Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI4526

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
20-05-2009
Zaaknummer
200808562/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 februari 2007 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808562/1/H3.

Datum uitspraak: 20 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 oktober 2008 in zaak nr. 08/1698 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2007 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Bij besluit van 15 mei 2007 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 oktober 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 november 2008, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2008, waar [appellant] in persoon, bijgestaan door mr. J.H. van Meurs, advocaat te Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. R.G.J. Wildemors, ambtenaar in dienst van het Ministerie van Justitie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] heeft om afgifte van een VOG verzocht ten behoeve van een aanvraag om een ondernemingsvergunning bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat om als taxi-ondernemer werkzaam te zijn.

2.2. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) is een VOG een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon. De verklaring bevat geen andere mededelingen.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wjsg weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Wet personenvervoer 2000 is het verboden taxivervoer te verrichten zonder een daartoe verleende vergunning.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000 wordt, behoudens in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen, slechts een vergunning verleend aan een vervoerder die voldoet aan eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid.

Ingevolge artikel 22, eerste lid, van het Besluit personenvervoer 2000 voldoet de vervoerder aan de eis van betrouwbaarheid, indien hij een met het oog op een vergunning voor collectief personenvervoer of taxivervoer verleende VOG heeft overgelegd die niet ouder is dan twee maanden.

2.3. Bij de beoordeling van een verzoek om afgifte van een VOG werden ten tijde van het bij de rechtbank bestreden besluit de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG NP-RP 2004 (hierna: de beleidsregels) voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een VOG van natuurlijke personen en rechtspersonen, vastgesteld door de minister bij besluit van 15 maart 2004 (Stcrt. 2004, 63).

Volgens de beleidsregels wordt de afgifte van een VOG geweigerd, indien de aanvrager binnen de voorgeschreven termijn voorafgaand aan het moment van toetsing in de justitiële documentatie voorkomt en de aangetroffen antecedenten, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, een belemmering kunnen vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd.

Indien de aanvrager binnen de voorgeschreven termijn voorafgaand aan het moment van toetsing voorkomt in de justitiële documentatie, ontvangt de minister ten behoeve van de beoordeling gegevens uit de justitiële documentatie tot twintig jaar terug.

Om vast te stellen of de aangetroffen antecedenten een belemmering vormen voor de afgifte van de VOG zijn in bijlage A bij de beleidsregels een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke screeningsprofielen neergelegd, aan de hand waarvan het risico voor de samenleving wordt bepaald.

Volgens het screeningsprofiel, neergelegd in bijlage A, van de beleidsregels stuurt een taxiondernemer vanuit zijn functie mensen, de voor hem werkzame taxichauffeur(s) en/of een organisatie, aan, beslist hij over offertes, het voeren van onderhandelingen en het afsluiten van contracten, verschaft hij, schaft hij aan en heeft hij het beheer over goederen en producten waaronder het wagenpark. Daarnaast gaat hij om met contante en girale waarden.

Bij het omgaan met gelden bestaat er het gevaar van diefstal of verduistering en het witwassen van gelden. Door bijvoorbeeld het slecht beheren van het wagenpark bestaat het in gevaar brengen van de veiligheid van personen en goederen. Ook bestaat het gevaar van vervalsing, onder andere van de ondernemingsvergunning. Doordat de ondernemer vanuit zijn functie mensen aanstuurt, bestaat het gevaar van machtsmisbruik, afpersing en afdreiging.

2.4. De minister heeft aan de in bezwaar gehandhaafde weigering ten grondslag gelegd dat in de justitiële documentatie staat vermeld dat [appellant] op 3 december 2003 vanwege rijden onder invloed een transactie van € 220,00 heeft aanvaard, op 1 november 2002 vanwege het onjuist invullen van de werkmappen een transactie van € 65,00 heeft aanvaard, dat hij op 18 december 1992 wegens verkrachting is veroordeeld tot vijf maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren en 200 uren onbetaalde arbeid ten algemene nutte in plaats van vijf maanden gevangenisstraf en dat hij op 22 november 2006 is gedagvaard vanwege poging tot doodslag.

Naar aanleiding van deze antecedenten heeft de minister, conform de beleidsregels gekeken naar antecedenten tot twintig jaar terug. Daaruit is gebleken dat [appellant] in die twintig jaren meer dan eenmaal met justitie in aanraking is gekomen.

In zijn besluit van 15 mei 2007 heeft de minister daaraan toegevoegd dat hij bij brief van 9 januari 2007 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal (kamerstukken II 2006-2007, 30 800 VI, nr. 40) zijn beleid voor de afgifte van een VOG heeft aangescherpt ten aanzien van personen die tijdens hun werkzaamheden met afhankelijkheidsrelaties te maken krijgen en in de justitiële documentatie met een veroordeling wegens een zedenmisdrijf voorkomen. Personen die in de twintig jaren voorafgaande aan de aanvraag eenmaal in de justitiële documentatie voorkomen met een onherroepelijke veroordeling vanwege een zedendelict, komen niet in aanmerking voor een VOG in functies, waarin een afhankelijkheidsrelatie bestaat.

2.5. [appellant] betoogt dat hij zich nimmer aan enig misdrijf bij of in verband met de uitoefening van zijn beroep heeft schuldig gemaakt, maar dat deze in zijn privéleven zijn begaan. De rechtbank heeft het bestreden besluit derhalve ten onrechte niet vernietigd, aldus [appellant].

2.5.1. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gevraagde VOG, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden, diende te worden geweigerd.

Het betoog dat de strafbare feiten in de privésfeer zijn begaan faalt omdat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder andere uitspraak van 3 januari 2007 in zaak nr. 200606020/1) de omstandigheid dat het strafbare feit zich niet heeft voorgedaan tijdens of in verband met zijn functioneren als taxi-ondernemer niet van doorslaggevend belang is. Het gaat er om dat het strafbare feit, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie zou verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving bestaat.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Graat

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2009

307.