Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI4560

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
20-05-2009
Zaaknummer
200806672/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 november 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug (hierna: het college) aan de Vereniging Ecologisch Centraal Wonen Driebergen vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van 20 ecologisch gebouwde woningen aan de Drieklinken te Driebergen-Rijsenburg (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806672/1/H1.

Datum uitspraak: 20 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 juli 2008 in zaak

nr. 07/3322 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug (hierna: het college) aan de Vereniging Ecologisch Centraal Wonen Driebergen vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van 20 ecologisch gebouwde woningen aan de Drieklinken te Driebergen-Rijsenburg (hierna: het perceel).

Bij besluit van 26 oktober 2007 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 28 november 2006, met verbetering van de gronden daarvan, in stand gelaten.

Bij uitspraak van 18 juli 2008, verzonden op 23 juli 2008, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 26 september 2008.

De Vereniging Zonnespreng, voorheen de Vereniging Ecologisch Centraal Wonen Driebergen (hierna: de vereniging), heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. O.V. Wilkens, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.J. Lievaart, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de vereniging, vertegenwoordigd door [bestuurslid] en [lid], als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan is in strijd met de op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Wildbaan-Dennenburg" op het perceel rustende bestemming "Bijzondere Doeleinden, categorie C". Teneinde het bouwplan mogelijk te maken heeft het college met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling verleend.

2.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor zover thans van belang, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de ecologische waarden van De Geheime Tuin, het gebied waarin het perceel is gelegen, door het bouwplan zullen worden aangetast. Volgens [appellant] wordt niet voldaan aan de door Bureau H.J.V. van den Bijtel (hierna: Van den Bijtel) voorgestelde ecologische randvoorwaarden, nu geen sprake is van een groene corridor met een breedte van 50 m, geen sprake is van een verbindende bosstrook die over een breedte van ten minste 25 m vrij is van verstoring en het bouwplan niet als een compacte bouwwijze kan worden aangemerkt.

2.3.1. In opdracht van de gemeente Driebergen-Rijsenburg heeft Van den Bijtel ecologisch onderzoek verricht naar De Geheime Tuin. Uit het rapport van 18 juni 2003, de aanvullende notitie van juni 2004 en het aanvullend rapport van december 2004 kan worden afgeleid dat het bouwplan zal leiden tot vermindering van de ecologische waarden van De Geheime Tuin als gevolg van biotoopverlies en achteruitgang van de kwaliteit van het leefgebied, maar dat het bouwplan onder voorwaarden aanvaardbaar kan worden geacht. Anders dan [appellant] betoogt, bestaat geen grond voor het oordeel dat de door Van den Bijtel voorgestelde ecologische randvoorwaarden op onjuiste wijze in het ontwerpbestemmingsplan "De Geheime Tuin", dat dient als ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan, zijn toegepast. Een van deze voorwaarden ziet op het behoud van een onbebouwde zone met een breedte van 50 m. Dat de onbebouwde zone aan de zuidwestzijde van het plangebied slechts een breedte heeft van ongeveer 39 m, is, zoals volgt uit het besluit op bezwaar en zoals het college ter zitting heeft toegelicht, uitsluitend het gevolg van de bestemmingsplangrens. Het betekent niet dat de onbebouwde zone zich in het naastgelegen plangebied niet verder uitstrekt.

Anders dan [appellant] betoogt, bestaat geen grond voor het oordeel dat niet voldaan wordt aan de voorwaarde dat sprake moet zijn van een verbindende bosstrook met een breedte van 25 m. Dat een gedeelte van de bosstrook eigendom is van Stichting Philadelphia, leidt niet tot een ander oordeel, nu ook Stichting Philadelphia de bij haar in eigendom toebehorende bosstrook niet mag gebruiken in strijd met de daarop rustende bestemming.

Gelet op de omstandigheid dat het bouwplan bestaat uit één aaneengesloten complex van woningen met trapsgewijs verspringende woonlagen, bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat het bouwplan niet als een compacte bouwwijze kan worden aangemerkt.

In hetgeen [appellant] betoogt, bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat in de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende rekening is gehouden met de ecologische waarden van het gebied. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid de vrijstelling heeft kunnen verlenen. Daartoe voert hij aan dat het bouwplan leidt tot een onevenredige aantasting van zijn woon- en leefklimaat, nu vanuit het bouwplan een rechtstreeks zicht bestaat op zijn woning en zijn tuin.

2.4.1. Dit betoog faalt. Gelet op de afstand van ongeveer 18 m van de woning van [appellant] tot het woningcomplex als voorzien in het bouwplan, de aanwezigheid van hoge beplanting tussen zijn woning en het woningcomplex, alsmede de omstandigheid dat de woonkamer van [appellant] aan de achterzijde van zijn woning is gelegen waardoor van een directe inkijk vanuit het woningcomplex in zijn woonkamer geen sprake is, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant].

2.5. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan zal leiden tot een onaanvaardbare toename van het gebruik van de ontsluitingsweg langs zijn woning, faalt ten slotte ook. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, is het niet aannemelijk dat het bouwplan zal leiden tot een onaanvaardbare toename van het gebruik van de ontsluitingweg. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het bouwplan een relatief beperkte omvang heeft en dat in de parkeerkelder van het woningcomplex slechts zes parkeerplaatsen worden gerealiseerd. De overige voor dit complex benodigde parkeerplaatsen worden aan het begin van de ontsluitingsweg gerealiseerd, zodat het verkeer van en naar het woningcomplex, dat de woning van [appellant] over de ontsluitingsweg passeert, beperkt is.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Graaff-Haasnoot

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2009

531.