Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI4547

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
20-05-2009
Zaaknummer
200806267/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juni 2008, kenmerk 2008-26471, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Beverwijk (hierna: de raad) bij besluit van 21 februari 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Aanvullende voorschriften ten aanzien van het gebruik van gronden en opstallen behorende bij de 2e partiële herziening van het uitbreidingsplan in onderdelen Industrieplan de Pijp".

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:12
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 23
Wet op de Ruimtelijke Ordening 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2009/242
JOM 2010/85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806267/1/R2.

Datum uitspraak: 20 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2008, kenmerk 2008-26471, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Beverwijk (hierna: de raad) bij besluit van 21 februari 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Aanvullende voorschriften ten aanzien van het gebruik van gronden en opstallen behorende bij de 2e partiële herziening van het uitbreidingsplan in onderdelen Industrieplan de Pijp".

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 augustus 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college van burgemeester en wethouders heeft namens de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend. Dit stuk is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2009, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. H. van Mierlo, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door A.C. Rensen, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. [appellant] stelt dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten ter zake van de kennisgevingen van de terinzageleggingen. Hiertoe voert hij aan dat de lokale bladen waarin de kennisgevingen zijn gedaan, de belanghebbenden niet of nauwelijks bereiken en dat hij ten onrechte niet persoonlijk op de hoogte is gesteld van het in procedure zijnde bestemmingsplan.

2.2.1. Het college stelt dat ter zake van de kennisgevingen van de terinzageleggingen de wettelijk voorgeschreven procedure is doorlopen.

2.2.2. Niet in geding is dat van de terinzagelegging van het ontwerpplan en het vastgestelde plan, in overeenstemming met artikel 3:12 van de Awb in samenhang gelezen met artikel 23, eerste lid, onder a, van de WRO, kennisgeving is gedaan in het huis-aan-huisblad "de Kennemer" en in de Staatscourant. Niet is gebleken dat de bezorging van "de Kennemer" in de gemeente Beverwijk in het algemeen dusdanige gebreken vertoont dat dit blad niet had mogen worden gebruikt als middel ter kennisgeving van de terinzageleggingen. Bovendien brengt een gebrekkige bezorging niet mee dat belanghebbenden zich niet behoeven in te spannen om van de inhoud van de niet ontvangen edities toch kennis te krijgen ofwel om zich langs andere weg, zoals door raadpleging van de Staatscourant, op de hoogte te stellen van de voor hen van belang zijnde ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening. Daarbij hadden belanghebbenden in dit geval ook van deze ontwikkelingen kennis kunnen nemen door de gemeentelijke website te raadplegen.

Anders dan [appellant] betoogt, valt in de WRO, noch in enig ander wettelijk voorschrift een bepaling aan te wijzen op grond waarvan het gemeentebestuur in een geval als hier aan de orde verplicht is eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van een ontwerp voor een bestemmingsplan of een vastgesteld bestemmingsplan.

Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat is voldaan aan de wettelijke vereisten ter zake van de kennisgevingen van de terinzageleggingen van het ontwerpplan en het vastgestelde plan.

Voor zover bedoelde bezwaren betrekking hebben op het goedkeuringsbesluit van het college overweegt de Afdeling dat deze bezwaren in zoverre betrekking hebben op mogelijke onregelmatigheden van na de datum van het bestreden besluit en dat deze bezwaren in zoverre reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kunnen aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheden kunnen geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

2.3. Voorts stelt [appellant] dat in het aan hem toegezonden goedkeuringsbesluit ten onrechte geen informatie is opgenomen over het vervolg van de procedure met betrekking tot het bestemmingsplan. Voorts stelt hij dat het goedkeuringsbesluit en de bijbehorende stukken op 24 juli 2008 ten onrechte niet op het gemeentehuis ter inzage lagen.

2.3.1. Het college stelt dat in het aan [appellant] toegezonden goedkeuringsbesluit een rechtsmiddelenclausule was opgenomen waarin de mogelijkheid tot het instellen van beroep bij de Afdeling was vermeld. In navolging van de raad voert het college voorts aan dat het goedkeuringsbesluit en de bijbehorende stukken vanaf 4 juli 2008 gedurende zes weken ter inzage hebben gelegen.

2.3.2. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het aan hem toegezonden goedkeuringsbesluit geen informatie over het vervolg van de procedure met betrekking tot het plan bevat en dat het goedkeuringsbesluit en de bijbehorende stukken op 24 juli 2008 niet op het gemeentehuis ter inzage lagen. Nog afgezien daarvan hebben deze beroepsgronden betrekking op mogelijke onregelmatigheden van na de datum van het bestreden besluit en kunnen deze gronden reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheden kunnen geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

2.4. [appellant] stelt dat burgemeester J.F.C. van Leeuwen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders aan de raad tot vaststelling van het plan van 11 december 2007 niet had mogen ondertekenen, aangezien hij pas op 17 januari 2008 als burgemeester is beëdigd.

2.4.1. Het college voert aan dat bij een beslissing van het college van burgemeester en wethouders niet van belang is welke lid de beslissing ondertekent, aangezien het een collegiale verantwoordelijkheid betreft. Daarbij stelt het college dat de beslissing pas aan de raad is voorgelegd na de beëdiging van J.F.C. van Leeuwen als burgemeester.

2.4.2. De datum op het voorstel tot vaststelling van het plan van het college van burgemeester en wethouders is de datum waarop het voorstel is opgesteld. Gebleken is dat de ondertekening door J.F.C. van Leeuwen heeft plaatsgevonden op enig moment na zijn beëdiging als burgemeester. Weliswaar is de op het voorstel vermelde datum niet aangepast aan de datum waarop de ondertekening heeft plaatsgevonden, maar naar het oordeel van de Afdeling geeft dit geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen omdat het slechts een administratieve onvolkomenheid betreft.

2.5. [appellant] stelt ten slotte dat het voorliggende plan onverbindend is, omdat het bestemmingsplan "2e partiële herziening van het uitbreidingsplan in onderdelen Industrieplan de Pijp" gelet op de uitspraak van de toenmalige Afdeling rechtspraak van 11 februari 1993, in zaak nr. S03924484 (AB 1993, 247), onverbindend is. Daarnaast voert [appellant] aan dat in dit geval eerst een voorbereidingsbesluit had moeten worden genomen.

2.5.1. Het college stelt dat slechts de gebruiksvoorschriften in de bouwverordening met betrekking tot de "2e partiële herziening van het uitbreidingsplan in onderdelen Industrieplan de Pijp" zijn vervallen. Met het voorliggende plan wordt volgens het college beoogd in een nieuwe regeling van het gebruik binnen het plangebied te voorzien. Voorts stelt het college dat het niet vereist is om voorafgaande aan de herziening van een bestemmingsplan een voorbereidingsbesluit te nemen.

2.5.2. Uit de door [appellant] aangehaalde uitspraak van de Afdeling rechtspraak van 11 februari 1993 volgt dat een in een bouwverordening opgenomen gebruiksverbod dat is gebaseerd op artikel 8 van de Woningwet 1991 onverbindend is, omdat aan dit artikel geen bevoegdheid kan worden ontleend tot het vaststellen van een gebruiksvoorschrift met dezelfde strekking als een voorschrift in de zin van artikel 10 van de WRO. Het in artikel 7.3.1. van de op 24 september 1993 in werking getreden bouwverordening van de gemeente Beverwijk opgenomen gebruiksverbod dat betrekking had op het gebruik in het plangebied van de "2e partiële herziening van het uitbreidingsplan in onderdelen Industrieplan de Pijp" is gelet op deze uitspraak onverbindend. Anders dan [appellant] stelt kan uit deze uitspraak echter niet worden afgeleid dat de "2e partiële herziening van het uitbreidingsplan in onderdelen Industrieplan de Pijp" zelf onverbindend is.

2.5.3. Uit de uitspraak van 11 februari 1993 volgt voorts ook niet dat de raad verplicht is tot het nemen van een voorbereidingsbesluit indien hij een bestemmingsplan voorbereidt. Een dergelijke verplichting kan ook niet uit de WRO of enige andere wettelijke bepaling worden afgeleid. Hierbij verwijst de Afdeling naar artikel 21, eerste lid, van de WRO waaruit blijkt dat het nemen van een voorbereidingsbesluit een discretionaire bevoegdheid van de raad is.

2.6. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het plan niet is voorbereid of vastgesteld in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Kooijman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2009

177-589.