Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI4969

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-05-2009
Datum publicatie
27-05-2009
Zaaknummer
200806424/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2006 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap De Dommel (hierna: het dagelijks bestuur) aan [vergunninghouder] ontheffing verleend voor het vervangen en herstellen van een duiker en het verwijderen van een andere duiker op het perceel kadastraal bekend gemeente Boxtel, sectie N, nummer 727 (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806424/1.

Datum uitspraak: 27 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 7 juli 2008 in zaken nrs. 07/2087 en 07/2474 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het dagelijks bestuur van het waterschap De Dommel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2006 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap De Dommel (hierna: het dagelijks bestuur) aan [vergunninghouder] ontheffing verleend voor het vervangen en herstellen van een duiker en het verwijderen van een andere duiker op het perceel kadastraal bekend gemeente Boxtel, sectie N, nummer 727 (hierna: het perceel).

Bij besluit van 22 mei 2007 heeft het dagelijks bestuur het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 juli 2008, verzonden op 9 juli 2008, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 2008, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben nadere stuken ingediend. Deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2009, waar [appellanten] in persoon, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. B.N. Heuer en J.H.T. van der Helm, beiden werkzaam bij het Waterschap De Dommel, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1 van de Keur oppervlaktewateren Waterschap De Dommel 2005 (hierna: de keur), voor zover thans van belang, wordt hierin onder kunstwerken verstaan waterstaatkundige bouwwerken die van belang zijn voor de functie die de wateren hebben, dan wel uit andere hoofde behoren tot of gelegen zijn in of over een water.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, is het verboden onder, in, op of over een oppervlaktewater kunstwerken aan te leggen, te hebben, te wijzigen of op te ruimen.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, voor zover thans van belang, kan het dagelijks bestuur ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 9.

2.2. Bij besluit van 28 juni 2006, gehandhaafd in bezwaar, heeft het dagelijks bestuur ingevolge artikel 13, eerste lid, van de keur ontheffing van het bepaalde in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, verleend aan [vergunninghouder] voor het vervangen en herstellen van een duiker en het verwijderen van een andere duiker op het perceel. Hieraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat de gevraagde ontheffing past binnen de functies en doelstellingen van het provinciale waterhuishoudingsplan en het waterbeheersplan van waterschap De Dommel. Ook past de ontheffing volgens het dagelijks bestuur binnen de uitgangspunten zoals neergelegd in de beleidsnotitie Gebiedsgericht vergunningen- en ontheffingenbeleid Waterschap De Dommel 2005. Daarnaast heeft het dagelijks bestuur zich op het standpunt gesteld dat de extra afvoer langs de door [appellanten] gepachte percelen door het herstellen en vervangen van de ter plaatse aanwezige duiker een onmeetbaar en onberekenbaar effect heeft op het peil van de watergang. Hydrologisch gezien is er geen effect als gevolg van de aanleg van de duiker, aldus het dagelijks bestuur. Dit standpunt is gebaseerd op adviezen van de afdeling Advies Waterbeheer (hierna: de afdeling AW) van het waterschap van 14 februari, 24 februari, 13 april en 14 juli 2006.

2.3. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid aan [vergunninghouder] de door hem gevraagde ontheffing heeft kunnen verlenen. Zij voeren hiertoe aan dat zij als gevolg van de activiteiten waarvoor ontheffing is verleend, wateroverlast zullen ondervinden op de door hen gepachte percelen aan het [locatie 1] en de [locatie 2] te [plaats].

2.3.1. Het betoog faalt. In het advies van 14 februari 2006 is vermeld dat [vergunninghouder] aan de Middendreef een duiker heeft aangelegd en dat daar in het verleden ook een duiker heeft gelegen. Door achterstallig onderhoud is op een bepaald moment besloten de duiker niet meer te gebruiken. De conclusie van dit advies is dat uit berekeningen volgt dat het peil in de watergang langs de percelen van [appellanten] onmeet- en onberekenbaar weinig stijgt. Hydrologisch gezien is volgens dit advies ter plaatse geen effect geconstateerd als gevolg van de aanleg van de duiker. In antwoord op de vraag of deze conclusie verandert indien de aangegeven drainage aan een andere zijde van het perceel niet of nauwelijks werkt, heeft de Afdeling AW in een aanvullend advies van 24 februari 2006 vermeld dat de conclusies in het eerdere advies niet behoeven te worden aangepast. Vervolgens is in het advies van 13 april 2006 uitleg gegeven over de berekeningen die ten grondslag hebben gelegen aan de vorige adviezen. Het advies van 14 juli 2006 is uitgebracht, omdat de afvoer die in de daaraan voorafgaande adviezen is gebruikt, achterhaald is.

De rechtbank heeft overwogen dat het dagelijks bestuur zich met name op basis van het advies van 14 juli 2006 op het standpunt heeft kunnen stellen dat uit berekeningen volgt dat het peil in de watergang langs de percelen van [appellanten] onmeet- en onberekenbaar weinig stijgt.

Met hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat dit advies onzorgvuldig tot stand is gekomen of dat daaraan anderszins ernstige gebreken kleven. Evenmin hebben zij aannemelijk gemaakt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het dagelijks bestuur zich bij de besluitvorming heeft mogen baseren op het hydrologische advies. Van belang hierbij is dat zij geen deskundigenrapport hebben overgelegd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de gevraagde ontheffing niet mocht worden verleend.

2.4. Voorts voeren [appellanten] aan dat de rechtbank heeft miskend dat de bij besluit van 28 juni 2006 verleende ontheffing in strijd is met de vaststellingsovereenkomst van 8 juli 2003 die zij met het dagelijks bestuur hebben gesloten.

2.4.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de tussen het dagelijks bestuur en [appellanten] gesloten vaststellingsovereenkomst niet aan het verlenen van de ontheffing in de weg stond, omdat het dagelijks bestuur bij het beoordelen van het verzoek de in geschil zijnde ontheffing te verlenen, dit verzoek diende te toetsen aan de Keur en niet aan de vaststellingsovereenkomst. Voor zover [appellanten] met een verwijzing naar die overeenkomst beogen een beroep te doen op het vertrouwensbeginsel, faalt dit eveneens, aangezien in de vaststellingsovereenkomst geen ongeclausuleerde toezeggingen door het dagelijks bestuur zijn gedaan. In deze overeenkomst is slechts vastgelegd dat het waterschap zich zal inspannen om variant 1 uit het rapport van adviesbureau DHV van 8 oktober 2002 te verwezenlijken. Verder is in de overeenkomst vastgelegd dat het waterschap aan betrokkenen de nodige informatie over variant 1 zal verstrekken en vervolgens - bij voldoende draagvlak - een procedure zal starten om die variant in een formeel besluit tot wijziging van de waterhuishouding vast te leggen.

2.5. Verder voeren [appellanten] aan dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur geen rekening heeft gehouden met de waterhuishoudkundige belangen.

2.5.1. het betoog faalt. Zoals hierboven onder 2.2 is overwogen, heeft het dagelijks bestuur beoordeeld of het verlenen van de gevraagde ontheffing in overeenstemming is met de functies en doelstellingen van het provinciale waterhuishoudingsplan en het waterbeheersplan van Waterschap De Dommel en de uitgangspunten zoals neergelegd in de beleidsnotitie Gebiedsgericht vergunningen- en ontheffingenbeleid Waterschap De Dommel 2005. Het dagelijks bestuur heeft derhalve rekening gehouden met de waterhuishoudkundige belangen. Dat deze afweging van belangen niet tot het door [appellanten] gewenste resultaat heeft geleid, betekent niet dat zij niet, of niet op evenwichtige wijze, heeft plaatsgevonden. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.6. Tot slot overweegt de Afdeling dat, voor zover [appellanten] gronden aanvoeren die geen verband houden met de in geschil zijnde ontheffing, deze in dit hoger beroep niet aan de orde kunnen komen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Groenendijk

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2009

164.