Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI4944

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-05-2009
Datum publicatie
27-05-2009
Zaaknummer
200807222/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oldenzaal (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een lichte bouwvergunning verleend voor het oprichten van een schuur op het perceel [locatie] te Oldenzaal (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807222/1/H1.

Datum uitspraak: 27 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 25 augustus 2008 in zaak nr. 07/1395 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Oldenzaal.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oldenzaal (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een lichte bouwvergunning verleend voor het oprichten van een schuur op het perceel [locatie] te Oldenzaal (hierna: het perceel).

Bij besluit van 19 november 2007 heeft het college het door onder meer [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 25 juli 2007 onder verbetering van de motivering gehandhaafd.

Bij uitspraak van 25 augustus 2008, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 september 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 24 oktober 2008.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [vergunninghouder] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 april 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. S. Essakkili, rechtsbijstandverlener, en het college, vertegenwoordigd door S.A. Vrielink, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op het perceel rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Graven Es 3e fase gebieden 6 t/m 8" de bestemming "Woondoeleinden -W-". Het perceelsgedeelte waar de schuur is voorzien heeft de aanduiding 'Wmg'.

2.2. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van het besluit op bezwaar, voor zover hier van belang, mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet worden geweigerd, indien:

a. de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120; (..) Het Bouwbesluit 2003 is een dergelijke algemene maatregel van bestuur.

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld; (..).

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, is op de lichte bouwvergunning het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onderdeel a van dat lid slechts van toepassing is voor zover de voorschriften die in dat onderdeel zijn bedoeld, betrekking hebben op constructieve veiligheid.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 14, van de planvoorschriften wordt onder hoofdgebouw verstaan: een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

Ingevolge die aanhef en onder 15 wordt onder bijgebouw verstaan: een vrijstaand of aan een hoofdgebouw aangebouwd gebouw dat in afmetingen ondergeschikt en dienstbaar is aan een hoofdgebouw.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 2, van de planvoorschriften wordt bij toepassing van deze voorschriften het grondoppervlak van een bouwwerk als volgt gemeten: tussen (de buitenste verticale projecties van) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van gemeenschappelijke scheidsmuren).

Ingevolge artikel 5, vierde lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften geldt voor het bouwen van bijgebouwen dat het gezamenlijke oppervlak van bijgebouwen per woning op de grond met de aanduiding W, voor zover gelegen binnen een afstand van 3 meter uit de perceelsgrens, en op de gronden met de aanduiding Wmg ten hoogste 50 m² bedraagt. Van laatstbedoelde gronden dient ten minste 60% onbebouwd en onoverdekt te blijven.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met artikel 5, vierde lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften, omdat bij het realiseren hiervan de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen op het perceel meer dan 50 m² zal bedragen. Daartoe voert hij aan dat de eerder vergunde uitbreiding van de woning op het perceel is vergund als bijgebouw en dient te worden meegeteld bij de oppervlakteberekening van de bij de woning behorende bijgebouwen. Voorts voert hij aan dat ook zonder de eerder vergunde uitbreiding van de woning op het perceel mee te tellen, de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen met het bouwplan wordt overschreden.

2.3.1. Dit betoog faalt. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 15, van de planvoorschriften is een bijgebouw in afmetingen ondergeschikt en dienstbaar aan een hoofdgebouw. De eerder vergunde uitbreiding van de woning betreft een deel van de woonkamer en vormt daarmee één geheel. Deze uitbreiding is dan ook bouwkundig noch functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw op het perceel, te weten de woning. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat deze ruimte niet als bijgebouw in de zin van de planvoorschriften kan worden aangemerkt en buiten beschouwing dient te blijven bij de vraag of de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen met het bouwplan wordt overschreden. Daarbij heeft zij terecht in aanmerking genomen dat daar niet aan af doet dat deze ruimte bij het verlenen van de bouwvergunning door het college als bijgebouw is aangemerkt, nu het bestemmingsplan en de feitelijke situatie ten tijde van de beoordeling van onderhavige aanvraag als uitgangspunt dienen te gelden.

Uit artikel 5, vierde lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften volgt voorts dat bij het antwoord op de vraag of de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen wordt overschreden, bijgebouwen op gronden met de aanduiding 'W' slechts worden meegeteld voor zover deze binnen drie meter van de perceelsgrens zijn gelegen en dat bijgebouwen op gronden met de aanduiding 'Wmg' in hun geheel worden meegeteld. Vast staat dat de reeds bestaande garage op 1 meter van de perceelsgrens is gelegen. Voorts staat vast dat de garage over een lengte van 8,45 meter is gelegen op gronden met de aanduiding 'W' en voor het overige deel is gelegen op gronden met de aanduiding 'Wmg'. De rechtbank heeft dan ook terecht de mee te tellen oppervlakten van de garage op onderscheidenlijk 16,9 m² en 6,2 m² vastgesteld.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat, gelet op artikel 2, aanhef en onder 2, van de planvoorschriften, bij de berekening van de oppervlakte van de voorziene schuur van de buitenzijde van de gevels dient te worden uitgegaan en niet van een daaroverheen stekende luifel, zoals [appellant] betoogt, en dat de oppervlakte van de voorziene schuur 26,6 m² bedraagt. De totale oppervlakte aan mee te tellen bijgebouwen komt daarmee op 49,7 m².

Hieruit volgt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het bouwplan niet in strijd is met artikel 5, vierde lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college onvoldoende gemotiveerd en zonder onderzoek heeft overwogen dat geen strijd bestaat met het Bouwbesluit 2003. [appellant] voert in dit verband aan dat het bouwplan, mede gelet op de lage kosten daarvan, niet in overeenstemming kan zijn met de voorschriften ten aanzien van de constructieve veiligheid van het Bouwbesluit 2003.

2.4.1. Dit betoog faalt. Daargelaten dat uit de stukken niet blijkt dat [appellant] in eerdere fases van de procedure heeft betoogd dat het bouwplan in strijd is met de voorschriften van het Bouwbesluit 2003 die betrekking hebben op constructieve veiligheid en dat hij slechts heeft betoogd dat het bouwplan niet voldoet aan de vereisten die het Bouwbesluit 2003 stelt voor een verblijfsgebied, heeft hij thans zijn betoog slechts onderbouwd met een verwijzing naar de zijns inziens lage kosten van het bouwplan. Dit biedt onvoldoende grond voor de conclusie dat het bouwplan ten aanzien van de constructieve veiligheid in strijd is met Bouwbesluit 2003. Het college heeft voorts naar voren gebracht dat [vergunninghouder] door middel van de bouwtekening en de bijbehorende statische berekening, welke deel uitmaken van de bouwvergunning, aannemelijk heeft gemaakt dat het bouwplan voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit 2003 die betrekking hebben op de constructieve veiligheid. Van onvoldoende onderzoek op dit punt aan de kant van het college is niet gebleken.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2009

414-580.