op 20 augustus 2008, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen (hierna: de voorzieningenrechter) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 september 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 oktober 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 april 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door J. Boekeloo en mr. H.A. Sarolea, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. I.A. Hop, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [vergunninghouder].

2. Overwegingen

2.1. Het pand waarin het bouwplan zal worden gerealiseerd bestaat uit een voormalige bakkerij en een voorhuis. Het bouwplan betreft de voormalige bakkerij en voorziet in de nieuwbouw van zes afzonderlijke studio's met eigen douche en keuken. Eén van de studio's is tevens voorzien van een toilet. Het bouwplan voorziet verder in twee gezamenlijke toiletten ten behoeve van de andere studio's.

2.2. Gelet op artikel 56a, derde lid, van de Woningwet, gelezen in samenhang met artikel 44, eerste lid, onderdeel a en b, van die wet, zijn slechts het Bouwbesluit 2003 (hierna: het Bouwbesluit) en de niet-stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening van belang voor het antwoord op de vraag of het college de bouwvergunning tweede fase terecht heeft verleend.

2.3. Ingevolge artikel 1.1., eerste lid, van het Bouwbesluit wordt voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften verstaan onder:

gebruiksfunctie: de gedeelten van een of meer bouwwerken op een perceel of standplaats, die dezelfde gebruiksbestemming hebben en die tezamen een gebruikseenheid vormen; (..)

verblijfsgebied: gedeelte van een gebruiksfunctie met ten minste een verblijfsruimte, bestaande uit een of meer op dezelfde bouwlaag gelegen aan elkaar grenzende ruimten anders dan een toiletruimte, een badruimte, een technische ruimte of een verkeersruimte;

verblijfsruimte: ruimte voor het verblijven van mensen, dan wel een ruimte waarin de voor een gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten plaatsvinden; (..)

Ingevolge het derde lid, wordt voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften voorts verstaan onder woonfunctie: gebruiksfunctie voor het wonen; (..)

Ingevolge artikel 4.21, tweede lid, van het Bouwbesluit heeft een woonfunctie een vloeroppervlakte van ten minste 24 m² aan verblijfsgebied.

Ingevolge het vierde lid is ten hoogste 35% van de totale vloeroppervlakte aan verblijfsgebied als bedoeld in het eerste lid, gemeenschappelijk verblijfsgebied, op voorwaarde dat:

a. ten minste 24 m² niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied is, of

b. ten minste 18 m² niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied is en ten minste een gemeenschappelijk verblijfsgebied een vloeroppervlakte heeft van ten minste 18 m².

Op het gemeenschappelijke verblijfsgebied zijn uitsluitend woonfuncties aangewezen.

2.4. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat het woongebouw twee onafhankelijk van elkaar toegankelijke/bereikbare ruimtes bevat, waardoor sprake is van twee woonfuncties. Via de ene ruimte zijn vier studio's bereikbaar en via de andere ruimte zijn twee studio's bereikbaar. Beide woonfuncties voldoen volgens de voorzieningenrechter aan artikel 4.21, tweede lid, van het Bouwbesluit. Het college heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat met een woonfunctie in de zin van het Bouwbesluit een zelfstandige woonruimte is bedoeld en het bouwplan, gelet op de twee gemeenschappelijke toegangen tot de studio's en de aanwezige voorzieningen, voorziet in twee zelfstandige woonruimtes en dus in twee woonfuncties.

2.5. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met artikel 4.21, tweede lid, van het Bouwbesluit. Daartoe voert hij aan dat de voorzieningenrechter een onjuiste invulling van het begrip "woonfunctie", als bedoeld in het Bouwbesluit, hanteert. Volgens [appellant] moeten de zes afzonderlijke studio's elk als woonfunctie worden aangemerkt, nu deze zijn bestemd om als woonruimte te dienen voor zes afzonderlijke individuele personen.

2.5.1. Het begrip "woonfunctie" is in artikel 1.1, derde lid, van het Bouwbesluit gedefinieerd als een gebruiksfunctie voor het wonen. Het begrip "gebruiksfunctie" is in het eerste lid van voornoemd artikel gedefinieerd als de gedeelten van een of meer bouwwerken op een perceel of standplaats, die dezelfde gebruiksbestemming hebben en die tezamen een gebruikseenheid vormen. Het begrip "gebruikseenheid" is niet gedefinieerd in het Bouwbesluit. Uit artikel 4.21, vierde lid, van het Bouwbesluit volgt dat het verblijfsgebied van een woonfunctie gedeeltelijk gemeenschappelijk verblijfsgebied kan betreffen. In de toelichting op het Bouwbesluit wordt, voor zover thans van belang, aangegeven dat onder woonfunctie ruimten vallen die een woonbestemming hebben, zoals vrijstaande woningen, eengezinswoningen, flat- of portiekwoningen, kamers in een studentenhuis en woonwagens. De Afdeling heeft in de uitspraak van 30 november 2005, nr. 200501291/1 ten aanzien van de kamers in een voor studenthuisvesting in gebruik zijnd pand overwogen dat deze dienen te worden gezien als ruimten waarvoor een woonfunctie geldt in de zin van het Bouwbesluit.

Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat niet is uitgesloten dat een ruimte met een woonfunctie voorzieningen en ruimtes deelt met een andere ruimte met een woonfunctie. Een ruimte hoeft in die zin dan ook niet zelfstandig te zijn om als gebruikseenheid voor het wonen en daarmee als woonfunctie te worden aangemerkt. Nu elk van de studio's, blijkens de inrichting, is bedoeld voor het afzonderlijk gebruik voor het wonen door één persoon, dienen de studio's te worden aangemerkt als afzonderlijke gebruikseenheden voor het wonen en daarmee als afzonderlijke woonfuncties. Drie van de zes studio's hebben een oppervlakte aan verblijfsgebied van minder dan 24 m². Het bouwplan voorziet niet in gemeenschappelijk verblijfsgebied als bedoeld in het Bouwbesluit. Het bouwplan is, gelet hierop, in strijd met de oppervlakte-eis voor verblijfsgebied van een woonfunctie, als bedoeld in artikel 4.21, tweede lid, van het Bouwbesluit. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd behoeft geen bespreking meer. Doende hetgeen de voorzieningenrechter zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar van 12 juni 2008, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen, nu deze ondeugdelijk is gemotiveerd. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de bezwaren van [appellant] te beslissen.

2.7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen van 14 augustus 2008 in zaken nrs. 08/638, 08/639 en 08/688;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Groningen van 12 juni 2008, kenmerk DI08.1626783/200706595;

V. bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders van Groningen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit neemt;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Groningen tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Groningen aan [appellanten] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII. gelast dat de gemeente Groningen aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 361,00 (zegge: driehonderdeenenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Oudenaller

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2009

414-580.