Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI4521

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
20-05-2009
Zaaknummer
200807976/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 mei 2007 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807976/1/H3.

Datum uitspraak: 20 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 september 2008 in zaak nr. 08/380 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2007 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Bij besluit van 26 november 2007 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 september 2008, verzonden op 18 september 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 oktober 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 28 november 2008.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R.P. Seger, advocaat te Loenen aan de Vecht, en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. R.G.J. Wildemors, ambtenaar in dienst van het Ministerie van Justitie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] heeft om afgifte van een VOG verzocht ten behoeve van een aanvraag van een chauffeurspas bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat, ter uitoefening van het beroep als taxichauffeur.

2.2. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) is een VOG een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon. De verklaring bevat geen andere mededelingen.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wjsg weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Ingevolge artikel 75, eerste lid, van het Besluit personenvervoer 2000, voor zover thans van belang, wordt met het besturen van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, slechts diegene belast, die in het bezit is van een geldige chauffeurspas.

Ingevolge artikel 76, eerste lid, aanhef en onder c, wordt, voor zover thans van belang, bij de aanvraag om een chauffeurspas een met het oog op het uitoefenen van het beroep van taxichauffeur overeenkomstig de bepalingen van de Wjsg verleende verklaring omtrent het gedrag overgelegd.

2.3. Bij de beoordeling van een verzoek om afgifte van een VOG werden ten tijde van het bij de rechtbank bestreden besluit de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG NP-RP 2004 (hierna: de beleidsregels) voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een VOG van natuurlijke personen en rechtspersonen, vastgesteld door de minister bij besluit van 15 maart 2004 (Stcrt. 2004, 63).

Volgens de beleidsregels wordt de afgifte van een VOG geweigerd, indien de aanvrager binnen de voorgeschreven termijn voorafgaand aan het moment van toetsing in de justitiële documentatie voorkomt en de aangetroffen antecedenten, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, een belemmering kunnen vormen voor een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden, waarvoor de VOG wordt gevraagd. Voor een taxichauffeur geldt dat de aanvrager van een VOG vijf jaar voorafgaand aan het moment van toetsing niet mag voorkomen in de justitiële documentatie, althans dat er geen sprake mag zijn van relevante antecedenten.

Om vast te stellen of de aangetroffen antecedenten een belemmering (kunnen) vormen voor de afgifte van een VOG zijn in bijlage A bij de beleidsregels een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke screeningsprofielen neergelegd aan de hand waarvan het risico voor de samenleving wordt bepaald.

Volgens het screeningsprofiel voor de taxichauffeur is deze belast met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van mensen. In die functie komt het vaak voor dat er een één op één relatie is, waarbij sprake is van een (tijdelijke) afhankelijkheid. Eén van de risico's in de taxibranche is het in gevaar brengen van de veiligheid van personen en goederen. Daarnaast bestaat ook het gevaar van machtsmisbruik (zedendelicten), afpersing, afdreiging, diefstal of verduistering en vervalsing van bijvoorbeeld taxipassen.

2.4. De minister heeft aan de in bezwaar gehandhaafde weigering ten grondslag gelegd dat in de justitiële documentatie staat vermeld dat [appellant] in de afgelopen vijf jaar te rekenen vanaf de datum van de aanvraag viermaal tot een geldboete is veroordeeld vanwege onverzekerd rijden, vanwege het niet in bezit hebben als bestuurder van een taxi van een geldige, leesbare en voor de consument zichtbare chauffeurspas is veroordeeld tot een geldboete onderscheidenlijk een transactie heeft aanvaard, wegens het overschrijden van de maximumsnelheid tot een geldboete is veroordeeld onderscheidenlijk een transactie heeft aanvaard en een transactie heeft aanvaard wegens overtreding van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Regeling werkmap. Deze antecedenten staan volgens de minister, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, aan een behoorlijke uitoefening van de werkzaamheden als taxichauffeur in de weg. In het besluit van 26 november 2007 heeft de minister daaraan toegevoegd dat de strafbare feiten waarvoor [appellant] is veroordeeld allemaal relevant zijn voor het screeningsprofiel voor taxichauffeur en dat gelet op de recente datum van de gepleegde strafbare feiten niet kan worden geconcludeerd dat het risico voor de samenleving voldoende is afgenomen.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank de strafrechtelijke veroordelingen wegens onverzekerd rijden buiten beschouwing had moeten laten omdat deze hem niet te verwijten zijn, omdat hij reed in auto's van zijn werkgever. Verder betoogt hij dat door het niet bij zich hebben van een geldige chauffeurspas en het niet invullen van een rittenstaat passagiers niet zijn benadeeld en dat uit het twee keer overtreden van de maximumsnelheid binnen een lang tijdsbestek niet mag worden afgeleid dat hij ongeschikt is om als taxichauffeur werkzaam te zijn. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de minister deze strafbare feiten relevant heeft mogen achten.

2.5.1. Met de rechtbank moet worden geoordeeld dat de minister de gevraagde VOG, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden, terecht heeft geweigerd.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de in de justitiële documentatie voorkomende strafbare feiten, het bij herhaling onverzekerd rijden, het bij herhaling overschrijden van de toegestane maximumsnelheid en het niet invullen van een rittenstaat en het bij herhaling zonder chauffeurspas rijden bij uitstek niet te verenigen zijn met de functie van taxichauffeur.

Het betoog van [appellant] dat de rechtbank voorbij is gegaan aan de omstandigheid dat het onverzekerd rijden hem niet valt toe te rekenen faalt omdat dit in het kader van de toets aan de objectieve criteria niet aan de orde kan komen. Uitgegaan dient te worden van de door de kantonrechter opgelegde straffen zoals opgenomen in de justitiële documentatie.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena w.g. Graat

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2009

307.