Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI4531

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
20-05-2009
Zaaknummer
200806274/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het innemen van een standplaats voor de verkoop van snijbloemen op de zondagen in 2007 aan de [locatie 2] op het plein bij de apotheek te Putte. Bij besluit van 1 februari 2007 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het innemen van een standplaats voor de verkoop van snijbloemen op de zondagen in 2007 in de [locatie 1] te [plaats] en het besluit van 22 december 2006 ingetrokken met ingang van 11 februari 2007.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806274/1/H3.

Datum uitspraak: 20 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 8 juli 2008 in zaak nr. 07/2393 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het innemen van een standplaats voor de verkoop van snijbloemen op de zondagen in 2007 aan de [locatie 2] op het plein bij de apotheek te Putte. Bij besluit van 1 februari 2007 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het innemen van een standplaats voor de verkoop van snijbloemen op de zondagen in 2007 in de [locatie 1] te [plaats] en het besluit van 22 december 2006 ingetrokken met ingang van 11 februari 2007.

Bij besluit van 17 april 2007 heeft het college het door [appellante] gemaakte bezwaar gericht tegen het besluit van 22 december 2006 niet-ontvankelijk verklaard en het besluit van 1 februari 2007 gehandhaafd onder wijziging van de motivering.

Bij uitspraak van 8 juli 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 april 2007 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 augustus 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 10 september 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2009, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door mr. L.J. van Langevelde, advocaat te Bergen op Zoom, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J.J. Hoogenboom, juridisch adviseur, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 5.2.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene Plaatselijke Verordening, is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders op of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken, dan wel diensten aan te bieden.

Ingevolge het zesde lid kan een vergunning bedoeld in het eerste lid worden geweigerd:

a. in het belang van de openbare orde;

b. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

c. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

d. in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;

e. wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt;

f. vanwege de strijd met een geldend bestemmingsplan.

2.2. Ingevolge artikel 7 van de voorschriften behorend bij het bestemmingsplan "centrum Putte" van 27 januari 2000 (hierna: de bestemmingsplanvoorschriften) zijn de gronden die op de plankaart als "Openbaar gebied" zijn aangeduid binnen de op de plankaart nader aangeduide zones respectievelijk bestemd voor:

1. verkeersdoeleinden ten behoeve van:

- klasse I: hoofdverzamelwegen;

- klasse II: wijkverzamelwegen;

- klasse III: buurtverzamelwegen;

- klasse IV: woonstraten/erven/verblijfsruimten;

2. openbaar groen;

3. parkeervoorzieningen;

4. nutsvoorzieningen;

5. abri's, telefooncellen, straatmeubilair, speelvoorzieningen e.d.

Ingevolge artikel B/C is het verboden de in de bestemming "Openbaar gebied" begrepen gronden en de daarop voorkomende opstallen te gebruiken voor een doel of op een wijze strijdig met deze bestemming, zoals nader bepaald in de doeleindenomschrijving en de beschrijving in hoofdlijnen.

Het college voert beleid dat is neergelegd in "Beleidsregels aangaande hebben, aanbrengen of plaatsen van een standplaats, een uitstalling etc. op, aan, boven, over of langs de weg en het omgaan met aanvragen ex artikel 5.2.3 en 2.1.5.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening terzake" (hierna: de beleidsregels) van 17 april 2001. In de beleidsregels wordt verwezen naar de beleidsnotitie "Weggebruik en leefbaarheid" (hierna: de beleidsnotitie).

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet kan worden gezegd dat de standplaatsvergunning is aan te merken als een voor [appellante] belastende beschikking in de zin van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), zodat [appellante] niet voorafgaande aan de verlening van de vergunning bij besluit van 22 december 2006 had moeten worden gehoord. [appellante] stelt zich op het standpunt dat de aan [vergunninghouder] verleende standplaatsvergunning van 22 december 2006 een voor haar belastende beschikking is en zij op grond van artikel 4:8 van de Awb expliciet in de gelegenheid diende te worden gesteld haar zienswijzen naar voren te brengen.

2.3.1. Het college heeft de aanvraag van 10 januari 2006 van [vergunninghouder] gepubliceerd in een huis-aan-huisblad. In deze kennisgeving van de aanvraag is, zoals de rechtbank heeft overwogen, te kennen gegeven dat belanghebbenden gedurende de termijn van terinzagelegging, in dit geval twee weken, hun zienswijze schriftelijk of mondeling kenbaar kunnen maken bij het college. Gelet op deze handelwijze van het college is [appellante] naar het oordeel van de Afdeling voldoende in de gelegenheid gesteld haar zienswijze naar voren te brengen, als bedoeld in artikel 4:8 van de Awb. Het college heeft in dit verband niet onzorgvuldig gehandeld door [appellante] niet persoonlijk uit te nodigen haar zienswijze kenbaar te maken. Het betoog faalt.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zonder de winkel van [appellante] een redelijk verzorgingsniveau voor de consument in Putte voldoende is verzekerd. Volgens [appellante] dient bij de beoordeling of een redelijk verzorgingsniveau is verzekerd als maatstaf te dienen het assortiment dat in haar winkel wordt verkocht en niet slechts het product dat door [vergunninghouder] wordt verkocht, namelijk snijbloemen. In de winkel van [appellante] wordt een breder assortiment van producten aangeboden en bij het wegvallen van haar winkel valt het verzorgingsniveau voor wat betreft de andere producten die [appellante] in haar winkel verkoopt weg.

2.4.1. Dit betoog faalt. Met de rechtbank wordt overwogen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat, gelet op de door het college gemaakte inventarisatie van verkooppunten van bloemen en planten in Putte, ook zonder de bloemenwinkel van [appellante] een redelijk verzorgingsniveau van de consument in Putte voldoende is verzekerd. Dat [appellante] in haar winkel behalve bloemen en planten ook andere producten verkoopt, rechtvaardigt niet de conclusie dat een redelijk verzorgingsniveau voor de consument in Putte onvoldoende verzekerd zou zijn.

2.5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vergunning voor het innemen van een standplaats aan de [locatie 2] op het plein bij de apotheek te [plaats] en de vergunning voor het innemen van een standplaats in de [locatie 1] te [plaats] geen strijd oplevert met het bestemmingsplan. De verleende standplaatsvergunningen zijn volgens [appellante] strijdig met de doeleindenbeschrijving, zoals gedefinieerd in artikel 7 van de bestemmingsplanvoorschriften. Voorts heeft het college de aanvragen van [vergunninghouder] getoetst aan de bestemming "Maatschappelijke doeleinden", terwijl zowel de [locatie 2] als de [locatie 1] de bestemming "Openbaar gebied" hebben.

2.5.1. De locaties waarop de bij besluiten van 22 december 2006 en 1 februari 2007 aan [vergunninghouder] verleende standplaatsvergunningen zien, bevinden zich op gronden waaraan in het bestemmingsplan de bestemming "Openbaar gebied" is toegekend. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat, gelet op de doeleindenomschrijving die in artikel 7 van de bestemmingsplanvoorschriften is gegeven aan de bestemming "Openbaar gebied", het innemen van een standplaats voor de verkoop van snijbloemen op de bij besluiten van 22 december 2006 en 1 februari 2007 vergunde locaties niet kan worden begrepen onder de bestemming "Openbaar gebied". Hiertoe wordt overwogen dat de in artikel 7 van de bestemmingsplanvoorschriften opgenomen doeleindenomschrijving ziet op infrastructurele doeleinden. Het gebruik ten behoeve van detailhandel, als afzonderlijke bestemming in het bestemmingsplan gedefinieerd, valt daar niet onder. De gronden waarop de standplaatsen zien, worden derhalve gebruikt op een wijze die strijdig is met de bestemming als bedoeld in artikel B/C van de bestemmingsplanvoorschriften. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het innemen van een standplaats kan worden geschaard onder straatmeubilair e.d., als bedoeld in artikel 7, aanhef en onder 5, van de bestemmingsplanvoorschriften. Hierbij wordt verder in aanmerking genomen dat het afwijkende gebruik van de locatie gedurende een aantal dagen per week niet zodanig kortdurend en incidenteel is, dat de bestemmingsplanvoorschriften zich daartegen niet verzetten. Het betoog slaagt.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. Het college dient met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling en de uitspraak van de rechtbank, voor zover deze niet of tevergeefs is aangevochten, een nieuw besluit te nemen.

2.7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Woensdrecht aan [appellante] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III. gelast dat de gemeente Woensdrecht aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 216,00 (zegge: tweehonderdzestien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Van Hardeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2009

312-581.