Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI4518

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
20-05-2009
Zaaknummer
200806632/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (Overijssel) (hierna: het college) geweigerd aan [appellante] vrijstelling van het geldende bestemmingsplan te verlenen voor de exploitatie van een seksinrichting in het pand aan de [locatie] te Hengelo (hierna: het pand).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806632/1/H3.

Datum uitspraak: 20 mei 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Hengelo (Overijssel),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 21 juli 2008 in zaak nr. 07/1347 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (Overijssel) (hierna: het college) geweigerd aan [appellante] vrijstelling van het geldende bestemmingsplan te verlenen voor de exploitatie van een seksinrichting in het pand aan de [locatie] te Hengelo (hierna: het pand).

Bij besluit van 9 oktober 2007 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 juli 2008, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.S. van Dijk en P.L. Drent, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente Hengelo, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een wijziging in het gebruik van opstallen in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft en het gebruik niet meer omvat dan een bruto-vloeroppervlak van 1500 m2.

Het college heeft beleidsregels voor het beoordelen van verzoeken om vrijstelling van het bestemmingsplan voor seksinrichtingen vastgesteld in de Notitie ruimtelijk afwegingskader voor seksinrichtingen (hierna: de Notitie). Volgens paragraaf 4, criterium 3, van de Notitie mogen binnen een loopafstand van honderd meter van de plaats waar de vestiging van een prostitutiebedrijf is beoogd geen scholen, peuterspeelzalen, crèches of religieuze gebouwen aanwezig of gepland zijn.

2.2. De rechtbank heeft overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren gebruik te maken van zijn bevoegdheid vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan. Zij heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het restaurant, dat binnen een loopafstand van honderd meter van het pand is gevestigd en dat fungeert als een praktijkopleidingsplaats voor leerlingen in het speciaal onderwijs, een school is in de zin van criterium 3 van paragraaf 4 van de Notitie. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het beroep van [appellante] op het vertrouwensbeginsel faalt. Het betoog van [appellante] dat zij voordat zij het pand heeft gekocht, heeft gesproken met een ambtenaar van de gemeente en dat deze haar heeft meegedeeld dat er geen beperkingen waren voor het exploiteren van een seksinrichting vanuit het pand, kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen, reeds omdat die mondelinge mededeling betrekking had op een andere activiteit dan thans aan de orde is. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat die ambtenaar ter zitting heeft verklaard dat [appellante] hem heeft verteld dat zij voornemens was in het pand een detailhandel in seksartikelen te openen, waarna hij haar heeft meegedeeld dat daarvoor geen beperkingen gelden, en dat [appellante] nadien haar plannen heeft gewijzigd in een erotheek met cabines, waarvoor wel beperkingen gelden.

2.3. [appellante] komt op tegen dit oordeel van de rechtbank. Zij betoogt dat deze ambtenaar en zijn collega's van de Afdeling Bouwzaken en Vergunningen van de gemeente Hengelo op het moment dat deze haar hebben voorgelicht op de hoogte waren van het feit dat zij in het pand een erotheek met cabines wilde vestigen. Zij stelt in dat verband dat zij een pand zou hebben gehuurd in plaats van gekocht indien zij alleen een detailhandel in seksartikelen had willen exploiteren. Zij heeft het pand gekocht omdat eigenaren hun panden niet willen verhuren ten behoeve van de exploitatie van een erotische winkel met cabines en een bioscoop. Zij stelt dat de ambtenaren haar hebben meegedeeld dat het pand niet lag in de directe omgeving van objecten die voor het college redengevend konden zijn af te zien van de bevoegdheid om vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen. Zij betoogt dat het voor haar niet was te voorzien dat het restaurant als een school zou worden aangemerkt, omdat dit de uitstraling van een restaurant heeft en het in de telefoongids slechts als restaurant en niet mede als school wordt vermeld.

2.3.1. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2007, in zaak nr. 200701969/1, dat het college beleidsvrijheid toekomt bij zijn beslissing al dan niet gebruik te maken van zijn bevoegdheid vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen. Deze beleidsvrijheid is nader ingevuld in de Notitie. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het college zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat het restaurant als een "school" in de zin van de Notitie kan worden aangemerkt. Het restaurant is een vestiging van de onderwijsinstelling de Stichting Scholengroep Twente Speciaal en is als zodanig een praktijkopleidingsplaats voor leerlingen in het speciaal onderwijs. Hierbij staat het leerproject centraal. Van commerciële exploitatie is geen sprake omdat in het restaurant alleen op doordeweekse dagen, op gezette tijden in de middag en de avond en tegen geringe prijzen lunches en diners worden geserveerd. Er is een leslokaal en er wordt onderwijs gegeven. De omstandigheid dat de praktijkschool de uitstraling van een restaurant heeft, doet er niet aan af dat deze als "school" in de zin van de beleidsregels mocht worden beschouwd. Niet in geschil is dat deze binnen een loopafstand van honderd meter van het pand is gevestigd. Nu de vestiging van de seksinrichting ter plaatse in strijd is met de in de Notitie neergelegde beleidsregels, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren gebruik te maken van zijn bevoegdheid vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen.

2.3.2. Ten aanzien van het betoog van [appellante] dat zij is afgegaan op mededelingen van ambtenaren inhoudende dat de mogelijkheid om aan haar vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen niet door de aanwezigheid van objecten als een school in de directe omgeving van het pand werd verhinderd, wordt overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat ambtenaren toezeggingen hebben gedaan op grond waarvan [appellante] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de benodigde vrijstelling zou worden verleend. De Afdeling voegt daaraan toe dat, zelfs als zou worden uitgegaan van de door [appellante] gestelde mondelinge informatie over de mogelijkheid om in het betrokken pand een seksinrichting te vestigen, dat nog geen bindende toezeggingen oplevert op grond waarvan een aanspraak op een vrijstellingsverlening door het college bestaat.

2.4. Voor zover [appellante] voor het overige verwijst naar het beroepschrift bij de rechtbank, wordt overwogen dat hetgeen aldus bij de rechtbank is aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte en op onjuiste gronden het beroep van [appellante] ongegrond heeft verklaard.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2009

97-598.