Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI4970

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-05-2009
Datum publicatie
27-05-2009
Zaaknummer
200806458/1/H3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2008:BD8487, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Menaldumadeel (hierna: het college) het bezwaar van [wederpartij] tegen de weigering van het college om maatregelen te treffen tegen de overlast door het gekraai van hanen vanaf het perceel [locatie 1] te [plaats], opnieuw ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806458/1/H3.

Datum uitspraak: 27 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Menaldumadeel, appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 15 juli 2008 in zaak nr. 07/915 in het geding tussen:

[wederpartij], wonende te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Menaldumadeel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Menaldumadeel (hierna: het college) het bezwaar van [wederpartij] tegen de weigering van het college om maatregelen te treffen tegen de overlast door het gekraai van hanen vanaf het perceel [locatie 1] te [plaats], opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 juli 2008, verzonden op 16 juli 2008, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 7 maart 2007 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 augustus 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 september 2008.

Bij besluit van 24 november 2008 heeft het college het bezwaar van [wederpartij] opnieuw ongegrond verklaard.

Bij brief van 8 december 2008 heeft [wederpartij] gronden tegen dit besluit aangevoerd.

[belanghebbende], eigenaar van de hanen en wonende aan de [locatie 1] te [plaats], heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 april 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J. Faber, en [wederpartij], in persoon, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.4.20, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Menaldumadeel (hierna: de APV) is het college bevoegd buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen aan te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of van schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren:

a. aanwezig te hebben; dan wel

b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen ter voorkoming of opheffing van overlast of van schade aan de openbare gezondheid gestelde regels; dan wel

c. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven.

Ingevolge het tweede lid is het verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door het college is aangegeven.

2.2. Naar aanleiding van klachten van [wederpartij] over het gekraai van hanen op het perceel [locatie 1] te [plaats], heeft het college [belanghebbende] bij brief van 12 mei 2005 meegedeeld dat hij maatregelen dient te treffen om de geluidsbelasting op het perceel [locatie 2] tot aanvaardbare waarden terug te brengen. Daarbij is vermeld dat de noodzakelijke geluidsreductie kan worden bereikt door:

a. afstandsvergroting - door het verplaatsen van de hokken;

b. geluidsisolatie - door het treffen van bouwkundige voorzieningen.

Voorts is vermeld dat, indien uit een na 1 augustus 2005 uit te voeren controle blijkt dat aan de gestelde verplichting niet is voldaan, het college gebruik zal moeten maken van de in artikel 2.4.20 van de APV gegeven bevoegdheid plaatsen aan te wijzen waar het, ter voorkoming van overlast of schade aan de openbare gezondheid, verboden is hinderlijke of schadelijke dieren aanwezig te hebben.

Bij brief van 25 augustus 2006 heeft [wederpartij] het college erop gewezen dat niet is voldaan aan de voorwaarde om de hanenhokken te verplaatsen of te isoleren en heeft hij het college verzocht te handelen naar zijn beslissing van 12 mei 2005.

Bij besluit van 6 september 2006, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 15 november 2006, heeft het college geweigerd handhavend op te treden, omdat [belanghebbende], blijkens een van gemeentewege op 6 september 2006 uitgevoerde controle ter plaatse, heeft voldaan aan het verzoek van 12 mei 2005.

Bij uitspraak van 2 februari 2007 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: de voorzieningenrechter) het besluit van 15 november 2006 vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Hij heeft overwogen dat de brief van [wederpartij] van 25 augustus 2006 niet anders kan worden gelezen dan als een verzoek om een besluit te nemen als bedoeld in artikel 2.4.20, eerste lid, van de APV en dat het college derhalve had moeten beoordelen of hij bevoegd was in dit geval een aanwijzing als bedoeld in die bepaling te geven en, zo ja, of de betrokken belangen aanwending van die bevoegdheid rechtvaardigen.

Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 7 maart 2007 heeft het college het bezwaar van [wederpartij] tegen het besluit van 6 september 2006 opnieuw ongegrond verklaard.

2.3. Het college heeft ter zitting de beroepsgrond dat de rechtbank heeft miskend dat reeds op 12 mei 2005 een aanwijzingsbesluit is genomen, ingetrokken.

2.4. De rechtbank heeft het besluit van 7 maart 2007 vernietigd, omdat de daarin vervatte impliciete weigering om een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 2.4.20 van de APV te nemen naar haar oordeel niet op een deugdelijke motivering berust en niet zorgvuldig is voorbereid. Zij heeft overwogen dat het college bij zijn beoordeling van de gestelde overlast niet alleen de geluidsmetingen en de daarin opgenomen (industriële) grenswaarden in aanmerking had dienen te nemen, nu uit de niet aangevochten uitspraak van de voorzieningenrechter volgt dat dit onvoldoende is. Gelet op de ratio van artikel 2.4.20 van de APV had het college naar het oordeel van de rechtbank mede de aard van de geluidsbelasting en de impact ervan in het concrete geval in aanmerking moeten nemen.

2.5. Het college bestrijdt de overweging van de rechtbank dat het bij de beoordeling van de mogelijk zich voordoende overlast geen juiste uitvoering aan de uitspraak van de voorzieningenrechter heeft gegeven.

2.5.1. De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 2 februari 2007 overwogen dat overlast als bedoeld in artikel 2.4.20 van de APV uit meer aspecten kan bestaan dan alleen de gemeten geluidsbelasting. Ook indien het geproduceerde geluid binnen een aanvaardbaar niveau blijft, kan volgens de voorzieningenrechter sprake zijn van het hinderlijk houden van dieren. Uit de enkele constatering dat de maximale grenswaarden voor industrielawaai niet worden overschreden, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden afgeleid dat geen sprake is van overlast.

2.5.2. Blijkens het besluit van 7 maart 2007 heeft het college beoordeeld in hoeverre de ondervonden overlast geobjectiveerd kan worden. Het heeft aan de hand van twee door de Milieuadviesdienst uitgevoerde geluidsmetingen bij de woning van [wederpartij] vastgesteld dat de grenswaarden van de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening na de isolatie van de hokken niet meer worden overschreden. Het heeft voorts gewezen op de landelijke omgeving waarin beide percelen zijn gelegen, die bij uitstek geschikt is voor het hobbymatig houden van dieren, zoals bijvoorbeeld hanen, en op de omstandigheid dat op het perceel van [belanghebbende] sinds ongeveer 27 jaar hanen worden gehouden. [wederpartij] had daarmee volgens het college bij de aankoop van zijn woning begin 2003 rekening kunnen houden. Het college heeft voorts overwogen dat [belanghebbende] het aantal hanen na klachten van [wederpartij] heeft teruggebracht, maar dat dit de klachten van [wederpartij] niet heeft doen verminderen.

2.5.3. Met deze toelichting heeft het college uitvoering gegeven aan de uitspraak van de voorzieningenrechter. In die uitspraak wordt weliswaar een ruimer toetsingskader aangegeven dan alleen de maximale grenswaarden voor industrielawaai, maar de uitspraak verzet zich niet tegen het door het college kennelijk en terecht gekozen uitgangspunt dat ingrijpen met toepassing van artikel 2.4.20 van de APV in de leefwereld van de ene burger ter bestrijding van door een andere burger ervaren overlast tenminste vergt dat die overlast op basis van de aard en intensiteit van de bron in relatie tot de omgeving kan worden geobjectiveerd.

Het college heeft zich bij de beoordeling of zich overlast voordoet niet alleen gebaseerd op de gemeten geluidsbelasting, maar ook op de aard daarvan door zich rekenschap te geven van de omgeving waarin de hanen worden gehouden. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in een landelijke omgeving waarin het houden van dieren gebruikelijk is, dierengeluiden tot op zekere hoogte moeten worden geaccepteerd. Dat geldt met name ook voor [wederpartij], die in het gebied is komen wonen wetende dat op het naastgelegen perceel al vele jaren hanen worden gehouden. Voorts heeft het college terecht in aanmerking genomen dat [belanghebbende] in verband met de klachten van [wederpartij] het aantal hanen heeft teruggebracht van 16 naar 8 en de hokken overeenkomstig de brief van 12 mei 2005 afsluitbaar heeft gemaakt. In aansluiting hierop heeft het college deugdelijk gemotiveerd dat deze zaak zich onderscheidt van die betreffende twee hanen in Engelum. Deze hanen werden gehouden binnen de bebouwde kom, veroorzaakten in die intensief bewoonde omgeving overlast en moesten worden verwijderd omdat daartegen geen maatregelen werden getroffen. [wederpartij] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de hanen van [belanghebbende] niet te dulden hinder veroorzaken. De overgevoeligheid die hij stelt te hebben ontwikkeld voor hanengekraai rechtvaardigt niet de conclusie dat de hanen objectief beschouwd overlast in de zin van artikel 2.4.20, eerste lid, van de APV veroorzaken. Een bijzondere gevoeligheid voor hanengekraai, waardoor dit persoonlijk als overlast wordt ervaren, is daarvoor niet bepalend.

Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de hanen van [belanghebbende] geen overlast in de zin van artikel 2.4.20, eerste lid, van de APV veroorzaken. Het college was ten tijde van het besluit van 7 maart 2007 derhalve niet bevoegd een aanwijzingsbesluit te nemen.

Gelet hierop behoeft hetgeen het college subsidiair heeft aangevoerd met betrekking tot de belangenafweging geen bespreking.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Afdeling het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

2.7. Bij besluit van 24 november 2008 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.

Met vernietiging van de aangevallen uitspraak komt aan dit besluit de grondslag te ontvallen. Dit besluit dient derhalve eveneens te worden vernietigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 15 juli 2008 in zaak nr. 07/915;

III. verklaart het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. vernietigt het besluit van 24 november 2008, kenmerk DWI-BME1367.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. K.J.M. Mortelmans en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Visser

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2009

148.