Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI4534

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
20-05-2009
Zaaknummer
200806449/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ermelo (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de gevels van het recreatiewoonverblijf op het perceel [locatie] (hierna: de recreatiewoning) terug te brengen zoals deze destijds is vergund.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806449/1/H1.

Datum uitspraak: 20 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 9 juli 2008 in zaak nr. 07/1267 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Ermelo.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ermelo (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de gevels van het recreatiewoonverblijf op het perceel [locatie] (hierna: de recreatiewoning) terug te brengen zoals deze destijds is vergund.

Bij besluit van 25 juni 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 juli 2008, verzonden op 17 juli 2008, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 augustus 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 maart 2009.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de in het besluit van 11 april 2007 opgenomen last niet onduidelijk is.

2.1.1. Dit betoog faalt. [appellant] kon uit de hem opgelegde last begrijpen dat werd beoogd om de door hem verrichte bouwwerkzaamheden aan de recreatiewoning terug te brengen naar de situatie waarvoor bij besluit van 22 juni 1992 bouwvergunning was verleend. De door [appellant] gestelde omstandigheid dat de recreatiewoning op het moment dat hij er in 1994 ging wonen reeds afwijkingen vertoonde van die situatie, is in dit verband niet relevant.

2.2. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor de in de last van het besluit van 11 april 2007 omschreven bouwactiviteiten een bouwvergunning is vereist. Hij voert daartoe aan dat deze bouwactiviteiten kunnen worden aangemerkt als bouwen dat tot normaal onderhoud behoort als bedoeld in artikel 43, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet.

2.2.1. Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet (hierna: de Ww), is in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat tot het gewone onderhoud behoort.

2.2.2. Niet in geschil is dat [appellant] het aan de recreatiewoning aangebouwde gedeelte (hierna: de aanbouw) geheel door herbouw heeft vernieuwd. De drie gevels van de deels stenen, deels houten aanbouw zijn één voor één vervangen door houten gevels, waarbij aan de binnenzijde daarvan muren van kalkzandsteen zijn opgetrokken. Verder zijn de kozijnen vervangen en de kozijnopeningen verplaatst en vergroot. De oorspronkelijke asbest golfplaten op het dak zijn verwijderd en er zijn, na het aanbrengen van isolatiemateriaal, dakpannen voor in de plaats gelegd waardoor het dak is verhoogd. Deze bouwactiviteiten gaan, nu sprake is van een algehele vernieuwing van de aanbouw, het niveau van gewoon onderhoud als bedoeld in artikel 43, aanhef en eerste lid, onder b, van de Ww te boven. Dat de oorspronkelijke aanbouw in zo'n slechte staat verkeerde dat vernieuwing daarvan volgens [appellant] noodzakelijk was, maakt niet dat sprake is van gewoon onderhoud.

Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat voor de in de last van het besluit van 11 april 2007 omschreven bouwactiviteiten een bouwvergunning is vereist.

2.3. Voor zover [appellant] zich beroept op artikel 22, tweede lid van de Grondwet, kan dit niet slagen, aangezien aan deze bepaling geen aanspraak kan worden ontleend om te bouwen zonder een daartoe vereiste bouwvergunning of in afwijking van een verleende bouwvergunning.

2.4. Voor de in de last van het besluit van 11 april 2007 omschreven bouwwerkzaamheden is geen bouwvergunning verleend. De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Ww, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen concreet zicht bestaat op legalisering.

2.5.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1983" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het desbetreffende perceel de bestemming "Verblijfsrecreatieterrein (URv)".

Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor recreatiebedrijven waar personen, die hun vaste verblijfplaats elders hebben, voor hun recreatie verblijf kunnen houden in recreatiewoonverblijven.

Ingevolge artikel 29, derde lid, aanhef en onder a, mogen op deze gronden, voor zover thans van belang, de volgende bij een recreatiebedrijf behorende gebouwen worden gebouwd: recreatiewoonverblijven.

2.5.2. Gesteld noch gebleken is dat de in het besluit van 11 april 2007 omschreven bouwactiviteiten in strijd zijn met de in artikel 29, derde lid, aanhef en onder a, neergelegde bouwvoorschriften. Het standpunt van het college dat, nu de recreatiewoning permanent wordt bewoond, geen enkele bouwactiviteit kan worden toegestaan omdat deze staat van wonen en niet van de recreatieve bestemming, is onjuist. De enkele omstandigheid dat [appellant] ten tijde van het besluit op bezwaar van 25 juni 2007 de recreatiewoning in strijd met de bestemming permanent bewoonde, brengt niet met zich dat aan de recreatiewoning geen bouwkundige voorzieningen mogen worden aangebracht die passen bij een dergelijke recreatiewoning.

Uit de stukken blijkt dat de aanbouw van de recreatiewoning in een zodanige slechte staat verkeerde, dat een volledige vervanging van het oude gedeelte noodzakelijk werd geacht. Het college heeft dan ook ten onrechte overwogen dat, gelet op het strijdige gebruik van de recreatiewoning, het verlenen van een bouwvergunning niet ten behoeve staat van de recreatieve bestemming, maar ten dienste van de woonbestemming. De rechtbank heeft dit niet onderkend en is ten onrechte tot de conclusie gekomen dat van concreet zicht op legalisering geen sprake kan zijn.

De omstandigheid dat geen bouwvergunning is aangevraagd kan - anders dan het college stelt - evenmin leiden tot de conclusie dat geen concreet zicht op legalisering bestaat, aangezien het college zelf te kennen heeft gegeven negatief over een vergunningaanvraag te zullen beslissen.

Het betoog slaagt.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit op bezwaar wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht, dat vereist dat een besluit op bezwaar berust op een deugdelijke motivering, vernietigen.

Het college dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 9 juli 2008 in zaak nr. 07/1267;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ermelo van 25 juni 2007, kenmerk 07/13473;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Ermelo tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Ermelo aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de gemeente Ermelo aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 359,00 (zegge: driehonderdnegenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2009

190-543.