Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI4978

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-05-2009
Datum publicatie
27-05-2009
Zaaknummer
200804052/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland (hierna: het college) aan de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Precisiewerk Zierikzee B.V. en Metaalbewerking Zierikzee B.V. (hierna Precisiewerk Zierikzee) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer verleend voor een precisiegieterij volgens de zogenoemde verloren was methode, gelegen aan de Julianastraat 48 te Zierikzee.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/491
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804052/1/M1.

Datum uitspraak: 27 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Coöperatieve Zuidelijke Aan- en Verkoopvereniging u.a., gevestigd te Wemeldinge, gemeente Kapelle,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland (hierna: het college) aan de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Precisiewerk Zierikzee B.V. en Metaalbewerking Zierikzee B.V. (hierna Precisiewerk Zierikzee) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer verleend voor een precisiegieterij volgens de zogenoemde verloren was methode, gelegen aan de Julianastraat 48 te Zierikzee.

Tegen dit besluit heeft de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Coöperatieve Zuidelijke Aan- en Verkoopvereniging u.a. (hierna: CZAV) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2009, waar CZAV, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, vergezeld door H.C. de Lange en S.A. Pierot, en het college, vertegenwoordigd door J.B.J.M. Merkx, werkzaam bij de Regionale Milieudienst West-Brabant, en K. Nomden, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Precisiewerk Zierikzee, vertegenwoordigd door mr. E. van der Hoeven en N.A.M. Clarijs, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.1.1. Wanneer krachtens de Wet milieubeheer een vergunning voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting of een zogenoemde revisievergunning wordt verleend, zijn naast de aanvrager onder meer de eigenaren van percelen waarop rechtstreeks milieugevolgen van deze inrichting kunnen worden ondervonden belanghebbenden. CZAV is eigenaresse van een op ongeveer 40 meter afstand van de inrichting van Precisiewerk Zierikzee gelegen terrein. Aannemelijk is dat op deze afstand rechtstreeks milieugevolgen vanwege de inrichting kunnen worden ondervonden. Gelet daarop is het belang van CZAV rechtstreeks bij het besluit tot vergunningverlening betrokken. Dat, zoals het college betoogt, haar plannen tot het realiseren van woningbouw op dit terrein niet zijn aan te merken als een redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling, zoals bedoeld in artikel 8.8, eerste lid onder c, van de Wet milieubeheer, doet daar, anders dan het college betoogt, niet aan af.

2.2. Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht vloeit voort dat in beroep slechts categorieën milieugevolgen als besluitonderdelen aan de orde kunnen worden gesteld waarover een zienswijze naar voren is gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten.

CZAV heeft zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot geluid en met betrekking tot emissies naar de lucht. Gelet daarop hebben, anders dan het college en Precisiewerk Zierikzee stellen, de beroepsonderdelen die betrekking hebben op de akoestische typering van de omgeving en op ontbrekende informatie inzake emissie naar de lucht betrekking op besluitonderdelen waarover zienswijzen naar voren zijn gebracht. Ook in zoverre is er geen grond voor niet-ontvankelijk verklaring van het beroep.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4. CZAV betoogt dat de omgeving op grond van de door het college toegepaste Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) dient te worden getypeerd als een rustige woonwijk met weinig verkeer. Gelet daarop zijn volgens CZAV hogere waarden vergund dan de voor een dergelijke omgeving geldende richtwaarden, en had het college deze waarden niet mogen vergunnen zonder dat onderzocht was of met lagere grenswaarden kon worden volstaan, en zonder dat het referentieniveau voor het omgevingsgeluid was vastgesteld.

2.4.1. Het college bestrijdt dat hogere grenswaarden zijn vergund dan op grond van de Handreiking toelaatbaar is. Gelet op de omgeving is aansluiting gezocht bij de gebiedstypering "woonwijk in de stad" uit tabel 4 in hoofdstuk 3 van de Handreiking. De richtwaarden voor dit omgevingstype, 50, 45 en 40 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode zijn voorgeschreven in het aan de vergunning verbonden voorschrift 11.1.1. De omgeving kan volgens het college niet worden getypeerd als een "rustige woonwijk met weinig verkeer", waarvoor in principe een etmaalwaarde van 45 dB(A) zou moeten gelden.

2.4.2. Niet bestreden is dat de inrichting is gelegen op een bedrijventerrein. Voor zover zich op dit terrein woningen bevinden geldt uitgaande van de Handreiking voor deze woningen een richtwaarde van 55 dB(A). De aan de overzijde van het aan het bedrijventerrein grenzende kanaal gelegen woonwijk behoort tot het centrale deel van de stad Zierikzee. Gelet daarop heeft het college deze wijk terecht als een woonwijk in de stad getypeerd.

2.5. CZAV betoogt dat het college in voorschrift 11.2.1 ten onrechte heeft bepaald dat voorschrift 11.1.2, waarin het maximaal geluidniveau is vastgesteld, niet van toepassing is op het laden en lossen in de dagperiode. Volgens haar heeft Precisiewerk Zierikzee niet gevraagd om vanwege een dreigende overschrijding van het maximale geluidniveau het laden en lossen in de dagperiode uit te zonderen.

2.5.1. Volgens het college kan ook tijdens het laden en lossen worden voldaan aan voorschrift 11.1.2. Voorschrift 11.2.1 had daarom niet aan de vergunning verbonden mogen worden. Het besluit is in zoverre in strijd met het algemeen rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig genomen moet worden. Deze beroepsgrond slaagt.

2.6. CZAV betoogt dat de geluidgrenswaarden mogelijk worden overschreden omdat de werktijden ruimer zijn dan de periode waarin de transportbewegingen mogen plaatsvinden, en omdat niet is voorgeschreven dat transportbewegingen alleen tijdens de dagperiode mogen plaatsvinden.

2.6.1. Zoals het college terecht naar voren heeft gebracht zijn transportbewegingen alleen voor de dagperiode aangevraagd. Daar de aanvraag volgens onderdeel 5 van het dictum van het besluit deel uitmaakt van de vergunning, worden uitsluitend transportbewegingen in de dagperiode vergund en mocht het college zich op het standpunt stellen dat het bij voorschrift verbieden van transportbewegingen in de avondperiode niet nodig is.

2.6.2. Voor zover in de beroepsgrond de verwachting wordt verwoord dat transportbewegingen zullen plaatsvinden op tijdstippen die niet vergund zijn, zodat de vergunning in zoverre zal worden overtreden, heeft de beroepsgrond geen betrekking op de ter beoordeling staande vergunning en kan deze om die reden niet slagen. De beroepsgrond faalt.

2.7. In voorschrift 12.1.1 is bepaald dat binnen vier maanden na het in werking treden van de vergunning een onderzoek naar de emissies vanuit de inrichting naar de lucht dient plaats te vinden. CZAV betoogt dat de gegevens uit dit onderzoek bekend hadden moeten zijn voordat de vergunning werd verleend. Nu dit niet het geval is staat volgens CZAV niet vast of de vergunning had mogen worden verleend.

2.7.1. In de overwegingen van het bestreden besluit is gesteld dat het onderzoek naar emissies naar de lucht is voorgeschreven, omdat uit de aanvraag niet blijkt welke stoffen bij de verschillende emissiepunten worden geëmitteerd en evenmin wat de omvang van de grensmassastroom van de verschillende geëmitteerde stoffen is. In het verweerschrift en ter zitting heeft het college betoogd dat het onderzoek vooral ten doel heeft om de goede werking van de gebruikte reinigingstechnieken vast te stellen.

2.7.2. Naar het oordeel van de Afdeling kon het college bij het in de aanvraag ontbreken van de gegevens betreffende de naar de lucht geëmitteerde stoffen in zoverre niet beoordelen welke nadelige gevolgen de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, noch of ten behoeve van het voorkomen, beperken of ongedaan maken van de mogelijke nadelige gevolgen toereikende voorschriften dienden te worden gesteld en of de beste beschikbare technieken worden toegepast. Het lag derhalve op de weg van het college om deze gegevens voorafgaand aan de verlening van de vergunning te verkrijgen. Nu het college dit heeft nagelaten heeft het in zoverre, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, onvoldoende kennis vergaard omtrent de relevante feiten. De beroepsgrond slaagt.

2.8. Het beroep is gegrond. Nu het aspect van emissies naar de lucht mede bepalend is voor de vraag of de vergunning kan worden verleend komt het besluit van 24 april 2008 in zijn geheel voor vernietiging in aanmerking.

2.9. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland van 24 april 2008;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland tot vergoeding van bij de Coöperatieve Zuidelijke Aan- en Verkoopvereniging u.a. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 680,99 (zegge: zeshonderdtachtig euro en negenennegentig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Schouwen-Duiveland aan de Coöperatieve Zuidelijke Aan- en Verkoopvereniging u.a. onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. gelast dat de gemeente Schouwen-Duiveland aan de Coöperatieve Zuidelijke Aan- en Verkoopvereniging u.a. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Sparreboom

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2009

195-539.