Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI4561

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
20-05-2009
Zaaknummer
200806767/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug (hierna: het college) aan Woningbouwvereniging Amerongen (hierna: de woningbouwvereniging) bouwvergunning verleend voor het oprichten van acht woningen met bergingen op het perceel Koenestraat 27 tot en met 33 te Amerongen (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806767/1/H1.

Datum uitspraak: 20 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 29 juli 2008 in zaak nrs. 08/1457 en 08/1455 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug (hierna: het college) aan Woningbouwvereniging Amerongen (hierna: de woningbouwvereniging) bouwvergunning verleend voor het oprichten van acht woningen met bergingen op het perceel Koenestraat 27 tot en met 33 te Amerongen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 17 april 2008 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 juli 2008, verzonden op 4 augustus 2008, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 september 2008, hoger beroep ingesteld.

De woningbouwvereniging heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R.J. Lievaart, ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen.

Voorts is ter zitting de woningbouwvereniging, vertegenwoordigd door mr. R.P.M. de Laat, advocaat te Utrecht, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in vier eengezinswoningen en vier appartementen met bergingen op het perceel. Ten behoeve van het bouwplan zijn de zich voorheen op het perceel bevindende acht (duplex)woningen gesloopt.

2.2. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, zoals deze luidde ten tijde van belang, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

2.3. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Amerongen Noord" rust op het perceel de bestemming "Wonen".

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart voor "Wonen" aangewezen gronden uitsluitend bestemd voor wonen, met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouw zijnde, en werken, geen bouwwerken zijnde.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, gelden voor het bouwen van woningen op de in het eerste lid bedoelde gronden de volgende bepalingen:

a. de gebouwen mogen uitsluitend binnen de op de plankaart aangegeven bouwvlakken worden gebouwd;

b. van de bij een woning behorende gronden mag ten hoogste 50% worden bebouwd;

c. voor het bouwen van bestaande hoofdgebouwen gelden bovendien de volgende bepalingen:

1. het bestaande aantal bouwlagen mag niet worden vergroot;

2. de bestaande afstand tot de zijdelingse perceelgrens mag niet worden verkleind;

3. de bestaande diepte mag worden vergroot met ten hoogste 3 m, mits daardoor:

a. de diepte van het hoofdgebouw niet meer bedraagt dan 15 m;

b. de diepte van de achtertuin niet minder bedraagt dan 5 m;

d. voor het bouwen van nieuwe hoofdgebouwen gelden bovendien de volgende bepalingen:

1. per bouwvlak mag het aantal woningen niet meer bedragen dan het aantal dat op de plankaart is aangegeven;

(…).

Op het perceel is tevens van toepassing de "1e partiële herziening bestemmingsplan Amerongen Noord". In deze herziening is artikel 5, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften als volgt aangevuld:

de gebouwen mogen uitsluitend binnen de op de plankaart aangegeven bouwvlakken worden gebouwd, met dien verstande dat uitsluitend nieuwe hoofdgebouwen mogen worden gerealiseerd in bouwvlakken, waarin door middel van de aanduiding 'maximum aantal nieuwe woningen' het maximum aantal te realiseren woningen is aangegeven.

2.4. Het betoog van [appellant] dat in de aangevallen uitspraak ten onrechte niet is vermeld dat hij ter zitting van de voorzieningenrechter is verschenen, mist feitelijke grondslag, nu in overweging 1.2 van de aangevallen uitspraak melding is gemaakt van de verschijning van [appellant] ter zitting.

2.5. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het bouwplan voorziet in het oprichten van een nieuw hoofdgebouw. Nu op de plankaart bij het perceel niet het maximum aantal te realiseren woningen is aangegeven, is het bouwplan in strijd met artikel 5, tweede lid, onder a en d, onderdeel 1, van de planvoorschriften, aldus [appellant].

2.5.1. Dit betoog faalt. Ingevolge artikel 1, onder 6, van de planvoorschriften wordt onder bestaande hoofdgebouwen verstaan: de hoofdgebouwen, zoals die zijn of rechtens mogen zijn op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan. Vast staat dat ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan op het perceel acht (duplex)woningen stonden. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter met juistheid overwogen dat het bouwplan voorziet in bestaande hoofdgebouwen. De bebouwingsvoorschriften als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder d, van de planvoorschriften zijn daarom niet van toepassing.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met artikel 5, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften, nu de in het bouwplan voorziene appartementen geen eigen grond hebben.

2.6.1. Dit betoog faalt. Ingevolge artikel 1, onder 28, van de planvoorschriften wordt onder een woning verstaan: een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter met juistheid overwogen dat onder een woning tevens een appartement wordt verstaan. Zoals de voorzieningenrechter voorts met juistheid heeft overwogen, brengt een redelijke uitleg van artikel 5, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften met zich dat het gedeelte van het perceel dat ten dienste staat aan de appartementen kan worden beschouwd als bij de appartementen behorende grond. Uit de niet door [appellant] bestreden berekening van de woningbouwvereniging van de bebouwde oppervlakte van het perceel volgt dat de bij de woningen en appartementen behorende gronden voor niet meer dan 50% worden bebouwd.

2.7. [appellant] betoogt verder dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met artikel 5, tweede lid, onder c, onderdeel 1, van de planvoorschriften, nu het bouwplan drie bouwlagen heeft en de gesloopte (duplex)woningen twee bouwlagen hadden.

2.7.1. Dit betoog faalt. Vast staat dat de acht (duplex)woningen bestonden uit twee bouwlagen en een kapverdieping. Nu de in het bouwplan voorziene woningen en appartementen ook bestaan uit twee bouwlagen en een kapverdieping, is van strijd met artikel 5, tweede lid, onder c, onderdeel 1, van de planvoorschriften geen sprake. De verwijzing van [appellant] naar de uitspraak van de Afdeling van 10 september 2003 in zaak nr. 200301035/1 leidt niet tot een ander oordeel, nu de kapverdieping in die zaak niet vergelijkbaar is met de onderhavige.

2.8. Het betoog van [appellant] dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met artikel 5, tweede lid, onder c, onderdeel 2, van de planvoorschriften, faalt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder g, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, worden de afstanden van bouwwerken tot erfafscheidingen gemeten daar waar deze afstanden het kleinst zijn.

Op grond van de stukken is gebleken dat de kleinste afstand van het bouwplan tot de zijdelingse perceelsgrens niet wordt verkleind, zodat van strijd met artikel 5, tweede lid, onder c, onderdeel 2, van de planvoorschriften geen sprake is.

2.9. [appellant] heeft eerst in hoger beroep aangevoerd dat het bouwplan in strijd is met artikel 5, tweede lid, onder c, onderdeel 3, van de planvoorschriften. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds in beroep kon worden aangevoerd en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de zekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

2.10. Het betoog van [appellant] dat de in het bouwplan voorziene parkeerplaatsen, toegangsweg en bergingen in strijd zijn met de op het perceel rustende bestemming, is een niet nader gemotiveerde herhaling van hetgeen hij daaromtrent in beroep heeft aangevoerd. [appellant] heeft de oordelen van de voorzieningenrechter dienaangaande niet inhoudelijk bestreden, zodat dit betoog reeds hierom faalt.

2.11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2009

531.