Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI4538

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
20-05-2009
Zaaknummer
200807655/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 november 2006 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college), voor zover thans van belang, besloten het verzoek van [appellant] tot het innemen van een vaste ligplaats met een recreatievaartuig aan de oostelijke oever van de Oude Rijn ter hoogte van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), af te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807655/1/H3.

Datum uitspraak: 20 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 augustus 2008 in zaak nr. 07/5785 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2006 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college), voor zover thans van belang, besloten het verzoek van [appellant] tot het innemen van een vaste ligplaats met een recreatievaartuig aan de oostelijke oever van de Oude Rijn ter hoogte van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), af te wijzen.

Bij besluit van 12 juni 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 augustus 2008, verzonden op 4 september 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant], bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 oktober 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M. van Riel en M. Peters, beiden werkzaam bij de provincie Zuid-Holland, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Scheepvaartverkeerswet, voor zover thans van belang, zijn voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen gedeputeerde staten het bevoegd gezag indien het een scheepvaartweg in beheer bij een provincie betreft.

Ingevolge artikel 2.1.2, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de Vaarwegenverordening Zuid-Holland (hierna: de Verordening) is hoofdstuk 2 van de Verordening van toepassing op de Rijn, van Gouwsluis tot de aansluiting met de Heimanswetering.

Ingevolge artikel 2.4.1 is het verboden in een vaarweg een vaste ligplaats in te nemen.

Ingevolge artikel 4.1.1, eerste lid, voor zover thans van belang, kan door of namens het college ontheffing worden verleend van het verbod vervat in artikel 2.4.1.

Ingevolge artikel 4.1.8, eerste lid, mag een ontheffing alleen worden geweigerd in het belang van de vrijheid en/of de veiligheid van de scheepvaart en van de instandhouding en bruikbaarheid van de vaarweg en de oever.

Volgens artikel I, eerste lid, van het Verkeersbesluit Innemen Ligplaats in Oude Rijn te Alphen aan den Rijn (hierna: het Verkeersbesluit), voor zover thans van belang, is het verboden ligplaats te nemen (ankeren en meren) in het gedeelte van de Oude Rijn te Alphen aan den Rijn, tussen de aansluiting met de Heimans- en Woudwetering en met de Gouwe.

Volgens het tweede lid, voor zover thans van belang, geldt het in het eerste lid bedoelde verbod niet voor die vaste ligplaatsen waarvoor een ontheffing is verleend op grond van de Verordening, alsmede voor de wachtplaatsen bij de bruggen.

2.2. Het college heeft aan de weigering om ontheffing te verlenen van het in de Verordening neergelegde verbod tot het innemen van een vaste ligplaats ten grondslag gelegd dat op de betreffende vaarweg een algemeen afmeerverbod geldt. Volgens het college maakt het algemene belang van een vlotte en veilige doorvaart voor het scheepvaartverkeer dit afmeerverbod, dat is neergelegd in het Verkeersbesluit, noodzakelijk.

2.3. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, overwogen dat het college het algemene belang van het scheepvaartverkeer in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het persoonlijke belang van [appellant] bij het innemen van een vaste ligplaats. Niet aannemelijk is gemaakt dat de situatie ter plaatse zodanig is dat de aanwezigheid van een vaste ligplaats het belang van het scheepvaartverkeer niet raakt. Naar het oordeel van de rechtbank is hierbij van belang dat de Oude Rijn een belangrijke route voor de beroeps- en recreatievaart is, de vaarwegintensiteit naar verwachting zal toenemen en de vaarweg als 'krap profiel' is gemarkeerd. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat er geen bijzondere omstandigheden naar voren zijn gebracht die hadden moeten leiden tot afwijking van het door het college gevoerde beleid.

2.4. [appellant] betoogt - samengevat weergegeven- dat de rechtbank ten onrechte voorbij gaat aan de feitelijke situatie ter plaatse. De aanwezigheid van een vaste ligplaats ter hoogte van het perceel zal, gezien de geringe diepte langs de oever en gelet op de breedte van de vaarweg in verhouding tot de omvang van het recreatievaartuig van [appellant], noch gevaarzetting, noch hinder voor het doorgaand scheepvaartverkeer opleveren.

Daarnaast heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte overwogen dat het college in redelijkheid tot de gemaakte belangenafweging heeft kunnen komen. Het college heeft niet duidelijk gemaakt hoe de belangen van de scheepvaart geraakt worden en heeft onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de aan de Oude Rijn woonachtige personen, onder wie [appellant] en met diens financiële belang.

2.4.1. Dit betoog faalt. Vaststaat dat de beoogde ligplaats is gesitueerd in het gedeelte van de Oude Rijn waarop op grond van het Verkeersbesluit een algemeen afmeerverbod geldt. Het college heeft aan dit Verkeersbesluit ten grondslag gelegd dat het betreffende gedeelte van de Oude Rijn een belangrijke route voor de beroeps- en de recreatievaart is, dat het aanleggen van recreatievaartuigen in het vrij smalle vaarweggedeelte vanuit nautische overwegingen ongewenst is, en dat het dan ook in het belang van een veilig en vlot verloop van het scheepvaartverkeer noodzakelijk is om voor het betreffende vaarweggedeelte een algeheel afmeerverbod in te stellen. De Afdeling is van oordeel dat het niet onredelijk is om op plaatsen waar dit afmeerverbod geldt geen ontheffingen voor vaste ligplaatsen te verlenen, nu dit in overeenstemming is met het doel van de Verordening, welke de vrijheid en/of de veiligheid van de scheepvaart en de instandhouding en bruikbaarheid van de vaarweg en de oever beoogt te beschermen.

De door [appellant] gestelde feitelijke situatie ter plaatse doet hier niet aan af. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat het college bij zijn besluitvorming rekening heeft mogen houden met de verwachte toename van het scheepvaartverkeer in verband met de komst van een Overslag Terminal Alphen.

Voorts heeft het college, ingevolge artikel 4:82 van de Algemene wet bestuursrecht, ter nadere motivering van zijn besluit mogen verwijzen naar het door hem gevoerde beleid, neergelegd in de Beleidsnota Provinciale Vaarwegen en Scheepvaart 2006 (hierna: de Beleidsnota). Uit de Beleidsnota blijkt dat het beleid van het college gericht is op het geven van prioriteit aan de beroepsvaart en het terugdringen van de recreatievaart. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die afwijking van dit beleid rechtvaardigen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is het financiële belang van [appellant] niet als een dergelijke bijzondere omstandigheid aan te merken.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat het college in strijd handelt met het gelijkheidsbeginsel, nu het college aan anderen, die zich in nagenoeg dezelfde situatie bevinden als [appellant], wel ontheffing van het ligplaatsverbod heeft verleend. Tevens heeft het college in 1992 aan de vorige eigenaar van het perceel een ontheffing verleend.

2.5.1. Dit betoog faalt eveneens, reeds omdat niet gebleken is van vergelijkbare situaties. De ontheffingen die zijn verleend betreffen tijdelijke ligplaatsen voor de beroepsvaart. De aan de vorige eigenaar van het perceel verleende ontheffing geschiedde onder vigeur van het oude beleid, toen het Verkeersbesluit nog niet was genomen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Van Hardeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2009

312-611.