Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI4525

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
20-05-2009
Zaaknummer
200808420/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 augustus 2007 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808420/1/H3.

Datum uitspraak: 20 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 oktober 2008 in zaak nr. 08/818 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2007 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Bij besluit van 11 januari 2008 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 oktober 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 november 2008, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. V.S. Waterval, advocaat te Spijkenisse, en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. R.G.J. Wildemors, ambtenaar in dienst van het Ministerie van Justitie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] heeft om afgifte van een VOG verzocht ten behoeve van een aanvraag van een chauffeurspas bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat, ter uitoefening van het beroep als taxichauffeur.

2.2. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) is een VOG een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon. De verklaring bevat geen andere mededelingen.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Ingevolge artikel 75, eerste lid, van het Besluit personenvervoer 2000, voor zover van belang, wordt met het besturen van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, slechts diegene belast, die in het bezit is van een geldige chauffeurspas.

Ingevolge artikel 76, eerste lid, aanhef en onder c, wordt, voor zover van belang, bij de aanvraag om een chauffeurspas overgelegd een met het oog op het uitoefenen van het beroep van taxichauffeur verleende VOG overeenkomstig de bepalingen van de Wjsg.

2.3. Bij de beoordeling van een verzoek om afgifte van een VOG werden ten tijde van het bij de rechtbank bestreden besluit de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG NP-RP 2004 (hierna: de beleidsregels) voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een VOG van natuurlijke personen en rechtspersonen, vastgesteld door de minister bij besluit van 15 maart 2004 (Stcrt. 2004, 63).

Volgens de beleidsregels wordt de afgifte van een VOG geweigerd, indien de aanvrager binnen de voorgeschreven termijn voorafgaand aan het moment van toetsing in de justitiële documentatie voorkomt en de aangetroffen antecedenten, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, een belemmering kunnen vormen voor een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden, waarvoor de VOG wordt gevraagd. Voor een taxichauffeur geldt dat de aanvrager van een VOG vijf jaar voorafgaand aan het moment van toetsing niet mag voorkomen in de justitiële documentatie, althans dat er geen sprake mag zijn van relevante antecedenten.

Indien de aanvrager binnen de voorgeschreven termijn voorafgaand aan het moment van toetsing voorkomt in de justitiële documentatie, ontvangt de minister ten behoeve van de beoordeling gegevens uit de justitiële documentatie tot twintig jaar terug.

Volgens paragraaf 3.2.3 (de subjectieve criteria) van de beleidsregels kunnen bijzondere omstandigheden slechts een corrigerende functie hebben voor het concrete geval. Onder deze omstandigheden kan worden verstaan, voor zover thans van belang, de zwaarte van het delict (misdrijf of overtreding), de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, maar ook de vraag in hoeverre recidive waarschijnlijk is. De hoeveelheid antecedenten en de periode tussen de verschillende antecedenten spelen een rol, maar ook het tijdsverloop van het antecedent.

2.4. De minister heeft aan de in bezwaar gehandhaafde weigering ten grondslag gelegd dat in de justitiële documentatie staat vermeld dat [appellant] in de afgelopen vijf jaar te rekenen vanaf de datum van de aanvraag op 19 september 2006 wegens poging tot zware mishandeling tot 60 uren werkstraf subsidiair 30 dagen hechtenis is veroordeeld en dat hij op 4 oktober 2006 vanwege rijden onder invloed een transactie van € 300,00 heeft aanvaard. Naar aanleiding van deze antecedenten heeft de minister, conform de beleidsregels, gekeken naar antecedenten tot twintig jaar terug. Daaruit is gebleken dat [appellant] in die twintig jaren meer dan eenmaal met justitie in aanraking is gekomen. De antecedenten staan volgens de minister, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, aan een behoorlijke uitoefening van de werkzaamheden als taxichauffeur in de weg.

In het besluit van 11 januari 2008 heeft de minister daaraan toegevoegd dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die niettemin tot afgifte van een VOG nopen, waarbij hij de ernst van de gepleegde strafbare feiten en het relatief korte tijdsverloop sedert het begaan daarvan in aanmerking heeft genomen. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] gedurende een langere periode moet laten zien niet met justitie in aanraking te komen.

2.5. De rechtbank heeft overwogen dat het standpunt van de minister dat [appellant] over een langere periode dient te laten zien dat hij zich niet meer aan strafbare feiten schuldig maakt, niet onredelijk is.

2.5.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank voorbij is gegaan aan de bijzondere subjectieve omstandigheid dat hij na zijn strafrechtelijke veroordeling in september 2006 nog een jaar als taxichauffeur heeft gefunctioneerd omdat de hem verleende chauffeurspas geldig zou zijn tot 9 september 2007 en dat hij binnen die periode geen strafbare feiten heeft gepleegd. Dat hij na die strafrechtelijke veroordeling zijn functie heeft mogen blijven uitoefenen duidt er op dat de minister het risico voor het welzijn en de veiligheid van personen niet groot heeft geacht. Voorts is dat risico door het tijdsverloop sedert het begaan daarvan voldoende afgenomen, aldus [appellant]. Dat geen risico bestaat volgt ook uit het feit dat de politierechter hem in 2006 slechts een relatief geringe straf heeft opgelegd.

2.5.2. Dat [appellant] zich na zijn strafrechtelijke veroordeling niet meer aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt maakt niet dat de minister zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat zich pas een gering tijdsverloop voordoet sedert die veroordeling, omdat de aanvraag om afgifte van een VOG binnen een jaar is gedaan na het laatste in de justitiële documentatie voorkomende antecedent. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat volgens de beleidsregels een VOG aan een taxichauffeur pas zonder meer wordt afgegeven indien deze vijf jaar voorafgaand aan het moment van beoordeling van de aanvraag niet in de justitiële documentatie voorkomt.

Het betoog van [appellant] dat uit de omstandigheid dat zijn chauffeurspas, ondanks de strafrechtelijke veroordeling, niet is ingetrokken volgt dat de minister geen risico voor de samenleving aanwezig acht faalt. Voorwerp van geding is slechts de afwijzing van een aanvraag om afgifte van een VOG en niet de intrekking van een verleende chauffeurspas. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat niet de minister maar de minister van Verkeer en Waterstaat bevoegd is een chauffeurspas in te trekken.

Gelet op het geringe tijdsverloop sedert de in de justitiële documentatie voorkomende strafrechtelijke veroordeling en aanvaarde transactie en gelet op de hoogte daarvan heeft de minister in redelijkheid kunnen oordelen dat de subjectieve criteria geen aanleiding geven om van een weigering tot afgifte van de VOG af te zien. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat het standpunt van de minister dat [appellant] over een langere periode dient te laten zien dat hij zich niet meer aan het plegen van strafbare feiten schuldig maakt, niet onredelijk is.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Graat

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2009

307.